Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 65 - 2012
vorige maand Volgende maand
   
THEMANUMMER "INHEEMSE VISSEN"

 

Jaargang 65 – Nr. 7-8 - Juli-Augustus 2012
 
ISSN 1372-6501

Foto: Romain Van Lysebettens
Elektrisch vissen
Leopold Dauwe - Aquarianen Gent
202
Soms leest men, in de krant of in een tijdschrift, een artikel waarin de visstand van een bepaalde regio onder de loep wordt genomen. Of het nu positief of negatief uitvalt, blijft steeds de vraag: “hoe weet men dat?”
Men komt het te weten door het uitvoeren van proefvissingen (bemonstering).
Er zijn een aantal methodes ter beschikking om die bemonsteringen uit te voeren. De keuze wordt bepaald door de structuur van de biotoop. Zo kunnen we fuiken zetten, met het sleepnet werken of elektrisch vissen.
Deze laatste mogelijkheid gebruikt men meestal in kleinere kanalen en beken. Het is deze methode die we even onder de loep nemen.
Het zal voor de lezer geen verrassing zijn dat men eerst en vooral een apparaat nodig heeft om de nodige elektriciteit op te wekken. Een dergelijke machine noemt men een generator. Deze die wij nodig hebben, levert een spanning van ongeveer 130 V gelijkspanning.
Verder gebruiken we twee elektroden. De eerste is een koperen plaat, de tweede de metalen ring van een schepnet. Beide worden door middel van een daarvoor ontworpen elektrisch snoer met de generator verbonden.
Nu zijn we klaar om het water in te gaan (gekleed in een rubberpak) en een bemonstering uit te voeren over een lengte van 100 m (gebruikelijk).
De koperen plaat blijft aan de startlijn op de bodem liggen en met het schepnet in het water waadt men door de beek. Aldus ontstaat er tussen beide een elektromagnetische flux. Vissen die in de nabijheid komen zijn even gedesoriënteerd en kunnen gemakkelijk verzameld worden. Baarzen zijn er zeer gevoelig voor en zijn compleet van de kaart gedurende een minuut of zo (heb nooit enige schade gezien). In vroegere jaren damde men het waterstuk af en werd het leeggepompt. Dat was niet enkel tijdrovend, maar bracht veel schade toe aan het milieu. Bij een wat ruimer water kan men het apparaat ook in een bootje zetten en indien er zich veel obstakels in het water bevinden, beschikken we over een draagbare versie.
 

Foto: Guido Lurquin
Rhodeus sericeus amarus, de bittervoorn
Guido Lurquin - De Siervis Leuven
207
De bittervoorn is een zeer interessant, levendig en vreedzaam visje dat van gezelschap houdt. Voor kleine vijvertjes en amfibieënpoelen is het een geschikte bewoner. Het ruitvormige visje heeft als meest opvallende kenmerk een glinsterende blauwgroene streep achteraan het lichaam. De voortplanting verloopt hoogst merkwaardig.
De bittervoorn is een 6 tot 9 cm groot visje dat tot de karperachtigen behoort. Het leeft in de vrije natuur in langzaam stromende waterlopen, dode rivierarmen, meren, vijvers en moerassen. De bittervoorn leeft in de natuur in schooltjes van enkele tientallen dieren. Het visje heeft een voorkeur voor een bodem van fijn zand, bedekt met een dun laagje modder. Het vermijdt echter te dikke lagen modder, omdat deze anaerobe condities kunnen veroorzaken. De bittervoorn voedt zich voornamelijk plantaardig met fytoplankton en plantaardige detritus. Algen, onder andere draadalgen, worden van planten en stenen geschraapt. Allerlei kleine diertjes zoals watervlooien en Tubifex worden ook gegeten. Bittervoorn leeft normaal maximaal 5 jaar en bereikt zijn seksuele rijpheid na 2 - 3 jaar. Het langst levende bekend exemplaar werd verzorgd in de Artis zoo in Amsterdam. Het visje werd er 10 jaar oud. De bittervoorn ziet er ongeveer uit als een klein karpertje maar is zijdelings sterker afgevlakt en heeft geen baarddraden. De vorm is enigszins gedrongen. De bek is onderstandig. Er is een vrij grote anaalvin. De rug is grijsgroen, de zijden en buik zijn zilverglanzend. Een stralend blauwgroene streep loopt halverwege over het achterste deel van het lichaam vanaf de staart. Hieraan is het visje gemakkelijk te herkennen. De rugvin heeft een zwarte zweem, de andere vinnen zijn gelig of zacht roodachtig. In de paartijd tonen de mannetjes hun bruiloftskleed en zijn dan mooier dan veel exotische visjes. De nek en het voorste deel van de rug iriseren dan krachtig olijf- tot grasgroen. De oogiris is fel rood. De zijden schitteren in alle kleuren van de regenboog maar vooral in violet en staalblauw. Keel en buik kleuren oranjerood. De glanzende strepen op de flanken worden smaragdgroen. De rugvin en de anaalvin worden aardbeirood met een zwarte zoom. De staartvin is groenig aan de aanzet en waaiert geel uit. Rond de lippen en ogen is een korrelige, witte paaiuitslag te zien.
 

