Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 66 - 2013
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 66 – Nr. 2 - Februari 2013
 
ISSN 1372-6501

Foto: Hamed Mousavi-Sabet
De Iraanse blinde holenvis
Hamed Mousavi-Sabet
034
Net als andere grotbewonende dieren zijn bij vissen, die in grotten leven, vaak hun ogen en lichaamskleur gedegenereerd. De evolutionaire mechanismen, die aan de basis van deze reducties liggen, zijn echter niet bekend. Er zijn 86 soorten grottenvissen die tot achttien verschillende families behoren en vele hun ogen degenereerden onafhankelijk van elkaar.
In 1819 beschreef de Franse anatoom Georges Cuvier (1769-1832) de Mexicaanse tetra Astyanax fasciatus mexicanus. Astyanax behoort tot de orde der Characiformes, die ook de piranha, de neontetra en het potloodvisje bevat. Astyanax omvat zowel ogen hebbende, oppervlakte bewonende als ogenloze grotbewonende populaties.
Grottenvissen hebben verbeterde chemo- en mechanosensorische systemen ontwikkeld. Extra smaakpapillen helpen hen in volledige duisternis sneller voedsel te vinden. Hun versterkte mechanosensorisch zijlijnsysteem helpt hen hun omgeving waar te nemen. Deze verbeterde zintuigen zouden de vissen ook hebben geholpen bij het handhaven van hun complexe paaidansen in het donker. In 1939 kwamen twee Deense biologen (Bruun & Kaiser) naar Iran met een Deense onderneming die spoorwegen aanlegde. Bij het bestuderen van de stromen in de provincie Lorestan vonden ze een grote poel. Deze ligt in de buurt van het Tange-Haft spoorwegstation in de provincie Lorestan, in het westen van Iran. Ze vonden er blinde vissen, vingen er een aantal en brachten deze naar hun land. Na vijf jaar beschreven ze de vis als de Iraanse blinde holenvis Iranocypris typhlops. Blijkbaar weigerden ze echter om de vindplaats van de vis te onthullen. Want, 22 jaar later, kwam een Engelse ichtyoloog (John Anthony Smith van de universiteit van Oxford) naar Iran om de vis te zoeken, maar hij slaagde er niet in. Hij ging naar een verkeerde plaats in de provincie Kerman, in het centrum van Iran en na drie maanden zoeken kon hij de vis niet vinden. Later begreep Smith dat de vissen in het westen van Iran leefden, dus kwam hij weer terug naar Iran. In 1976 slaagde hij erin om een ​​aantal exemplaren van een andere soort holenvis uit de grot te vangen en bracht deze naar Engeland. Na nauwkeurig ichtyologisch onderzoek, beschreef Smith de tweede blinde holenvis als Paracobitis smithi uit Perzië.

 

Foto: Arend van den Nieuwenhuizen
Gambusia affinis, de muskietenvis
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland
040
De muskietenvis (mosquitofish) Gambusia affinis en zijn soortgenoot Gambusia holbrooki, die niet langer beschouwd worden als een synoniem van elkaar, zijn twee kleine, interessante visjes die binnen de aquaristiek voor verwarring blijven zorgen omdat deze scheiding ook vandaag nauwelijks in de literatuur is verwerkt. Onderzoek op soortenniveau door Artington & Lloyd in 1989 heeft echter duidelijk gemaakt dat het hier wel degelijk twee zelfstandige soorten betreft. Toch blijft men dit onderscheid onvoldoende benadrukken in allerhande publicaties. Vraag is echter: “Is dit echt een muskietenvis en is hij geschikt voor het aquarium?”
Gambusia affinis die in Noord-Amerika overwegend westelijk voorkomt en Gambusia holbrooki, die overwegend oostelijk te vinden is, zijn bovendien twee van de meest bestudeerde soorten uit dit genus. De “schrijfselen” over hun vermeerdering op zichzelf al, kunnen verschillende kantoren vullen. Deze over hun voedselgewoonte en gedrag eveneens.
Gambusia affinis (eigenlijk beide ondersoorten, of beter zelfstandige soorten) is bovendien over de gehele wereld verspreid en uitgezet als “biologisch wapen” tegen de malariamug en zou daardoor wel eens de meest verspreide zoetwatervis ter wereld kunnen zijn. Ondanks dit alles is hij echter weinig bekend bij ons aquarianen. Gambusia affinis is in die streken dus geïntroduceerd als verdelger van muggenlarven, waaronder de gevaarlijke malariamug, om die onder controle te houden. Vandaar ook hun populaire Engelstalige naam. Onfortuinlijk genoeg bleek deze “muskietenvis” later niet zo goed te zijn in het eten van muggenlarven als men aanvankelijk dacht in de geïntroduceerde gebieden. Aan het geniale plan zat immers een “kantje”. G. affinis eet voor z’n dagelijkse voedselinname namelijk maar een klein percentage muggenlarven. Ze vertoonden in de onderzoekscentra zelfs een ongewoon hoog sterftecijfer indien ze uitsluitend met muggenlarven gevoed werden en dat is eigenlijk ook in het aquarium zo. Erger nog: men ontdekte dat ze veeleer de voorkeur gaven aan de larven van roofkevers en predators van net die muggenlarven. Eigenlijk zorgden ze er dus mee voor dat de predators van de muggenlarven eerder verdwenen, waardoor er periodes met meer muggen ontstonden.


