Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 65 - 2012
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 65 – Nr. 6 - Juni 2012
 
ISSN 1372-6501

Foto: Robert Van Mossevelde
Kweken met Pelvicachromis roloffi
Robert Van Mossevelde - Aquarianen Gent
170
Bij het zien van de naam van dit visje zal men onmiddellijk denken: “Oei! Weer nog maar eens een kersenbuik”. Inderdaad dit visje behoort tot het genus Pelvicachromis, een soort waarvan de vrouwtjes ons die donker tot karmijnrode buikzijde tonen tijdens de paring, vandaar ook de Nederlandse naam “kersenvlekcichlide”. Het bewaken van het legsel en het rondzwemmen met de jongen op zoek naar het eerste voedsel, en ook hun gedrag, lijkt sterk – enkele uitzonderingen niet te na gesproken – op dit van hun met meer sprekende kleuren getooide soortgenoten.
Pelvicachromis roloffi werd voor het eerst meegebracht naar Europa door Erhard Roloff uit Karlsruhe in 1968 en in de “Roloffi–subocellatus groep” ondergebracht en ze zijn voor het eerst beschreven door D.F.E. Thys van den Audenaarde als Pelmatochromis roloffi in Zool. Bot. Afric. 77(3/4)/33.
Hun natuurlijke leefmilieu bevindt zich in Oost-Guinea, Sierra Leone en West-Liberia, in zwak stromende, zuurstofrijke waterlopen die door wouden en plantage gebieden stromen; in zacht en ietwat zuur water met veel drijfplanten, die we hen ook in het aquarium trachten te geven. Roloff beschrijft in zijn reisberichten over waterwaarden tussen de 1 tot 2 °dH, een neutrale pH-waarde van 7 en een temperatuur van rond de 25 °C.
Pelvicachromis roloffi, die 7 à 8 cm groot wordt, houdt men het best paarsgewijze. Het is een relatief vriendelijke, vreedzame soort die enkel in de paartijd agressief kan worden en alles rond de broedplaats verjaagt, planten worden met rust gelaten.
Bij een van de dagelijkse bezoeken aan aquariumzaken die ik, 10 à 15 jaar geleden, bracht, zag ik dit visje voor het eerst bij Aquashop in Tongeren. Een zaak die altijd goed voorzien was van dwergcichliden zowel uit Zuid-Amerika als Afrika en ook steeds de nieuwigheden aanbood. De visjes waren toen al 6 à7 cm groot en van een gelijke grootte. Ik vermoed dat, gezien de gelijke grootte, het import was, bij kweek is dit meestal niet zo.
Dwergcichlidenliefhebber zijnde, bracht ik er een 6-tal mee naar huis, waar ik altijd wel enkele kweek- en fotobakjes had klaar staan om hen in onder te brengen. Op enkele weken tijd bracht ik het water op de natuurlijke waarden die ik in het boek ”Buntbarsche aus Westafrika” gelezen had. Al meteen bleek dat ik 2 mannetjes en 4 vrouwtjes had, mooi uitgegroeide dieren die al snel het hen aangeboden voedsel in de vorm van verse watervlooien, diepvries rode en zwarte muggenlarven en af en toe wat Enchytraeën naar binnen speelden.
 

Foto: BBAT-archief
Cambarellus montezumae montezumae
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw
176
De Mexicaanse dwergkreeft is een zoet water minikreeft die zo’n 6 cm groot wordt. Het is een leuke dwergkreeft uit Mexico, regio Oacaca, die snel je hart verovert, vreedzaam is tegenover vissen, de planten met rust laat en als opruimer het overtollige visvoer opeet. Eigenlijk dé ideale opruimer voor in je aquarium.
Ook in de natuur zijn het echte opruimers die leven van dood plantaardig en dierlijk materiaal en soms ... levende prooien. Toch moet je in het oog houden dat ze voldoende voedsel krijgen, ik bedoel dat er voor hen steeds nog wat rest of ze verhongeren, zelfs in een gezelschapsaquarium. Dit merk je het best als ze als een gek door het aquarium beginnen te razen, te jagen achter voedsel zeg maar, want dan is er echt iets mis en moet je dringend ingrijpen.