Foto: Guido Lurquin
Gasterosteus aculeatus, het driedoornig stekelbaarsje
Guido Lurquin - De Siervis Leuven
212
In het in 1935 uitgegeven "Handboek voor Aquarium- en Terrariumkunde" van H.J. Kuijper en H. v.d. Noort worden stekelbaarsjes beschreven als “de minst lastig te verzorgen inheemse aquariumvisjes”.
Heel waarschijnlijk hebben wij in onze jeugd stekelbaarsjes gevangen en was dat de eerste kennismaking met levende vissen, de basis voor onze hobby: aquarium of vijver. Moeilijk was dat niet, ze verschalken. Een primitief schepnet, een emmer, een blikje, een worm aan een garendraad… Ze lieten zich gemakkelijk strikken in het ondiepe water van beekjes en grachtjes. Een haak hadden we helemaal niet nodig. Schrokkerig als ze zijn, hapten ze zelfs naar een halve rode lucifer aan een garendraadje.
Driedoornig stekelbaarsje is een erg verspreid visje, dat voorkomt in de gematigde en subarctische delen van het noordelijk halfrond. We treffen het aan in zoet , brak  en zout water van allerlei samenstelling. Overal waar het voorkomt is het stekelbaarsje zeer veelvuldig aanwezig, zodat het zelfs andere soorten vissen verdringt.
Het lichaam van driedoornige stekelbaarsjes is spoelvormig, een weinig zijdelings samengedrukt. Ze zijn zeer gestrekt door hun lange, smalle staart. De lengte is drie à vier maal de lichaamsbreedte. Met een lengte van 5 tot 9 cm blijven het kleine visjes. Zowel hun grootte, vorm van de staartwortel als hun bepantsering kan sterk variëren naargelang de plaats van herkomst. In meren op de Queen Charlotte Eilanden (bij Brits Colombia) leven donker gekleurde vormen die 20 cm lang kunnen worden.
De kop is kegelvormig met een spitse snuit. De muil is smal met een licht vooruitstekende onderkaak. De naam “driedoornige” stekelbaars is te danken aan de drie vrije stralen (soms echter 2, 4 of 5), geplaatst voor de rugvin. De erg kleine rugvin heeft rechte boorden en telt 10-12 vinstralen. De buikvinnen zijn stevige, gebogen doornen. De aarsvin telt 9 vinstralen en wordt voorafgegaan door een kleine doorn. De borstvinnen hebben 10 stralen en de waaiervormige staartvin telt er 12.
Stekelbaarsjes zijn eigenlijk onopvallend gekleurd. De rug is bruingroen tot grauwgroen, soms blauwig zwart. De flanken van het visje zijn zilverglanzend en de vinnetjes geelachtig doorzichtig, met een wisselend aantal donkergroene dwarsstrepen. Zowel keel al borst zijn rozerood. De oogiris heeft een zilver- tot lichte goudglans. Het driedoornige stekelbaarsje heeft geen gewone schubben. Op de flanken bevinden zich in rijen geordende korte, hoge schubplaten. Deze schilden verschillen van vis tot vis. Zoetwatervormen hebben meestal minder benige schubben dan die van brak of zout water. In bepaalde streken worden er zelfs exemplaren aangetroffen zonder schubplaten. In Canada leven dan weer populaties die geen borstvinnen hebben.
Men kan aan de beenplaten op de flanken het levensmilieu aflezen van de stekelbaars. De forma trachurus heeft over het gehele lichaam beenplaten en kan tot 11 cm lang worden. Hij paait in zee en groeit daar ook op. De forma semiarmatus heeft uitsluitend beenplaten aan de voorzijde van het lichaam. Dit is de anadrome* vorm. Hij wordt maximaal 9 cm lang. De forma leiurus heeft slechts enkele beenplaten. Deze vorm blijft altijd in zoet water en wordt maximaal 8 cm lang. In de paaitijd trekken de mannetjes een schitterend bruiloftskleed aan. Hun rug kleurt lichtgroen, vaak met een blauwe glans. Zowel keel, borst als buik tot in het midden van het lichaam kleuren mooi hevig rood. Naar de rug toe gaat rood over in oranje. De oogiris wordt hemelsblauw. De heldere kleuren van het mannetje dienen zowel om de nestplaats aan het vrouwtje bekend te maken, als om andere mannetjes te waarschuwen uit de buurt te blijven. Naar het eind van de broedzorg toe worden de kleuren steeds donkerder. De rug wordt dan donkerblauw tot zwart en deze kleur gaat zelfs over op de zijden.
 

