Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 65 - 2012
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 65 – Nr. 4 - April 2012
 
ISSN 1372-6501

Foto: Wilfried Van der Elst
Gymnogeophagus meridionalis, een cichlide van de "onderste plank"
Wilfried Van der Elst - Aquarianen Gent
106
Wat bedoel ik met “de onderste plank”? Wel, vissen die je het beste wat frisser houdt. Bijvoorbeeld op de onderste plank van je aquariumkamertje. Ik heb deze uitdrukking mogen lenen van de sympathieke Jan Klungers. Hij is al lang een liefhebber van soorten die het graag wat frisser willen. Dit heeft niets met krenterigheid te maken, maar echt met de gezondheid van de vissen. Het zou later blijken dat dit nog veel belangrijker is dan ik voorheen dacht. Ze komen van wat men weleens “subtropische” gebieden pleegt te noemen. Voor ons lijken verre gebieden altijd tropisch (= heet), maar dat is echt niet altijd zo. De vis die we hier wat nader gaan bekijken komt uit Uruguay en Argentinië. Vooral Argentinië kun je al een beetje vergelijken met ons klimaat, het zuiden dan toch. Het kan er ook wel koud zijn, maar meestal niet zo lang als bij ons. Hoewel we ook in de positieve richting aan het evolueren zijn. (Sorry, noorderburen voor jullie elf-stedentocht). Ik ga het hebben over één van de allermooiste cichliden: Gymnogeophagus meridionalis. Er heerst echter nog steeds veel verwarring over hoe het beestje nu eigenlijk moet heten. De naam G. rhabdotus wordt ook veel gebruikt. Voor sommigen is het heel duidelijk, maar ze hebben mij nog niet kunnen overtuigen. Je zou naar een rood lijntje hier of wat spikkeltjes daar moeten kijken. Echter, als ik alleen al de verschillende kleurpatronen zie die mijn vissen soms laten zien, raak ik er echt niet wijs uit. Volgens mij wordt in de boeken ook niet altijd de juiste vis afgebeeld. Ik heb ook nog geen holotypes gezien, misschien is het dan veel duidelijker. In het boek “Sud-Amerikanische erdfresser” van Thomas Weidner (echte aanrader trouwens) wordt verteld dat het verschil te zien zou zijn aan de hand van de iriserende lijntjes in de staartvin. Als het echte lijnen zijn zou het gaan om G. rhabdotus, als deze lijnen echter onderbroken zijn en zo meer stippen of een soort morse taal zijn, zou het gaan om G. meridionalis. Ik zou dus volgens dat boek G. meridionalis hebben. Jammer, want ik vind de naam G. rhabdotus wel leuker. Zo heb ik ze trouwens ook leren kennen, soms zelfs heel erg snel “rap dood dus”. Dit had alles te maken met hun nood naar frisser water. Sinds kort heb ik nog een soort gevonden die onder de naam G. rhabdotus verkocht werd. Die ziet er toch heel anders uit dan G. meridionalis en ze kweken bij 20 à 21 °C. Dus toch wel een cichlide die het wel degelijk graag wat frisser heeft. Dit is in schril contrast met hun familie, de geophagussen, die het graag wat warmer hebben, dus niet verwarren alsjeblieft.  

Foto: Gilbert Maebe
Aquaristiek in dienst van de wetenschap
Gilbert Maebe - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw
112
Op 11/02/2011 kreeg ik een mailtje in het Engels van iemand die zich voorstelde als Kadarusman. Hij vond mij via de Engelstalige website van de Belgische afdeling van het IRG (Internationaal Regenboog Gezelschap). De man doctoreert op dit ogenblik (2011) in Montpellier in Frankrijk over de moleculaire systematiek van de Melanotaeniidae (regenboogvissen) van Nieuw Guinea.
Hij schreef: “Ik contacteer u omdat er een aquariumvereniging is in België met enthousiaste regenboogliefhebbers die mij eventueel zouden kunnen bevoorraden met levende dieren voor genetische analyse. Daarom ben ik in Montpellier, Frankrijk, tot het einde van mijn studies in december 2011. Het is voor mij een mirakel indien je met mij wilt communiceren voor een korte periode. Dank u zeer voor deze vriendelijke hulp.”