De soort Cambarellus zempoalensis is sterk verwant en wordt als een zustersoort gezien, maar komt slechts op één locatie voor: een gebied gelegen in de Mexicaanse staat Morelos. Cambarellus montezumae montezumae is meer algemeen en heeft een veel groter verspreidingsgebied. Cambarellus montezumae montezumae var. choco is de bruine variant van de Cambarellus montezumae montezumae. Cambarellus montezumae lermensis en Cambarellus montezumae ninae (Arkansas dwergkreeft) zijn dan weer twee sterk gelijkende ondersoorten. Deze laatste graaft holen en leeft van nature in de moerassige gebieden van Texas (Arkansas, Calhoun, Refugio en Victoria counties).
Vanwege zijn schuwe aard is C. montezumae montezumae erg geschikt voor een gezelschapsaquarium, waar hij de medebewoners en de beplanting over het algemeen met rust laat. Dit in tegenstelling tot de meeste zoetwaterkreeften, die wel een groen blaadje lusten. Enig minpuntje misschien is dat de Mexicaanse rivierkreeft de bodem enigszins omwoelt. Bij een watertemperatuur tussen de 20-25 °C en een pH tussen de 6,5 en 8,5 voelen ze opperbest. Een goede waterkwaliteit is echter van essentieel belang: deze kreeftjes kunnen slecht tegen vervuiling en helemaal niet tegen nitriet.
De aanwezigheid van schuilplaatsen op een zandbodem of een grindbodem met een kleine korrel, in het aquarium is onontbeerlijk, met name vanwege de kwetsbaarheid van de kreeft net na een vervelling. Een goede beplanting en genoeg schuilplekken die je met stenen en wortelhout kunt vormen, zijn dus raadzaam. Vaak zul je merken dat de vrouwtjes zich met hun eitjes onder een steen verstoppen en daar enkel van onder komen om te eten. Soms zelfs brutaal de vissen wegduwend eens ze gewend zijn. Cambarellus montezumae montezumae eet kleine hoeveelheden droogvoer en groenvoer, maar als hij de kans krijgt dus ook levend voedsel. De ideale verhouding is één stel of twee vrouwtjes met één mannetje. Is je aquarium voldoende groot, dan mogen er natuurlijk meer kreeftjes je vissen gezelschap houden.
 

Foto: Freddy Haerens
Ambystoma tigrinum, de tijgersalamander
Ruda Rybnicfan - Aquatom vzw
180
Het genus Ambystoma omvat zo’n 30 verschillende soorten die alle nogal wat gelijkenis vertonen. Het determineren en beschrijven van deze dieren is daarom niet eenvoudig. Meestal is hun lichaam zwart met gele vlekken over het hele lichaam. Buik en keel zijn geel gekleurd. Het gebeurt ook dat ze een omgekeerd pakje vertonen. De staart is erg dik en eindigt in een stompje. De jongere dieren zijn valer van kleur. Soms dragen ze geen vlekken maar wel gele strepen. Er zijn ook kleurcombinaties bekend waar ze geen stippen hebben, maar horizontale strepen. Er zijn geen duidelijke uiterlijke verschillen te vinden tussen mannetjes en vrouwtjes. De ribben zijn duidelijk zichtbaar. Voor de kop moeten we maar even naar de genusnaam kijken Ambystoma bestaat uit “amby” stomp en “stoma” mond, muil, bek. Dit verwijst maar hun dikke muil. De soortnaam “tigrinum” verwijst naar de tijger want sommige varianten zijn niet gevlekt maar gestreept. Dit geldt niet voor de larven, want zij bezitten een spitse snuit.
