Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 66 - 2013
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 66 – Nr. 5 - Mei 2013
 
ISSN 1372-6501

Foto: Robert Van Mossevelde
Niets mooier dan een goed groeiend plantenaquarium!
Adam Deckers - Maroni Maaseik
130
Een prachtig ingericht aquarium met mooie plantengroepen, die zo geplaatst zijn met bladvorm- en kleurcontrasten, hoogteverschillen en dieptewerking is een streling voor het oog. Een voorwaarde is wel dat het plantenbestand gezond is. De planten moeten goed groeien, rode of oranje planten moeten ook rood of oranje zijn. Ze moeten zo goed groeien dat algen geen kans krijgen. Dit is echter gemakkelijker gezegd dan gedaan.
Er bestaat geen standaardmethode om een fraai beplant aquarium te krijgen en vooral te behouden. Ieder aquarium is anders. In twee aquaria met dezelfde pH, KH, dezelfde CO2-installatie, dezelfde verlichting zal de plantengroei verschillend zijn. In het ene aquarium doen de planten het goed, in het ander minder. Wat is de oorzaak? We zullen moeten zoeken en experimenteren. Dit is de grote uitdaging van onze prachtige hobby.
Bij het zoeken naar de oorzaak moeten we ons laten leiden door "de wet van het minimum". Geven we veel voedingsstoffen aan onze planten en weinig licht, dan is licht de limiterende factor. De planten zullen niet groeien en door het overschot aan voedingsstoffen zullen de algen het bijzonder naar hun zin hebben. Omgekeerd geven we veel licht en weinig voedingsstoffen dan zullen onze planten ook niet groeien. Bladeren worden geel, groeipunten sterven af, geremde groei, enz... Dit is het eerst zichtbaar bij snelgroeiende planten.
Het wordt nog ingewikkelder. De wet van het minimum heeft ook betrekking op de samenstelling van de voedingsstoffen die we toedienen. We moeten er zien achter te komen welke de limiterende stof is. Een methode is meten, maar we kunnen niet alles meten. Eenvoudiger is goed observeren of er gebrekverschijnselen zichtbaar zijn. Kijk eerst naar de snelgroeiende planten, deze laten het eerste zien dat er iets mis is.
Voorbeelden van tekorten:
- Stikstof: oudere bladeren worden geel en laten los.
- IJzer: de toppen van de planten groeien in een lichtere kleur tot geel toe. Dit is het eerst zichtbaar bij de nieuwe bladeren. De nerven en bladeren kleuren dan geel. De rode planten krijgen niet de kans om een dieprode kleur te tonen en worden ook groen.
- Kalium is zichtbaar bij de oudere bladeren. Er komen kleine gaatjes in de bladeren, die geleidelijk groter worden. Ook hier worden de bladeren gelig van kleur.
- Calcium: de nieuwe blaadjes worden geel tot zelfs wit en de bladeren verliezen vorm zoals verwrongen bladgroei.
- Magnesium: op de oude bladeren komen gele vlekken. Vaak lijkt de schade op die van ijzertekort. Dit komt omdat een tekort aan Mg de plant verhindert om het ijzer goed op te nemen.
- Koper: een tekort aan koper leidt tot dode en witte randen aan de nieuwe bladeren.
- Fosfor: planten laten oudere bladeren los.
- Enz…

 

