Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 65 - 2012
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 65 – Nr. 9 - September 2012
 
ISSN 1372-6501

Foto: Hamed Mousavi-Sabet
Biologie van de Zuid-Kaspische kleine modderkruiper en het houden ervan in het aquarium
Hamed Mousavi-Sabet
234
De Kaspische Zee is het grootste "meer" of binnenwater in de wereld met 436.284 km². Een oppervlakte die 18% uitmaakt van de totale oppervlakte van alle meren in de wereld, een gebied ongeveer zo groot als Groot-Brittannië. Het is met 1.025 m ook een van de diepste. De noordelijke grens van Iran wordt gedeeld met de voormalige Sovjet-Unie [Armenië (35 km lang) en Azerbeidzjan (611 km) in het westen tegenover het Iraanse Azerbeidzjan, en Turkmenistan (992 km) in het oosten tegenover Mazandaran, Golestan en Khorasan] en omvat het zuidelijke deel van de Kaspische Zee. De Iraanse kust strekt zich uit over 740 km. De belangrijkste rivieren van Iran voeren het water af van de twee bergketens die voldoende sneeuw bevatten of genoeg regen verzamelen, om een ​​constante en aanzienlijke stroming te garanderen. Alle rivieren in Iran zijn te voet doorwaadbaar, als ze niet overstromen in het voorjaar. Dit met uitzondering van de Aras en Sefid van het Kaspische bekken, de Hirmand van Sistan en de grote rivieren van Khuzestan. Het land is verdeeld in 19 grote bekkens, waarvan dit van de Kaspische Zee het belangrijkste is, omdat – binnen de Iraanse territoriale wateren – hier zowel de rivieren naar deze zee afvoeren als de zee zelf. Het landgedeelte van dit bekken strekt zich uit van de Turkse grens tot bijna aan de Afghaanse grens en verkrijgt slechts een zekere breedte waar de Sefid en haar zijrivieren het Alborz-gebergte binnendringen in het westen. Dit betekent 256.000 km², 15,5% van het hele land. Tot op heden zijn ongeveer 80 soorten van 53 genera en 18 families van vissen gevonden in dit bassin. De steuren zijn daarvan de belangrijkste.
De familie der modderkruipers (Cobitidae), ook wel stekel-modderkruipers, omvat in Eurazië en Marokko ongeveer 26 genera met ongeveer 177 soorten. Daarvan leven 2 soorten in Iran. Hun lichaam is spoelvormig tot rond of langwerpig. De mond is onderstandig en heeft 3 tot 6 paar tastdraden. Ze hebben een oprichtbare stekel in een groef onder elk oog. De structuur van de lippen, de plaats van de vinnen ten opzichte van elkaar en de secundaire geslachtskenmerken bij de mannen, zijn belangrijke elementen om de soorten te onderscheiden. Mannetjes hebben 1 of 2 parallelle reflecties op het dorsale oppervlak (aanzet) van de voorste borstvinstralen, bekend als de laminae circularis of Canestrini's schubben. Een onevenwichtige populatie met meer vrouwen dan mannen is meestal het bewijs dat hybridogenetische (vrouwtjes kweken ook met ondersoorten) lijnen aanwezig zijn. De maximale grootte is ongeveer 40 cm, maar de meeste zijn veel kleiner. Sommige leden van deze familie kunnen leven in zuurstofarm water. Ze nemen zuurstof op aan de oppervlakte en sturen dit door de darmen waar het slijmvlies de zuurstof opneemt. De kooldioxide wordt daarbij als afvalstof via de anaalopening uitgestoten. Door dit alles zijn zij zeer gevoelig voor luchtdrukveranderingen en worden onrustig als deze daalt. Ze kunnen daardoor anderzijds worden gebruikt om het weer te voorspellen!
Ze bewegen door golvingen van het lichaam, vooral bij de meer langwerpige soorten. Deze manier van bewegen is een gevolg van een vermindering van de vingrootte en -variatie. Bij de voortplanting moet het mannetje het vrouwtje achterna zitten, haar zo de vegetatie indrijven en rond haar draaien als de eieren vrijkomen om deze te bevruchten. De eieren zwellen meteen tot ongeveer 3,5 mm diameter, waardoor ze tussen de vegetatie vastgehouden worden, daar ze niet kleven.