De tijgersalamanders worden aanzien als de soort met de grootste verspreiding in Noord-Amerika. Hun natuurlijke biotopen of resten ervan, liggen sterk verspreid over zowel Noord- als Centraal-Amerika. Het behelst bepaalde delen van Canada en de Verenigde Staten naast populaties in Mexico. In hun natuurlijke habitat worden ze sterk belaagd en worden met uitsterven bedreigd. Dit wordt toegeschreven aan o.a. “zure regen” (Vertucci in 1992) en pesticiden die mogelijk de endocriene werkingen verstoren (Larson 1998). De afname van een populatie is niet steeds te wijten aan externe factoren. Het lijkt veeleer dat ze na een vermindering, een tijdje later weer in aantal zijn toegenomen.
Door hun groot verspreidingsareaal komen ze in contact met verschillende temperaturen. Hoe warmer het is hoe vlugger de larven hun opwachting maken, terwijl ze ook beduidend eerder overgaan naar het volwassen stadium. De wereldwijde opwarming kan dit proces nog plaatselijk versnellen. De noordelijke populaties houden een winterslaap in tegenstelling tot de zuidelijken.
Ze leven er in verschillende biotopen zoals bossen en prairies. De nabijheid van cultuurland schrikt hen niet af. Ze nemen daar boomgaarden en weiden voor lief, op voorwaarde dat ze over water beschikken om zich voort te planten. Overdag houden ze zich schuil, maar bij avond stijgen ze naar de oppervlakte om zeker tijdens regen en tijdens de paartijd de oever op te zoeken gedurende hun tocht naar voedsel of een partner.
De volwassen dieren verblijven in met hun voorpoten uitgegraven holen in de oeverwand en onder stenen, takken en alles wat dekking kan verschaffen. Bij dreigende droogte of als voorbereiding op de winterslaap, graven ze zich dieper in om vochtig te blijven. De volwassen dieren verkiezen hiervoor een plaats onder de vorstgrens. Dat ze daarbij ver gaan, mag blijken uit de vondst van een salamander die twee meter diep aangetroffen werd (Gehlbach, 1965). Komt daarvan soms de naam molsalamander? Deze tot 30 cm lange salamander kan zowel zuiver aquatisch als in een aquaterrarium verzorgd worden. In het laatste geval begeven ze zich uitsluitend in de paartijd te water. Dit belet echter niet dat ze in een vochtige omgeving moeten gehouden worden.
 

Foto: Germain Leys
Coris picta, de kam lipvis
Germain Leys - Tanichthys Hasselt
184
Het genus Coris van de grote familie der Labridae (lipvissen) uit de ook al grote orde van de Perciformes (baarsachtigen) bevat ongeveer 26 soorten.
Coris picta heeft een spitse snuit en een smal, lang lichaam. Jonge vissen zijn wit met een grote zwarte horizontale streep van de snuit tot aan de staart. Bij volwassen exemplaren ontwikkelt de zwarte streep een reeks tanden zoals een kam, vandaar zijn Nederlandse naam “kam lipvis”, de Engelse naam luidt “Comb wrasse”. De rugvin, die van boven het oog tot aan de staartvin loopt, vertoont vaak een roze tot rode schijn. Vrouwtjes hebben een gele staartvin. Ze worden tot 25 cm groot in de natuur. In onze aquaria zal dat echter maximaal 20 cm zijn, maar dat is toch al vrij groot en je zou minstens een aquarium van 1000 l moeten hebben om deze vis comfortabel te kunnen houden.
Hij houdt zich meestal op aan de kustriffen met zandige bodems en rotsachtige riffen van de westelijke Stille Oceaan, Australië (zuidelijk Queensland tot noordelijk Victoria, Lord Howe Eiland), de Norfolk Eilanden, de Kermadec Eilanden en Nieuw Zeeland op een diepte van 5 tot 20 m.
Hij wordt nog al eens verward met de Coris musume, die vroeger als synoniem of ondersoort werd beschouwd. Deze laatste komt echter voor in Japan (van Tokyo tot Nagasaski), Ogasawara, Taiwan en de Fillipijnen.