 

Foto: Robert Van Mossevelde
Het heldengenus
Romain Van Lysebettens - Aquarianen Gent
044
De soorten van het genus Heros worden gekenmerkt door een hoog zijdelings krachtig samengedrukt lichaam met een steil voorhoofd. Ze zijn nauw verwant aan de genera Mesonauta, Pterophyllum en Uaru, maar toch het meest met het genus Symphysodon.
Ondertussen zal er al bij velen een licht zijn opgegaan dat we hier over cichliden spreken die gehuisvest zijn in Zuid-Amerika.
De typesoort die door Heckel in 1840 werd beschreven, is Heros severus. In dit artikel zullen we die verderop nader toelichten. Waarom Heckel “Heros” gebruikte, wat zoveel betekent als “krijger” of “held”,  kan ik via zijn beschrijvingen niet achterhalen.
De laatste jaren is echter een ware toevloed ontstaan aan soorten, H. efasciatus, H. notatus… en zelfs één ondersoort, namelijk Heroina isonycterina.
Op zich een enorme aanwinst, want we onderscheiden er ondertussen niet minder dan zeven, verspreid over de Rio Negro, de Orinoco, de Amazone … tot in Guyana! Toch maakt dit het voor de aquariumliefhebber niet gemakkelijker, want wie ziet nog het bos door de bomen, of is het de bomen door het bos?
Heros severus
Deze tot 25 cm groot wordende cichlide vinden we in de wateren van de bovenloop van de Rio Negro en Orinoco in Venezuela naar het noorden van Brazilië toe. We kunnen hier spreken van een “oudgediende” in onze hobby. Het is een vrij rustige cichlide die je het beste onderbrengt in een ruim aquarium zonder planten, daar deze er door hun graaf- en woelgedrag heel snel moeten aan geloven. Zorg als decor voor kienhoutwortels met wat open zwemruimtes en op de bodem grof zand, voorzien van keien in verschillende grootte.
 

Foto: BBAT-archief
Utricularia aurea
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw
048
In Azië en Australië vind je Utricularia aurea, in het Nederlands “goudblaasjeskruid”, in stilstaande waters terug. Sinds ik van een clublid enkele stekjes kreeg, vind je het ook in mijn aquarium en dat kun je toch ook enigszins als een stilstaand water beschouwen. Bovendien zwemmen er regenboogvissen in rond en dus past die Australische plant daar helemaal perfect bij.
 Utricularia aurea uit de familie van de Lentibulariaceae, is een totaal wortelloze, drijvende waterplant die tot 1,5 m lang kan uitgroeien met rizoïden tot 6 cm lang. Het genus Utricularia telt wereldwijd maar liefst 214 gedetermineerde soorten. Utricularia komt van “utriculus”, wat zak betekent (duidt op de vangblaasjes) en aurea betekent goudkleurig, wat dan weer slaat op de mooie gele bloemetjes die je ook in het aquarium, boven het wateroppervlak, ziet verschijnen. Deze plant groeit zowel in zacht als hard water, zwak zuur tot licht alkalisch en is dus duidelijk een aquatische soort, want van dit genus bestaan ook epifytische (op bomen en takken groeiend) en terrestische soorten (op de bodem groeiend).
Het is in de natuur, evenals in het aquarium, een snel groeiende, vrij drijvende plant die op zeer korte tijd het wateroppervlak kan dichtgroeien. De groene bladeren zijn met drie lobben van een verschillende lengte, afwisselend op de stengel geplaatst en zijn meermaals zeer fijn gevederd. De bladeren worden in het aquarium 3 tot 5 cm lang. Ook dit blaasjeskruid vangt micro-organismen in zijn vangblaasjes als bijkomende stikstofbron (is niet hetzelfde als energie!). Men spreekt hierbij ook wel eens van een carnivore of zelfs een insectivore plant. Charles Darwin schreef al over dit soort planten in 1875.
De vangblaasjes bevinden zich bij U. aurea zowel op de stengel als aan de bladeren, zijn kort gesteeld en 1 tot 4 mm groot met een “mondopening” aan de zijkant, al dan niet voorzien van twee korte wimpers (tastharen). Een dergelijk vangblaasje kan door te openen een soort aanzuigeffect veroorzaken waardoor micro-organismen, zeer kleine insecten en zelfs jongbroed (!) met het water in het vangblaasje gezogen worden. Dit gebeurt binnen een tijd van 10 tot 15 duizendsten van een seconde. De buit wordt daarna verteerd, een proces dat nog niet helemaal onderzocht is en waarvan men enkel de grote lijnen kent. Daarna is zo’n vangblaasje terug gereed voor de dienst.