Een aantal soorten is populair als aquariumvis, waaronder bv. Pangio kuhlii. Deze modderkruiper graaft zich vaak in de modder in om te overwinteren of om aan roofdieren te ontsnappen. De stekel onder het oog is, eens opgericht, een anti-roofdier-apparaat dat het doorslikken door andere vissen of vogels belet. Het verhaal gaat dat de vis dan hevig met de kop heen en weer slingert om predators te prikken.
De Cobitidae zijn in Iran vertegenwoordigd door Cobitis linea en een andere soort uit het zuiden van het Kaspische Zee bekken, welke niet nog duidelijk geïdentificeerd werd. Sommige onderzoekers rapporteerden deze vis als Cobitis taenia Linnaeus, 1758 maar een aantal andere onderzoekers is het hiermee niet eens. Dit vanwege het feit dat Cobitis taenia veeleer een Noord-Europese soort is en het voorkomen ​​ervan in de zuidelijke Kaspische Zee zeer onwaarschijnlijk blijkt. Misschien zijn er dus nieuwe soorten van het Cobitis-genus in het bekken aanwezig. Daarom zal in dit artikel de benaming Cobitis sp. worden gebruikt voor de modderkruipers uit de zuidelijke Kaspische Zee. Ook is Cobitis linea Heckel, 1849 gevonden in het stroomgebied van de Kor en de bovenloop van de Kul, de afvoer van het Hormozga bekken.
Populaire Perzische namen zijn “mahi roftegar” (vuilnisman, reiniger of bezemvis, vermoedelijk van de gewoonte om op de bodem te leven), “loch” of “louch” in Khuzestan (vermoedelijk uit het Engels, maar louch betekent ook: een wind laten, wat  waarschijnlijk op de uitstoot van CO2 via de anaalopening duidt), “gel khorak” in Khuzestan; “sagmahi-ye sangi” (steenmodderkruiper), “sagmahi-ye juibari” of “sagmahi-e-jooibari”, “mar mahi” (= slang vis).
 

Foto: Wilfried Van der Elst
Neolamprologus marunguensis, de "dikke" prinses
Wilfried Van der Elst - Kardinaal Kapellen
242
Ik ben altijd al een liefhebber geweest van die Tanganyika-soorten die thuishoren in het “Brichardi-complex”. Eigenlijk is complex het juiste woord voor deze groep. Ze zijn niet altijd even gemakkelijk uit elkaar te houden, maar juicht en jubelt want degene, waar ik het hier over heb, herken je onmiddellijk. Deze valt echt op in dat groepje superelegante vissen. Ik heb ooit eens in een Asterix strip gezien dat Obelix werd uitgescholden voor Crassus en dit had te maken met de slechte aerodynamische vormgeving van de stripfiguur. Voor degenen die geen strips gelezen hebben in hun kindertijd, het wil gewoon zeggen: dikke. Laat deze naam nu net lang synoniem geweest zijn voor deze N. marunguensis. Inderdaad, deze prinses is wat aan de zware kant en een pak hoger gebouwd dan de andere soorten. Toch is ze nog altijd een sierlijke verschijning.
In een gezelschaps Tanganyika-aquarium zal ze zeker haar plaatsje opeisen en bijna altijd te zien zijn.
Zoals vermeld, is deze vis hoger gebouwd maar dat valt niet het meeste op. Wat voor mij het meeste opvalt, zijn de prachtige, soms echt blauw gekleurde filamenten. Voor de rest moet deze soort het stellen zonder enige tekening op de kieuwen, wat toch vrij uitzonderlijk is voor de groep prinsessen. De tekening, vooral de zwarte strepen of bogen, is een belangrijke sleutel bij de determinatie van de verschillende prinsessen. Het oog is tevens fel blauwgroen oplichtend. Volgens mijn mening houd je ze het best onder een zwakke belichting, uitsluitend “Aquastar” of “Aquarelle” volstaat. Zo gaan de brede filamenten nog eens extra in de verf worden gezet.