Foto: Eddy Vanvoorden
Hoe guppy's kleur bekennen
Eddy Vanvoorden - Tanichthys Hasselt
136
Op een Duitse wedstrijd voor guppypaartjes werd in de loop van 2012 een Belgische zet gedeclasseerd, doordat het mannetje een wildgrijze en het vrouwtje een blonde (dus verschillende) basiskleur zouden hebben gehad. We waren daar zeer verbaasd over, omdat we er zeker van waren twee wildgrijze vissen te hebben ingepakt. Reden genoeg om te onderzoeken hoe kleurvorming bij vissen – en in het bijzonder bij guppy’s – ontstaat en hoe een grijze vis plots in een blonde kan veranderen.
Kleur is in de dierenwereld een belangrijk hulpmiddel. Kleuren worden gebruikt om te communiceren, om op te vallen, om zich te camoufleren, om angst aan te jagen of om angst te tonen. Kleuren maken deel uit van de overlevingsstrategie in de strijd om te eten of gegeten te worden. Kleur speelt ook een belangrijke rol bij de voortplanting, denk maar aan de eivlekken bij muilbroeders of aan de felle kleuren van kersenbuik- en stekelbaarsmannetjes in de paartijd.
Wat is kleur?
De waargenomen kleur is afhankelijk van de golflengte(n) van het licht dat op een voorwerp valt en welke golflengte(n) daarvan worden gereflecteerd. Het oog vangt het gereflecteerde licht op en die signalen worden naar de hersenen gestuurd om omgezet te worden tot beelden in kleur. Mensen en apen hebben in het netvlies drie soorten kegeltjes, die elk gevoelig zijn voor een verschillende kleur: rood, groen en blauw –dit heet “trichromatisch” (Wallin, 2002, p. 1).
Niet alle dieren hebben het vermogen om drie kleuren te zien. De meeste zoogdieren zijn bijvoorbeeld dichromatisch en kunnen geen rood zien – ook stieren niet, ondanks het feit dat de torero met een rode lap voor zijn neus staat te zwaaien. De meeste inktvissen en diepzeevissen zien slechts één kleur (blauw) en worden monochromatisch genoemd (Wallin, 2002, p. 1). Sommige dieren kunnen nog een vierde kleur (ultraviolet licht) waarnemen en zijn tetrachromatisch. In de vissenwereld behoren de goudvis Carassius auratus en onze guppy Poecilia reticulata tot de tetrachromaten (Wallin, 2002, p. 1). Een interessant weetje voor de guppykweker, want dit betekent dat een guppyvrouwtje de mannetjes anders waarneemt dan hij dat met zijn menselijk oog doet (Shaddock, 2005, p. 11).


 

Foto: Gilbert Maebe
Plan B (slot)
Gilbert Maebe - De Minor Rupel-Vaartland vzw
142
Wat vooraf ging...
Eens te meer en dit voor de 11de maal stond een Australië reis op het programma voor 2011, meer bepaald heel de maand oktober. Navraag echter naar de stand van zaken i.v.m. de permit, leverde telkens geen antwoord op.
Op de dag van vertrek, op 30 september, was er nog steeds geen antwoord, dus ... geen permit. Dan maar overgeschakeld op plan B waarin we de mogelijkheid hadden voorzien dat er geen toelating zou zijn om in Arnhem Land vissen te vangen.

Donderdag 13 oktober.
Een kletterend onweer met een fl ink pak regen er bovenop maakt ons wakker. We zetten koers naar de Mary River die de grens vormt met het Kakadu National Park. Een ernstige waarschuwing voor een onlangs waargenomen grote krokodil noopt tot voorzichtigheid. Onder de brug is het water helder en ondiep en waag ik het erop om te proberen wat visjes te vangen. Franz-Peter houdt alles van op de brug scherp in de gaten om me te waarschuwen bij eventueel gevaar. Slechts een 6-tal jonge visjes van 2 à 3 cm groot laten zich vangen.
Ik weet echter hoe mooi de hier vertoevende soorten zijn. Een 2de stop bij de Bower Bird ck. levert niets op. Dan maar proberen in de Evelyn ck. Melanotaenia exquisita en M. splendida inornata beleven even een angstig avontuur als ze via mijn net uit het water worden getild. Even later krijgen ze weer de vrijheid. In de wat verder gelegen Big Nellie ck. hebben we opnieuw prijs met dezelfde soorten als in de Evelyn ck. Hier slagen we er in om wat grotere exemplaren te vangen, wat betere resultaten oplevert bij het fotograferen. Om wat af te koelen sturen we de wagens nog naar het Umbrawarra Gorge National Park. Hier is het aangenaam
vertoeven in veilig water midden honderden regenbogen. In een smal kanaaltje lukt het ons met mijn hoedje enkele exemplaren te vangen. Allemaal Melanotaenia exquisita.
 