Foto: Guido Lurquin
Squalius cephalus, de kopvoorn
Guido Lurquin - De Siervis Leuven
218
De kopvoorn ontleent zijn naam aan zijn grote brede kop met brede eindstandige bek en een stompe snuit. Het is een vis die wel eens wordt verward met blankvoorn, rietvoorn of winde. Toch is hij niet moeilijk van deze soorten te onderscheiden.
De kopvoorn heeft een cilindrische vorm en een ronde aarsvin die aan de achterzijde "bol" is (bij vrijwel alle andere vissen is deze hol). Het forse, gestrekte lichaam is in doorsnede bijna rond. De gemiddelde lengte ligt meestal tussen 30 en 40 cm, maar ze kunnen groter worden. De mondspleet is diep en reikt bijna tot de ogen. De kleur van de ogen is geelachtig. De zijlijn telt 44 à 46 schubben. Onder de zijlijn liggen 3 à 4 rijen schubben. De schubben zijn groot en hebben een donkere rand. De rug van de vis is grijsbruin tot olijfbruin. De flanken zijn lichtbruin of geel-goudachtig. De buik is wit. De buikvinnen en de bolronde aarsvin zijn roodachtig.
Kopvoorns behoren bij de algemeenste vissoorten in Midden-Europa. Ze zijn vrij zeldzaam in Nederland en komen redelijk frequent voor in België. Vanwege zijn schuwe karakter wordt de vis minder gevangen door vissers. De kopvoorn is een stroomminnende vissoort die de voorkeur heeft aan beken of rivieren met een structuurrijke bedding. Ze zijn overal te vinden waar het water een beetje stroomt en waar grindbedden te vinden zijn om eieren in af te zetten.
De kopvoorn is na ongeveer 3 (mannetjes) tot 4 à 5 jaar geslachtsrijp. In de paaitijd, die loopt van april tot juni, vertonen de mannetjes een fijnkorrelige uitslag. Ze paaien in scholen in ondiep water (10  tot 1 meter) met een rots-, grind-, of grove zandbodem. De eieren blijven kleven aan het substraat. De eieren worden afgezet op stenen en waterplanten. Een vrouwtje kan tot 200.000 eitjes afzetten. De jonge visjes leven in scholen in open water. Ze voeden zich met plankton en insecten.
Het voedsel van de kopvoorn bestaat uit insectenlarven, kreeftachtigen en slakken. Jonge kopvoorns eten voornamelijk algen, watervlooien en waterplanten. Volwassen kopvoorns eten bijna alles: insecten, vruchten en soms, vooral in de winter, vis. Grotere kopvoorns zijn meer eenzaten en staan graag langs de oever, onder overhangende struiken of bomen. Ze wachten daar op insecten en andere dieren die in het water vallen. Ze eten zelfs kikkers, kreeften en soms kleine spitsmuizen en vogeltjes.
De maximale leeftijd ligt rond de 20 jaar of iets meer. Vissen van meer dan 65 cm zijn zeldzaam.
Daar volwassen kopvoorns bijna alles eten, kunnen hengelaars vele soorten aas gebruiken: maïs, brood, maden en lunchworst. Men verschalkt ze zelfs met fruit zoals bessen en kersen. Kopvoorn is ook in de winter een nog goed te vangen vissoort, maar het blijft wel een uitdaging. Izaak Walton, die in de zeventiende eeuw leefde, wist waarover hij schreef toen hij stelde dat de kopvoorn “de bangste” van alle vissen is. Wat schaduw, een rollend steentje, een plons ... en weg is de kopvoorn. Hij is daardoor de ultieme uitdager voor de hengelaar.