Zoals eerder al aangehaald, is er lange tijd wat verwarring geweest over de naam. Zo kon je in het jaarboek 1993 van Ad Konings deze vis zien staan onder Neolamprologus crassus tot Jos Snoecks – van het Museum van Midden-Afrika – heel duidelijk stelde dat N. crassus toch heel duidelijk een andere vis is. N. crassus heeft bijvoorbeeld een zwarte vlek op het operculum (die gladde plek boven aan de kieuw), is minder hoog en breed en heeft een langere onderkaak dan N. marunguensis. In het Tanganyikaboek van Ad is op bladzijde 79 dit “foutje” ook rechtgezet. De echte N. crassus lijkt eigenlijk nog het meest op Neolamprologus brichardi en zelfs in de wetenschap zijn de verschillen petieterig. Ik ben ook al in de gelegenheid geweest om het holotype te zien en te fotograferen en inderdaad, het is een totaal andere vis dan degene waar ik het hier over wil hebben. Ik begrijp zelfs niet goed hoe die vergissing is kunnen gebeuren. Genoeg over het wetenschappelijk gedeelte, terug naar de praktijk. Ben je geïnteresseerd in dit visje, koop er dan minstens vijf. Het is al tot treurens toe gezegd, maar op beurzen en in handelszaken zie ik nog steeds mensen die een “stelletje” aanschaffen. Vooral met Neolamprologus marunguensis moet je al heel veel geluk hebben opdat dit gaat werken. Deze dikkerds moeten echt elkaar wat kunnen ontdekken, anders vormt zich geen stel. Een stel heeft zelfs geregeld onenigheid, een waterverversing kan al voor ruzie zorgen. Dit heb ik zelf al een paar maal meegemaakt, zelfs met afgemaakte vissen tot gevolg.
 

Foto: BBAT-archief
Cambarellus shufeldtii
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor-Rupel-Vaartland
246
U kon onlangs lezen over Cambarellus montezumae montezumae, de Mexicaanse dwergkreeft. Cambarellus shufeldtii is daar met zijn 2,5 tot 3 cm nog eens de mini vorm van en dus echt wel ontzettend klein. Het valt bovendien niet mee om ze aan te schaffen. Voor deze Cajun-dwergkreeft of Louisiana-dwergkreeft is het daardoor vooral uitkijken op de grotere aquarium- en terrariumbeurzen.
Hun habitat bevindt zich in Midden-Amerika, in het stroomgebied van de Mississippi, Missouri, Louisiana, Alabama en omstreken. Ze leven er in dichtbegroeide overstromingspoeltjes en als deze poeltjes opdrogen, zitten ze ingegraven in de modder. In het aquarium is een fijnkorrelige zandbodem daardoor te verkiezen boven een grovere.
Als de kreeftjes nog jong zijn, zijn de geslachten zeer moeilijk uit elkaar te herkennen. Jonge dieren gelijken erg op elkaar terwijl bij oudere dieren de vrouwtjes iets groter en donkerder gekleurd zijn dan de mannetjes. Dan praten we wel over volwassen dieren, een jong vrouwtje gelijkt namelijk ook op een man. Hun kleur is uiteenlopend van roodbruin tot grijs (vrouwtjes soms ook blauwig), soms met enkele donkere lengtestrepen. Je kunt het onderscheid ook maken aan de vorm van het dekschild. Bij de vrouwtjes zijn de dekschilden langer (ze lopen bij de zwempoten meer door) om de eieren te beschermen. De mannetjes zijn wat slanker en hebben iets langere poten waar de grotere scharen aan vast zitten en hebben gonopoden in plaats van de eerste 2 paar zwempoten. Een gonopode is een uit de poten omgevormd spermakanaal bij mannelijke exemplaren, dat je herkent aan de V-vorm. Dat deze mini-mini-kreeftjes geen gevaar vormen voor je medebewoners hoeft geen betoog. Andersom kan dit nu echter wel een probleem zijn, omdat grotere vissen ze als prooidier kunnen beschouwen. Ze worden dan bejaagd tot hun dood. Wat deze kreeftjes wel durven te nemen, zijn pas uitgekomen appelslakjes die zich in hun buurt begeven.