Na mijn positief antwoord kwam wat volgt op 13/02/2011.
“Nu ik wat meer weet over u en tegenover een enthousiaste senior regenboogliefhebber en kweker sta van deze unieke taxa (taxa zijn fundamentele entiteiten die bv. een soort vertegenwoordigen) laat mij  u wat uitleg geven op mijn beurt. Mijn huidig onderzoek behelst regenboogvissen van het Indonesische deel van Papua (West-Papua). Dit project wil ten eerste een studie maken over de evolutie van 3 taxa,  te verstaan in de familie Melanotaeniidae inbegrepen Glossolepis, Chilatherina en Melanotaenia in beide regio’s Nieuw Guinea en Australië. Ten tweede hun systematische revisie verduidelijken en nieuwe soorten beschrijven. Ten derde hen te domesticeren in gevangenschap en het wegroven in de natuur te voorkomen en ten vierde, we willen onze genetische en biometrische data combinatie gebruiken om de soorten te herkennen en voor conserveringsdoeleinden. Sinds 2007 ondernamen we 4 wetenschappelijke expedities naar regenboogvissen in West-Papua. Resultaat: we vingen alle op naam gebrachte soorten en verzamelden bijna 100 populaties van Melanotaenia, enkele Chilatherina en Glossolepis. De verzamelstreek lag van de Raja Ampat eilanden tot het Wapoga rivieren systeem en Etna Bay in Kaimana. We verzamelden ook levende dieren voor domesticatie en conservatie doelen, deze soorten bevinden zich in onze institutionele installaties van Sorong en Jakarta. Het eerste resultaat van ons werk is gepubliceerd op Cybium journaal, Journaal van de Ichtyologie, de beschrijving van een nieuwe soort “Melanotaenia fasinensis”.”
Daarna stuurde ik hem mijn visbestandslijst. Op 14/02 volgde zijn antwoord: “Hartelijk dank voor de lijst van uw regenboogvissen. Ik waardeer ten volle uw medewerking. Wij zijn geïnteresseerd in deze lijst. Zou het mogelijk zijn om een aantal soorten mee te brengen naar het IRG congres in Duitsland? Samen met Laurent Pouyoud presenteren we daar ons werk over de Papua regenboog. Onze soorten in Jakarta en Sorong worden vrijgegeven voor de aquariumliefhebberij na naamgeving en beschrijving. Hiervoor zullen we u later contacteren. Bedankt voor uw vriendelijke correspondentie, we blijven in contact.”
 

Foto: Arend van den Nieuwenhuizen
Rotala wallichii
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw
118
Deze elegante, fijnbladige, decoratieve stengelplant is nogal lichtgevoelig, die onder goede omstandigheden wel zeer snel groeit. Als deze plant voldoende licht krijgt, worden de toppen bovendien schitterend bruin tot roodachtig van kleur. Voor een gezonde groei is zacht, lichtzuur water optimaal. Rotala walllichii is een andere mooie Rotala-soort die dezelfde kenmerken deelt als zijn neven: Rotala 'Vietnam' en Rotala hippuris. Deze plant geeft prachtige stengelkransen van roze, geel en groen in het aquarium.
Rotala wallichii is een plant uit de familie der Lythracea en werd voor het eerst beschreven door Koehne, maar vernoemd naar de Deense botanicus Nathaniel Wallich die deze plant vond in de vochtige tropen van Zuidoost-Azië in de vroege jaren 1880. Synoniemen zijn: Hydrolythrum wallichii, Ammannia wallichii, Ammannia myriophylloides.
Deze plant is gemakkelijk te verwarren met Mayaca fluviatilis welke ik eerst dacht te hebben omdat hij groen tot geelroze bleef (blijft). Daarvan staan de naaldvormige blaadjes echter in spiralen rond de stengel, dit in tegenstelling tot R. wallichii, waarvan de blaadjes in een krans rond de stengel staan. Rotala wallichii heeft een zeer dunne stengel. Deze stengels zijn zeer kwetsbaar en kunnen gemakkelijk beschadigd geraken. Ook hun bladeren zijn erg dun, je kunt hier gerust spreken van een naaldvorm. De groei-eigenschappen van R. walllichii variëren sterk, afhankelijk van het type onderwateromgeving waarin deze zich bevindt. Gehouden onder matig licht (zoals bij mij met “maar” 2 TL-lampen TLD 83 en 84) blijft R. walllichii een “saai groene” tot geelroze kleur tonen en worden de bladkransen met wat langere internodiën gespreid.