Bij introductie in het aquarium moet je zorgen voor een fijne zandbodem met een dikte van 5 à 10 cm. Deze vis slaapt, zoals vele lipvissen, onder het zand. Een pas ingebrachte vis zal vaak dadelijk onder het zand duiken. Je mag deze gedragswijze dan niet storen, want dan zal de aanpassingsfase zeker langer gaan duren en zul je de vis niet de nodige rust gunnen. Bij introductie kan hij soms meerdere dagen onder het zand blijven. Rustig afwachten is dan de boodschap.

Foto: Guido Lurquin
Laat uw vijver heerlijk geuren!
Guido Lurquin - De Siervis Leuven
188
Een vijvertuin is ideaal als geurtuin. Water en omsluitende muren vormen samen een ideale combinatie want bij warme, windstille, vochtige omstandigheden zijn bloemengeuren op hun sterkst. Het is dé plaats bij uitstek om geuren tot hun volle recht te laten komen, zeker als de tuin ommuurd is. Een beetje aandacht bij het zoeken naar de juiste planten en wij zullen met teugen genieten van al die aroma’s. Verwen uzelf en voorzie in elke watertuin minstens enkele geurige weldoeners.
Onze moderne maatschappij is toegespitst op beelden en geluiden. Geuren tellen nog nauwelijks mee. De originele, frisse natuurlijke geuren van planten zijn dringend aan herwaardering toe en zeker in en rond de vijver zijn er mogelijkheden te over. Geuren zijn moeilijk te beschrijven, echte benamingen hebben wij er niet voor. Dit in tegenstelling tot de kleuren, waar een bijna oneindig aantal benamingen ter beschikking staat: hemelsblauw, koningsblauw, diepblauw, ultramarijn blauw, turkooisblauw, ceruleumblauw, kobaltblauw, pruissischblauw en ga zo maar verder. Hoe benoemen wij een zoete geur? Suikerzoet misschien maar suiker ruikt nauwelijks, of honingzoet misschien en dan zitten wij al aan het eind van onze woordenschat. Nochtans hebben wij een uitzonderlijk goed geheugen voor wat wij met de neus waarnemen. Wellicht is het een grotendeels onbewust geheugen.
De vraag is of men een geur kan losmaken van herinneringen die er onherroepelijk aan vast zitten? Het is in ieder geval uiterst moeilijk om een geur als nieuw te proeven en te beoordelen. Geuren, ook die van planten, kunnen verbonden zijn met slechte of goede herinneringen uit onze jeugd. Zij doen ons misschien denken aan de muffe lucht in logeerkamers met mottenballen en te oude lavendelzakjes ... of anderzijds aan het onbezonnen speelplezier als kleuter in de bloemende fruittuin van grootmoeder. De appelzolder van opa, zijn pas geharkte moestuin, het confituur maken van oma, de processie... Een groot deel van de geuren die wij in onze verstedelijkte omgeving tegenkomen, zijn alles behalve echt. Deodorant, parfum en shampoo ‘met dennengeur’ zijn niet meer dan vervangers. Snoepen van de geur van een gekneusd blad, proeven van het aroma van een ontluikende bloem ... het zijn intense gewaarwordingen die we gaan combineren met aangename ervaringen.

Foto: Eddy Vanvoorden
Wedstrijden met guppy's
Eddy Vanvoorden - Tanichthys Hasselt
196
Ze zijn wat onopvallend voorbijgegaan, de Belgische manches van de Europese Guppykampioenschappen van 2010 en 2011. Deze vonden plaats in oktober 2010 en augustus 2011 in de kinderboerderij van Lanaken. Dat deze guppywedstrijden zo onopvallend voorbijgegaan zijn, was waarschijnlijk vooral te wijten aan het feit dat ze in een periode vielen waarin ook nog diverse andere aquaristieke evenementen gepland stonden, elders in ons Vlaanderlandje.