 

Foto: Freddy Haerens
Bombina orientalis, de Chinese of Koriaanse vuurbuikpad
Ruda Rybnicfan - Aquatom vzw
250
De familie Bombinatoridae is met zijn twee genera, Bombina en Barbourula, veeleer aan de kleine kant. De vertegenwoordigers zijn vrij gemakkelijk te onderscheiden. Bombina species bezitten een helder rood of geel gevlekte buik evenals zwemvliezen aan de achterpoten.
Populaties uit Siberië vertonen dikwijls een bruine rug. Barbourula’s zijn veel minder kleurrijk en hun zwemvliezen bevinden zich aan de voorpoten.
Dat de vertegenwoordigers van beide genera vrij gemakkelijk van elkaar te onderscheiden zijn, is mooi maar in Bombina zelf is het geen lachertje. De verschillende soorten bewonen elkaar overlappende of aangrenzende gebieden en daar in de paartijd de mannetjes alles wat beweegt aangrijpen, ontstaan er heel wat bastaarden met verschillend pluimage. Voeg daarbij nog even dat de in de jeugd opgenomen hoeveelheid caroteen zowel de aanwezigheid van de rode kleur als de intensiviteit ervan bepaalt. Over het hele lichaam verspreid, vinden we zwarte vlekken, aan de buikzijde versmelten deze tot een netvormig patroon. De vinger- en teentoppen zijn oranjerood. De huid van de buik is glad, maar de rest van de huid is bedekt met wratten. De oogpupil driehoekig tot hartvormig. Bij wildvang is de buik meestal feller van kleur dan bij nakweek. In Rusland komt een onvolledige melanistische of gouden variant voor met een goudbruine rug en een dieprode buik. Er bestaan ook albino’s.
Bombina orientalis komt voor in Siberië, Noord- en Zuid-Korea en in het noorden van China. Ze verblijven er vooral in de rijstvelden, poelen, ook tijdelijke, en kleine traagstromende beken of stroompjes waar ze meestal in groep leven. Ze zijn vooral dagactief. Volwassenen brengen het grootste deel van de tijd gedeeltelijk ondergedompeld door. De jongeren besteden veel tijd aan jagen op het nabijgelegen landgedeelte.
De vrouwtjes zijn, met hun 60 mm, nog groter dan de mannetjes. Deze laatste onderscheiden zich dan weer met het kwaken en de paringskussentjes op de binnenzijde van de duim tijdens de paringsperiode. Om aan te tonen dat ze klaar zijn voor het grote werk laten ze zachtjes een “hoew-hoew” horen. De kreetjes worden, in tegenstelling tot andere dieren, geslaakt tijdens het inademen en niet bij het uitademen.
Ook de armen of voorpoten zijn sterker ontwikkeld, teneinde de vrouwtjes beter te kunnen omvatten tijdens de amplexus. Tijdens deze omstrengeling kan ook het vrouwtje geluid produceren als ze niet gediend is met de mannelijke avances. Dit is zeker het geval wanneer er nog geen ovulatie heeft plaats gehad.
Als onderkomen zorgen we voor een riparium dat er best als volgt uitziet. Het watergedeelte moet minstens een derde van de oppervlakte beslaan en hoogstens 15 cm diep zijn en moet stenen bevatten waarop de padjes half overspoeld kunnen rusten. Ondanks het feit dat ze aan de waterkwaliteit geen speciale eisen stellen, moeten we een klein filter plaatsen omdat zuiver water een absolute must is. De filter kan weggelaten worden indien men geregeld het water ververst. Waterverversing vermindert ook sterk de concentratie van het gif in het water. Om de maand moet wel alle vloeistof ververst worden. Beide zijn natuurlijk ook simultaan te gebruiken.

Foto: Eddy Vlyminckx
Amblyeleotris aurora, de oranje gestreepte gobie
Eddy Vlyminckx - Gracilis Hoboken
256
Een klein jaar geleden mocht ik met een bevriend handelaar uit de buurt eens mee naar een groothandelaar in Nederland. Ik kende de eigenaar van die groothandel en ik was benieuwd hoe zijn zaak er uitzag met de aangeboden soorten vissen en lagere dieren.