Foto: Guido Lurquin
De snoekbaars en zijn toekomst
Marc De Coninck - Aquarianen Gent
222
Bij het lezen van oude aquariumboeken kom je al eens voor verrassingen te staan. Zo blijkt dat in de tijd toen een tropisch aquarium nog niet zo evident was, er geregeld kleine snoekbaarzen in het aquarium werden gehouden. Nu is de reputatie van deze vis er niet naar om hem zomaar in eender welk gezelschap onder te brengen. De ene heeft het over een speciaalaquarium voor baarsachtigen, snoekbaars in gezelschap van rivierbaars en pos. Een andere stelt als voorwaarde dat de andere vissen in het aquarium minstens even groot als de snoekbaars moeten zijn. In nog een ander boek wordt 10 cm als maximale lengte beschouwd om ze in het huiskameraquarium te houden, eens hij groter wordt, zou hij veeleer een ”moeilijke gast” zijn. Als je weet dat de snoekbaars bij een grootte van 7 tot 10 cm overgaat van insecten en zoetwatergarnalen naar prooivisjes, is dit misschien geen toeval.
Sander lucioperca (tot voor kort Stizostedion lucioperca) is oorspronkelijk afkomstig uit Midden- en Oost-Europa tot in Azië en werd ten behoeve van de visvangst eind 19de eeuw in West-Europa uitgezet. De eerste vermelding in Vlaanderen dateert van 1890, de snoekbaars is dus eigenlijk een exoot, als je na 122 jaar nog van een exoot kan spreken tenminste. Nu is de introductie van een vreemde roofvis nooit zonder risico’s, maar bij de snoekbaars hebben we in onze contreien wel even geluk gehad. Het water is hier net dat ietsje te koud om van een vlotte kweek te spreken. Bij een koude temperatuur van het water groeien hun larven minder snel en worden ze niet snel groot genoeg om over te schakelen op hun prooivisjes. Tijdens zulke jaren overleven de meeste jonge snoekbaarsjes hun eerste winter niet. In Turkije, waar hij in een aantal grote meren werd uitgezet, ging hij zodanig overheersen dat hij verantwoordelijk wordt geacht voor het uitsterven van een drietal barbelen uit het genus Phoxinellus.
Verder is het best een interessante vis om het er eens over te hebben. Het eerste wat opvalt, zijn de grote, glazige ogen. Hij beschikt over een reflecterend netvlies waardoor hij beter in het schemerlicht kan zien dan zijn prooien. Ook zijn zijlijnorgaan is zeer goed ontwikkeld. Zo kan hij zelfs in volledige duisternis bewegingen in het water rondom zich waarnemen. De snoekbaars houdt zich dan ook bij voorkeur op in ietwat troebel, diep en open water. In de lage landen vind je hem dan niet enkel in langzaam stromende kanalen en rivieren, maar ook meren, polderwaters en grote vijvers genieten zijn voorkeur.
Toen in de jaren zestig en zeventig door de meer intensieve landbouwmethoden ons oppervlaktewater steeds fosfaatrijker – en dus ook meer troebel – werd, kon hij veld winnen op onze inheemse snoek, voor wie dit soort water heel wat minder geschikt is. Laat het wel duidelijk zijn dat, hoewel hij vaak in troebel water vertoeft, hij toch een zekere zuurstofbehoefte heeft. In waters die voor beide geschikt zijn, zal de snoek echter vaak de bovenhand nemen. De snoek heeft de snoekbaars trouwens op zijn menu staan. Bij de snoekbaars, die zich in hoofdzaak voedt met kleine visjes, is het omgekeerde veel minder het geval.
Wat hem voor mij als aquariumliefhebber ook doet opvallen is zijn broedgedrag, waarbij het mannetje de hoofdrol speelt. Ergens in april-mei, als het water al een temperatuur van ongeveer 12 °C heeft bereikt, zal het mannetje op een geselecteerde plaats met zijn staart alle slib en vuil wegslaan, eventueel een kuiltje graven tot er plantenwortels of stenen vrij komen te liggen. In dat nest worden dan de kleverige eitjes afgezet. Zowat alle bronnen spreken van 150.000 tot 200.000 per kg lichaamsgewicht van het vrouwtje, dat de eitjes klein zijn hoeft wel niet worden gezegd. Vervolgens bewaakt en bewaaiert het mannetje dit nest tot de eitjes na ongeveer een week zijn uitgekomen. Om de larfjes bekommert hij zich echter niet, deze zijn op zichzelf aangewezen. Ook zijn manier van jagen is het observeren waard. Hij is immers een echte jager, die zijn prooi in etappes achtervolgt, de prooi wordt dan in tegenstelling tot de meeste andere roofvissen met de staart eerst naar binnen gewerkt.