Voor zijn mooiste vorm vereist hij echter een hoge lichtintensiteit, CO2-inbreng en een evenwichtige bemesting als regime om in  te gedijen. De verlichting dient minimaal 2 watt per liter te zijn voor de mooiste kleur en beste groei. Een ruime hoeveelheid CO2 via een doe-het-zelf gistsysteem of een fles onder druk is eveneens nodig. Wat nitraat wordt door deze plant enigszins verdragen, anderzijds mag deze toch geen waarden bereiken hoger 20 tot 25 ppm. R. wallichii waardeert ook een relatief hoog fosfaatgehalte (1-2 ppm) en verlangt een vloeibare ijzer/micronutriënten toevoeging. Daarnaast geeft de plant de voorkeur aan zachter water en een pH tussen 6,4-6,8.
Als de omstandigheden goed zijn, zal deze plant je belonen met weelderige, fel roze, bruine tot diep rode stengelkransen van ongeveer 2 cm in diameter. Deze vormen dan weelderige, zachte, roze stengelgroepen die groeien tot aan het wateroppervlak en produceert langs dat wateroppervlak zijn meest kleurrijke, levendige groei. Daar ontwikkelt hij ook het grootste aantal zijscheuten. Als hij te lang wordt, kan R. wallichii worden gesnoeid door het afsnijden van de toppen en deze te herplanten in de bodemgrond. Deze plant is dus gemakkelijk te vermeerderen door de vorming van zijtakken en enten. Plant hem in een klein bosje (3 tot 4 stengels bij elkaar) en creëer zo kleine groepen die alle een paar centimeter uit elkaar staan.
R. wallichii is een plant voor het midden of achteraan in het aquarium. Het vaakst wordt hij geplaatst in het middengebied en van laag naar hoog met verschillende stamlengtes om zo de illusie van diepte te geven.
Echter... hij is ook erg gevoelig voor algen. Als algen beginnen te groeien op hun dunne stengels of bladeren, kan de plant snel stikken en uiteindelijk afsterven. Goede watercondities zijn daarom cruciaal om deze plant met succes te houden. R. wallichii is bovendien niet geschikt voor aquaria met plantenetende vissen.
Het is dus, mogen we concluderen, niet de gemakkelijkste van de aquatische planten om te houden, maar het is wel een van de meest populaire, algemeen verkrijgbare rode stengelplanten onder hobbyisten. Rotala wallichii is zeker ook een van de mooiste en meest interessante soorten van de Rotala-genus. Hij is echter moeilijk te houden en vraagt wat meer ervaren aquaristieke handen. Misschien de jouwe?
 

Foto: Germain Leys
Pseudochromis in groepjes houden
Germain Leys - Tanichthys Hasselt
120
Het genus Pseudochromis behoort tot de familie van de Pseudochromidae en de onderfamilie Pseudochrominae en telt 59 soorten. Het zijn kleine dwergbaarzen uit de Rode Zee, de Stille Oceaan of de Indische Oceaan. De grootste soortenrijkdom komt echter in het Westelijk deel van de Stille Oceaan voor. Ze worden maximaal 11 cm groot en zijn bijgevolg erg geschikt om in onze aquaria te houden. Aangezien ze daarenboven nog een uitzonderlijke kleurenpracht en een bijzonder typische en lenige zwemwijze vertonen, zijn ze al jarenlang geliefd bij menig zeeaquariaan.
Het zijn holenbroeders met broedzorg, die in de natuur doorgaans in harems leven van één mannetje en diverse vrouwtjes. Ze zwemmen steeds zeer dicht bij de koralen en het levend steen om er bij de minste onraad in weg te vluchten. Bij het verwijderen van levend steen uit het aquarium is al menige Pseudochromis als verstekeling mee gereisd en zo ongewild van eigenaar verwisseld.