Na een rit van een uur konden wij de parking oprijden naar toch een van de voornaamste importeurs van West-Europa van dieren voor het zeeaquarium. Bij het binnenkomen zag ik al direct de drukke bedrijvigheid die je in zo een groothandel kunt verwachten. Andere winkeliers kwamen hun bestelling afhalen, terwijl de medewerkers vissen uit de voorraadaquaria schepten en op professionele wijze in plastic zakken inpakten. De nodige piepschuimen dozen stonden klaar om volgeladen te worden met de rest van de bestelling. Het was voor mij lang geleden dat ik nog zoveel vissen van een zelfde soort bijeen zag.
Nu kon ik mijn ogen nog eens de kost geven van al dat moois dat er in de verschillende bakken zwom. Ik hoopte nog eens dieren tegen te komen waarvan het lang geleden was dat ik ze gezien had. Neem nu de gewone kokerworm (Sabellastarte magnifica). Die zag je vroeger toch geregeld en in redelijk grote hoeveelheden en afmetingen in de kleinhandelszaken. Nu moet je ze meestal bestellen of je hebt er geen. Maar mijn interesse ging uit naar vissen die ikzelf nog nooit gezien had en dat zullen er wel een aantal zijn, dacht ik. Zo viel mijn oog op twee rood-wit gestreepte vissen die in een aquariumhoekje tegen de bodem gedrukt lagen. Deze soort had ik nog nooit in de kleinhandel gezien. Ofwel kom ik te weinig in de verschillende aquariumwinkels, ofwel zijn deze dieren na een import direct verkocht. De naam van deze prachtige gobies was mij onbekend, maar een dik vissenboek van Dr. Burgess dat daar op een tafel lag bracht de oplossing: het was Amblyeleotris aurora.
Intussen was de handelaar met de eigenaar in gesprek geraakt, waarschijnlijk over hoe de zaken er voorstonden i.v.m. nieuwe importen en zakelijke beslommeringen, kortom zaken die voor mij niet direct belangrijk waren. Eens zij uitgebabbeld waren, kon ik mijn vragen afvuren over de vissen die mijn aandacht vasthielden. Zelf wist de importeur weinig over die vissen te vertellen. Zij worden weinig of zelden ingevoerd, vandaar misschien het gebrek aan kennis. Wel wist hij dat deze normaal samenleven, in een holletje op de bodem in het zand, met de garnaal Alpheus randalli. Dergelijke garnalen worden echter uiterst zelden aangeboden. Het geslachtsonderscheid is bij deze vissen ook niet te zien. Ik heb ze door mijn handelaar laten aankopen en heb ze dan van hem overgekocht, want rechtstreeks door mij aankopen ging niet. Nu, de prijs viel erg mee, daar moest ik het niet voor laten.
Intussen zijn we maanden verder en ik heb nog geen spijt gehad van mijn aankoop. Wel opletten dat deze vissen in een rustig aquarium zitten met niet al te grote en drukke vissen. Een mooie bodem met hier en daar een plaatsje, zodat hij een holletje kan bouwen waar hij bij de minste onraad in kan duiken. De twee dieren die ik heb, zitten niet samen. Soms ontmoeten ze elkaar wel en dreigen dan met opengesperde bek zonder elkaar echter aan te vallen. Naar andere vissen zijn ze zeker niet agressief. Eten doen ze als de beste. Droogvoer of allerlei diepvries gaat er bij hen vanzelf in. De muil is bij deze vissen naar verhouding van hun grote ( max. 11 cm) toch aanzienlijk.
Het leefgebied van deze gobies is, Zuid-Afrika, de Maldiven en de westelijke Indische Oceaan. Zij leven daar aan de riffen, op zanddelen tot 35 m diepte. Als je deze mooie rustige vissen toch eens tegenkomt, aarzel dan niet ze mee te nemen. Je zult er geen spijt van krijgen, ik heb het zeker niet.
  20 vragen aan... Werner Dossler 260
  BBAT-informatief 262
  VOEDSELGIDS Groenalgen  
Top   Watervlooien - bijvangst: watermijten