Foto: Germain Leys
Het genus Pseudochromis
Germain Leys - Tanichthys Hasselt
052
In de systematiek van de vissen in de orde van de Perciformes (baarzen) en de onderorde Percoidae vinden we de familie van de Pseudochromidae (dwergzeebaarzen). Dalen we dan nog verder af in de systematiek dan vinden we de onderfamilie van de Pseudochrominae en het genusPseudochromis. Dit genus willen we even onder de loep nemen, want het is het meest soortenrijke van de familie. Andere genera in deze onderfamilie zijn Assiculus, Cypho, Labracinus, Ogilbyina en Pictichromis. Het genus Pseudochromis bevat ongeveer 59 geldige soorten (Gill 2004). Enkele jaren geleden is er een herverdeling geweest in de Pseudochromidae. Zo werden bijvoorbeeld sommige Pseudochromis-soorten overgebracht naar het genus Pictichromis, zoals onder andere P. diadema, P. paccagnellae en P. porphyrea en werd P. novaehollandiae ondergebracht bij het genus Ogilbyina. Hoewel ze nog vaak te koop worden aangeboden onder hun oude naam, vallen ze toch niet binnen het bestek van dit artikel.
Vissen van het genus Pseudochromis zijn door veel rifaquarianen gegeerd omdat ze klein blijven, mooi van kleur zijn en vooral omdat ze de meeste lagere dieren met rust laten, ook de garnalen. Toch hebben ook deze visjes nog enkele “tekortkomingen”. Vele soorten hebben een “rottemperament” en kunnen de hel doen losbreken tussen soortgenoten en gelijk gekleurde vissen in het anders zo vredige gezelschapsaquarium.
Het zijn veeleer klein blijvende soorten. De grootste is ongeveer 15 cm voor P. persicus maar meestal blijven ze echter tussen de 7 en de 10 cm lang, hetgeen hen uiterst geschikt maakt voor onze aquaria.
Ze komen voornamelijk voor in de Rode Zee, de Stille Oceaan of de Indische Oceaan. De grootste soortenrijkdom komt echter in het westelijk deel van de Stille Oceaan voor. Ze hebben daarenboven praktisch alle dezelfde biotoop, namelijk koraalformaties en rotspartijen op een zandige bodem.
Verschillende karakteristieken onderscheiden de dwergzeebaarzen van hun naaste verwanten. De meest opvallende is de peervormige oogpupil. Bovendien hebben ze schubben op de kop, een doorlopende rugvin met 2 à 3 stekels en 21 tot 37 zachte vinstralen en een onderbroken zijlijn.
Deze van nature schuwe vissen wagen zich nooit ver van hun schuilplaats. Het kleine formaat en de afwezigheid van anatomische verdedigingsmiddelen maken hen zeer kwetsbaar voor roofvissen allerhande. Een constant wakende levenswijze behoedt hen tegen “gegeten worden”. Vele dwergzeebaarzen vertonen “mimicry” (kleur- en gedragsnabootsing). Zo bootst de “smakelijke” Manonichthys paranox de “stekelige” zwarte dwergkeizer Centropyqe nox na. Hij bootst niet enkel het kleurpatroon na, hij zwemt ook zoals de dwergkeizer. Zo bootst ook Manonichthys splendens de zwartrug keizersvis Chaetodontoplus mesoleucus na.
Hoewel dwergzeebaarzen geen “poetsvissen” zijn, werden er toch verschillende waarnemingen gedaan van P. aldabraensis, P. cyanotaenia en P. springeri die andere vissen poetsten. Mogelijk kadert dit gedrag ook in het nabootsen van onder andere Larabicus quadrilineatus en andere poetsvissen die eveneens iriserende blauwe strepen van kop tot staart hebben. Zo zouden ze minder last hebben om als prooidier beschouwd te worden.
Alle dwergzeebaarzen zijn territoriaal en verjagen soortgenoten en alle indringers door staartslagen en uiteindelijk bekvechten (hier niet figuurlijk bedoeld). In veel gevallen kan dat territorium het hele aquarium in beslag nemen. Hierdoor kunnen ernstige lichamelijke letsels ontstaan. Dwergzeebaarzen hebben ook een lage tolerantie voor lipvissen. Dit komt waarschijnlijk door het feit dat lipvissen visseneieren eten en zeebaarsjes, die toch broedzorg uitoefenen, van nature uit genetisch geprogrammeerd zijn om broedrovers aan te vallen. Koop dus nooit een Pseudochromis zonder voldoende literatuur geraadpleegd te hebben. Uw aankoop zou wel eens een terreur in uw aquarium kunnen worden.