Ze kunnen zich vaak vrij agressief gedragen; ze zijn nergens bang van, ook niet van veel grotere vissen.
Het is prachtig om het typische baltsritueel gade te slaan. Het mannetje zoekt en verdedigt eerst één of meerdere broedholen om daarna een vrouwtje te imponeren door voor- en achteruit zwemmend haar het broedhol te tonen, waarbij het vrouwtje vaak gebeten wordt. Het is om die reden raadzaam om steeds sterke dieren aan te kopen, want een verzwakt vrouwtje zal deze ruwe “liefkozingen” niet overleven. Als je ze in groepjes houdt dan zul je geregeld een vrouwtje tegenkomen dat, vooral op het kopgedeelte, enkele kwetsuren heeft, maar het is meestal binnen 24 uur volledig genezen. Het mannetje kun je herkennen aan de staartvin, die onderaan iets langer uitgerekt is.
De volgende soorten worden vaak in de handel in voldoende aantallen aangeboden om een mooi groepje te kunnen vormen: Pseudochromis fridmani; P. springeri; P. aldabraensis; P. flavivertex en P. sankeyi.
Het zijn meteen ook de zachtaardigste soorten, die bovendien in gevangenschap kunnen gekweekt worden en waarvan al enkele kruisingen “kunstmatig” werden gemaakt, zoals P. fridmani x P. sankeyi. Bij aankoop vraag je best aan de handelaar naar in gevangenschap gekweekte vissen. Ten eerste omdat ze dan niet uit de natuur moeten weggehaald worden, maar ook omdat ze beter zijn aangepast aan onze aquariumcondities. Koop nooit een Pseudochromis zonder voldoende literatuur geraadpleegd te hebben. Je aankoop zou wel eens een terreur in jouw aquarium kunnen worden. Ik wil zeer zeker waarschuwen voor P. dilectus en P. steenei die beide zeer agressief zijn. Ze kunnen op korte tijd een ware veldslag aanrichten tussen de andere bewoners van je aquarium.

Foto: Guido Lurquin
Anax imperator, de keizerlibel
Guido Lurquin - De Siervis Leuven
124
Met zijn in de vlucht licht gekromde achterlijf is grote keizerlibel een van de meest herkenbare insecten. Dit is de keizer van de heersers, of de heerser onder de keizers zoals zijn wetenschappelijke naam het aangeeft: Anax imperator.
Als een minihelikopter scheert hij langs ons heen. Het is een ingewikkelde machine, ingenieus ontworpen, vele miljoenen jaren geleden. De onderdelen fonkelen, draaien, pompen, trillen. Alles gebeurt te snel voor onze ogen. We krijgen een demonstratie van pure kracht, van wendbaarheid. We schrikken er van, grote insecten zijn we niet gewoon in ons land. Als we goed kijken en wat geduld uitoefenen, zien we de activiteiten van een echte moordmachine. Het is een robotbeest dat echt grote insecten aankan. Vlinders, hommels, waterjuffers, maar ook andere soorten libellen vormen het voedsel van deze toprover, die ook prooien aankan van zijn eigen maat en bovendien kannibalistisch gedrag vertoont.
De grote keizerlibel heeft een vleugelspanwijdte van 9,5 tot 11 cm en een lengte van 73 tot 82 mm. Hij is daarmee duidelijk de grootste van onze libellen en kan alleen al daardoor moeilijk met andere soorten worden verwisseld, tenzij met de verwante zuidelijke keizerlibel (die erg zeldzaam is in onze streken). De kleuren van deze rover zijn hevig. De kleurencombinatie van de man keizerlibel: ogen blauw, borststuk groen, achterlijf helblauw met zwarte middenstreep. De vrouwtjes hebben een ander signalement: ogen, borststuk en achterlijf groen, achterlijf met zwarte middenstreep. Het borststuk van de grote keizerlibel is lichtgroen en het is de enige van onze libellen waarbij dat het geval is. Het borststuk van de zuidelijke keizerlibel is bruin.
  Nationale Huiskeuring 2011 130
  BBAT-informatief 135
  VOEDSELGIDS Bladluizen (1)  
Top