Toch is het mogen organiseren van een doorgang voor het Europese guppykampioenschap niet zo’n vanzelfsprekendheid. Er mogen maximaal 7 Europese doorgangen per jaar georganiseerd worden. Wie van de 28 officiële Europese guppyclubs een Europese doorgang krijgt, wordt bepaald door de stand van de kwekers in het klassement van het jaar daarvoor. Dat onze Belgische Guppyclub zich nu al 3 jaar op rij weet te plaatsen voor de organisatie van een Europese kampioenschapmanche, is een triomf op zich en een beloning voor de goede resultaten van de Belgische guppykwekers. Inderdaad het derde jaar op rij, want ook in september 2012 kan iedereen die geïnteresseerd is in dit kleurrijke tandkarpertje, opnieuw afzakken naar Lanaken om daar de Europese en Aziatische topguppy’s te komen bewonderen.
Waar draait het in een guppywedstrijd om?
Het IKGH, de overkoepelende organisatie van de Europese guppyclubs, heeft in het verleden 12 officiële guppystandaarden opgesteld. Je hebt de groep “grootstaarten”: waaierstaart, triangel, sluierstaart en vaandelstaart. De groep “zwaardstaarten”: dubbelzwaard, onderzwaard, bovenzwaard en lierstaart. De groep “kortstaarten”: spadestaart, speerstaart, rondstaart en naaldstaart.
Elke standaard is tot in detail beschreven voor wat betreft de lichaamslengte, lichaamsvorm en kleurverdeling; de rugvinlengte, rugvinvorm en kleurverdeling; de staartvinlengte, staartvinvorm en kleurverdeling. Bovendien is er ook nog het vakje “vitaliteit” en dit heeft betrekking op de gezondheid en het normale zwemgedrag van de vissen. Deze standaarden zijn de richtlijnen, waarop de keurmeesters zich baseren om de vissen punten toe te kennen en aldus de winnaar te bepalen.
De kunst van het guppykweken is om vissen te kweken die zo nauw mogelijk aan de standaards beantwoorden. Daarnaast probeert elke guppykweker zijn persoonlijke toets aan de vissen te geven, door een bepaalde kleurslag of kleurvariant te kweken. Hierdoor wordt een guppytentoonstelling die wonderbaarlijke, kleurrijke show die iedereen gegarandeerd met verbazing doet staan.
De guppytentoonstelling van Lanaken 2012
In 2010 organiseerde de Guppyclub een Europese manche voor trio’s. Hierbij worden de vissen tentoongesteld en gekeurd in groepjes van 3 mannetjes. In 2011 hadden we zelfs twee manches, eentje voor trio’s en eentje voor koppeltjes (een mannetje plus een vrouwtje). Voor 2012 heeft de Guppyclub zich voor een Europese kampioenschapmanche “koppeltjes” weten te plaatsen. Omdat we de toeschouwers steeds iets nieuws trachten te bieden, zijn we er ook in geslaagd om een 50-tal zetten uit Thailand, Singapore, Maleisië en Taiwan te strikken. Dit, zodat er niet enkel topvissen uit Europa, maar ook uit Azië te zien zullen zijn.
Maar dat niet alleen. Het is traditie dat zondagnamiddag, nà de tentoonstelling, de tentoongestelde vissen per opbod worden verkocht. Het interessante daaraan is, dat het dit jaar om koppeltjes gaat. Dit stelt de bieders in staat om direct een eigen stam in de wacht te kunnen slepen, waarmee onmiddellijk gekweekt kan worden. Dus al wie het kleurrijke tandkarpertje Poecilia reticulata genegen is, zal zich op 8 en 9 september naar de kinderboerderij in Domein Pietersheim te Lanaken moeten reppen om daar de vormen- en kleurenpracht van de guppy te kunnen bewonderen. En wie weet, slaag je er wel in om voor een schappelijk prijsje je eigen stam te bemachtigen, zodat je achteraf thuis nog van deze visjes kunt nagenieten. Meer informatie vind je ook op: www.guppyclub.be.
  BBAT-informatief 198
  VOEDSELGIDS Visluizen (2)  
Top   Cavia's (1)