Het zijn “harde” vissen die minder goede aquariumcondities toch kunnen doorstaan. Zo kunnen ze overleven in aquaria die hogere nitraatwaarden bevatten en een laag zuurstofgehalte hebben. Om die reden zijn er ook weinig uitvallen bij het verschepen van de vindplaats naar de aquariumgroothandel. Opgelet indien u levend steen uit uw aquarium verwijdert, vaak zitten ze hierin verborgen zonder dat u het weet.
Ze zijn niet kieskeurig wat hun voeding betreft. Ze eten het liefst kleine kreeftachtigen zoals Mysis, Artemia, krill en copepoden (plankton) maar ook fijngesneden mosselen, inktvis en droogvoer worden gretig aangenomen. Door eenzijdige voeding kunnen ze soms wel eens van kleur vervagen, dus u kunt best een zo groot mogelijke variatie voedsel aanbieden
Soorten uit de Rode Zee verlangen een iets hoger zoutgehalte (SG. 1.030), doch kunnen gemakkelijk aan een lager zoutgehalte gewend worden mits het langzaam gedaan wordt. Het is ook raadzaam het aquarium goed af te sluiten met een net of dekruiten, daar zeebaarsjes bij verontrusting of indien ze achterna gezeten worden, wel eens uit het water springen. Zelfs het plotseling in- of uitschakelen van de aquariumverlichting of andere verlichting, kan dit gedrag veroorzaken. Het creëren van voldoende schuilplaatsen en holen is een noodzaak om “gedragsproblemen” met dwergzeebaarzen tot een minimum te beperken.
In de natuur leven ze paarsgewijs of in kleine groepjes. Als ze in kleine groepjes leven dan zwemmen ze toch niet te dicht bij elkaar en laten ze een kleine afstand tussen elkaar. Indien men in een (voldoende groot) aquarium een groepje inbrengt, zal zich een harem vormen. Het sterkste en grootste exemplaar zal een mannetje worden, en de rest zullen vrouwtjes blijven.
Toch kunnen dwergzeebaarzen best slechts als één enkel exemplaar in een huiskameraquarium verzorgd worden. Ze worden best zo klein mogelijk aangekocht, zo kunt u ze het gemakkelijkst over wennen. Wilt u toch meerdere exemplaren houden, dan moet u beslist een groepje of een paar aankopen en de dieren samen in het aquarium overbrengen. Dit gaat het best met de redelijk vreedzame Pseudochromis fridmani, indien het aquarium groot genoeg is
Een aantal Pseudochromis-soorten zijn endemisch in de Rode Zee (komen enkel daar voor). In Israël is het vangen van deze dieren streng verboden en in de omringende landen is de vangst zeer beperkt toegestaan. Gelukkig voor ons is er eind de jaren 90 een intensief onderzoeks- en ontwikkelingsproject gestart bij de onderzoekingsafdeling van de Red Sea Fish Farm Ltd. in Eilat in Israël. Hier is men er in geslaagd om P. fridmani en P. flavivertex in gevangenschap na te kweken. Dank zij deze onderzoeken werd onder andere Pseudochromis fridmani al door verschillende aquarianen gekweekt. Ondertussen werden ook andere soorten met succes in gevangenschap gekweekt. Jammer genoeg is daardoor de prijs niet spectaculair gedaald, maar worden ze toch nog sporadisch in de handel aangeboden. Indien ze niet meer in gevangenschap zouden gekweekt worden, zouden we ze waarschijnlijk helemaal niet meer kunnen aankopen
Van een aantal soorten zijn al hybriden verkrijgbaar. Zo zijn kruisingen van P. fridmani en P. sankeyi tegenwoordig geregeld in de handel verkrijgbaar, meestal lichtblauw van kleur. Uitzonderlijk komen er ook lichtviolette exemplaren met een volledig horizontale zwarte dwarsstreep voor.
Negen soorten gaan we aan een nader onderzoek onderwerpen.