Foto: Guido Lurquin
Tinca tinca, de zeelt of louw
Guido Lurquin - De Siervis Leuven
226
De zeelt is een nacht actieve vis, die leeft op de bodem en er zoekt naar ongewervelden, vooral mosseltjes, slakken, kreeftachtigen en insectenlarven. Zeelt eet ook zachte en rottende plantendelen en detritus.
De zeelt komt in bijna heel Europa voor, met uitzondering van de meest noordelijke gebieden en dat in allerlei types water, van brak water tot in de forellenzone en tot op ongeveer 1600 m hoogte. Hij heeft een voorkeur voor mineraalrijke en vegetatierijke meren en traag stromende rivieren. Zeelten zijn trage zwemmers, die graag stilstaand of zwak stromend water bewonen met dichte bestanden krabbenscheer, waterranonkel, fonteinkruid en hoornblad. Als de bodem dan nog wat zanderig of modderig is en er zijn voldoende slakken en mosseltjes, dan is de louw echt in zijn sas. Wanneer de avond valt, zwemt zeelt van plant tot plant, zoekend naar watervlooien, kreeftachtigen, slakkeneieren en half vergane plantenresten. De zeelt kan goed overweg met lage zuurstofgehaltes indien deze geleidelijk ontstaan. Het dier kan overschakelen op zuurstofloze verbranding en kan in een soort rusttoestand komen. Daarnaast kan de zeelt door zijn huid zuurstof opnemen en lucht happen aan het oppervlak. De zeelt is een taaie vis, niet erg gevoelig voor verontreinigingen van het water.
De zeelt werd origineel door Linnaeus beschreven als Cyprinus tinca en heeft een gedrongen, op doorsnede ovaal lichaam met diepliggende kleine schubben. De zijlijn telt 95-120 schubben. De vissen hebben een dikke huid, rijk aan slijmcellen. De kleur is wisselend, volgens woonplaats. Rug en zijden zijn donker tot fel- olijfgroen of bronsgroen, soms met een gouden of blauwe glans. De buikzijde is veeleer oranjeroodachtig tot geelwit. De dikke vinnen zijn donkergrijs van kleur. De muil is eindstandig met een kleine opening. De zeelt wordt 20 à 40 cm lang met een maximum van 65 cm. De mannetjes worden groter dan de vrouwtjes. Het Britse hengelrecord is 4,110 kg maar dat is echt uitzonderlijk want een gewicht van 2 kg is al veel. Met een levensverwachting tot 30 jaar behoort Tinca tinca tot de langlevende vissoorten.
Net als de meeste andere bodemvissen heeft de louw woeldraden aan zijn muil. Er is slechts één paar tastdraden en ze zijn kort. De vinnen van de zeelt zijn erg afgerond, waardoor hij te onderscheiden is van de overige karperachtigen. De staartvin is in het midden nauwelijks ingesneden. De oogpupillen zijn goudgeel omrand. Bij het mannetje is de tweede straal van de buikvinnen opvallend verlengd en verdikt.
Zeelten leven meestal alleen, maar verzamelen zich om te paaien. De voortplanting gebeurt in mei-juni. De vissen paaien tussen waterplanten in ondiep water. De vrouwtjes zetten hun kleverige eitjes af op de dichte onderwatervegetatie. Een vrouwtje legt 280000-827000 eitjes. Na 3-5 dagen komen de eieren uit. Zowel eitjes als broed zijn klein. Als de larven gaan foerageren, blijven ze tussen de planten. Juveniele zeelten hebben een zwarte stip bij de staartwortel, net als juveniele kroeskarpers. Zeelten zijn volwassen na 3 à 4 jaar en leeft 10 jaar. De zeelt wordt overwegend gekweekt om dienst te doen als sportvis. Tinca tinca wordt bijgezet in karpervijvers en groeit veel langzamer dan karpers. Het is een erg gewaardeerde sportvis die met allerlei aas aan allerlei haken gevangen wordt. Het vlees is zacht en smakelijk maar bevat veel graten. Vroeger werd de louw veel meer gewaardeerd dan tegenwoordig.
  BBAT-informatief 230
  VOEDSELGIDS Cavia's (2)  
Top