Foto: Freddy Haerens
Mantis religiosa, de Europese bidsprinkhaan
Ruda Rybnicfan - Aquatom vzw.

058
Mantis is Klassiek Grieks en betekent zieneres of waarzegster. Mogelijk was Linnaeus op de hoogte van godsdienstige rituelen uit Afrika waarbij de “Mantis” een uiterst belangrijke rol vervult. Religiosa dankt ze natuurlijk aan haar houding waarbij ze aandachtig in gebed verzonken lijkt.
Deze diertjes zijn ooit per ongeluk terechtgekomen in Noord-Amerika rond 1899 via boomkwekerijproducten uit Zuid-Europa. Hun roofzuchtige eigenschappen werden weldra gewaardeerd.
We vinden deze insecten vooral in een warme en droge omgeving beplant met struiken. In Zuid-Europa komen ze lokaal algemeen voor. Noordelijk tot in de Elzas en op zeer warme plaatsen langs de Boven Rijn en in Saarland. In Zwitserland, in het zuiden, en in Oostenrijk in Tirol. Zeer zeldzaam op enkele locaties in het uiterste zuidoosten van België.
In Zuid-Europa bereiken ze een lengte van ongeveer van 8 cm wat de vouwtjes betreft, terwijl de mannetjes met hun 7 cm net iets kleiner blijven. De laatste zijn slanker en bezitten langere vleugels en voelsprieten. De mannetjes vliegen op zoek naar een vrouwtje. De vrouwtjes zijn robuuster en hun vleugels, die ze zelden gebruiken, reiken maar tot op het achterlijf. In Midden-Europa blijft de soort kleiner. De beste methode tot geslachtsonderscheid is het aantal segmenten waaruit het achterlijf bestaat. Mevrouw bezit er 6, meneer 8. Deze geslachtsbepaling is al in het vroege nimfenstadium te gebruiken.
Wat betreft hun zintuigen zijn bidsprinkhanen goed uitgerust voor de jacht, want het is uitzonderlijk dat bij insecten de grote facetogen een binoculaire visie bezitten en bovendien zijn ze in staat om hun brede kop te draaien wat hen een zichtbereik geeft van bijna 300°. De antennes worden gebruikt om geur waar te nemen. Ze bezitten ook de mogelijkheid om de echolocatie van vleermuizen, hun voornaamste predatoren, te detecteren via hun Metathoraxes. Deze orgaantjes zijn op hun thorax (borststuk) geïnstalleerd. Als verdediging tegen deze fladderaars voeren ze een spiraalvlucht uit waardoor ze ontsnappen aan hun aanvallers. Niet alleen vleermuizen, maar ook vogels maken jacht op hen.
Onder de tweeduizend soorten is de Mantis religiosa goed te onderscheiden door haar lichtgroene kleur en de tekening aan de binnenkant van de vangarmen. De meeste soorten hebben daar kleine stipjes of vlekjes, maar zij hebben hier een heel duidelijk patroon, want op dit gedeelte van de poot zitten ook gele stippeltjes. Op het middelste gedeelte (femur – het gedeelte met de grootste punten), zit een oranje baan en de punten zijn donker. Er zit een grote gele stip op dit gedeelte van de poot. Het andere gedeelte (tibia) van de poot heeft oranje puntjes.
  BBAT-informatief 064
  VOEDSELGIDS Gerbils (2)
Zoetwaterlongslakken (1)
 
Top