Foto: Germain Leys
Sabellastarte indica - Indische kokerworm
Germain Leys - Tanichthys Hasselt
149

Sabellidae (of waaierwormen) vormt binnen de stam van de ringwormen (Annelida) een familie uit de suborde der Sabellida van de klasse van de borstelwormen (Polychaeta).
De tentakels van deze kokerbewoners waaieren door het water, waardoor voedsel wordt uitgefilterd en zuurstof kan worden opgenomen. Het lichaam van de worm bestaat uit een kop, een cilindervormig, gesegmenteerd lichaam dat is verdeeld in een borstdeel en een achterlijf. De kop bestaat uit een prostomium (gedeelte voor de mondopening) en een peristomium (gedeelte rond de mond) en draagt gepaarde aanhangsels (palpen, antennes en cirri). De soorten waarvan de koker uit kalk bestaat, hebben een soort stop waarmee zij de koker kunnen afsluiten als de tentakels zijn ingetrokken.

De familie Sabellidae omvat een vijftigtal genera, onderverdeeld in drie onderfamilies en enkele “incertaesedis” (onzekere classificatie).
Enkele soorten zijn:
Bispira volutacornis (Montagu, 1804);
Fabricia sabella (Ehrenberg, 1836);
Myxicola infundibulum (Renier, 1804);
Sabella pavonina (pauwkokerworm) Savigny, 1820;
Sabellastarte indica (Indische kokerworm) (Savigny, 1822);
Sabellastarte magnifica (Shaw, 1800);
Sabellastarte sanctijosephi (Gravier, 1906);
Spirographis spallanzani Viviani, 1805.

Hun leefgebied situeert zich in de Indische Oceaan. De koker is 10 tot 20 cm lang en heeft een doormeter van 1 tot 2 cm. De tentakelkroon heeft een doormeter van 5 tot 10 cm. De kokerworm leeft veel in spleten tussen koralen of ingegraven in de bodem. Enkele soorten kokerwormen, zoals Sabella pavonina kunnen zich explosief vermeerderen in het aquarium, doch een vermeerdering van Sabellastarte indica werd nog niet vermeld.

Foto: BBAT-archief
Thelypteris palustris - de moerasvaren
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
153
Thelypteris is afkomstig van het Griekse 'thelys' (= vrouw) en 'pteris' (varen). Uit het Latijn stamt dan weer de soortnaam palustris die aangeeft dat het een moerasbewoner betreft.
We treffen de plant aan in moerassen, laagveen, vennen, poelen en elzenbroekbossen, tussen het riet en op allerlei voedingsrijke, liefst humus bevattende, vochtige plekken op zonnige plaatsen tot in half schaduw. Kleine exemplaren vindt men weleens op natte muren van kelders, grachten en sluizen.
Algemene kenmerken van moerasvarens zijn het bezit van een dunne zwarte en kruipende of rechtstaande vertakte wortelstok met harige of klierdragende schubben waaruit op geregelde afstand bladeren ontspruiten. Ook de steel draagt schubben of haren. Aan de basis ontspringen twee vaatbundels die zich hogerop verenigen. Deze bundels onderscheiden onze Thelypteris palustris van de enigszins er op lijkende kamvaren Dryopteris cristata. Van alle andere varens verschilt de moerasvaren echter vooral door de verspreid staande bladen die elk apart uit de wortelstok ontspringen.
De bladeren zijn kaal, veervormig en dubbel geveerd. Eerst verschijnen de onvruchtbare bladeren – 15 à 60 cm – die instaan om de reserve op te doen, waardoor later op het seizoen, van juli af, de vruchtbare sporen dragende tot 1 m lange bladeren verschijnen. Aan de onderzijde ervan zitten de kleine ronde sporenhoopjes of sporangiënhoopjes die beschermd worden door een rond tot niervormig dekvlies dat spoedig afvalt. Deze sporen worden van juli af tot oktober gevormd.
Zoals het bijgaand kaartje aangeeft, hebben we te maken met een kosmopoliet uit de gematigde streken van het noordelijk halfrond. Deze felgroene varens kunnen mooi contrasteren met andere bladvormen en kunnen afwisseling brengen in een rietzoom. De planten zijn bladverliezend, maar volkomen winterhard. Houd ze wel in de gaten, want op een voor hen gunstige plaats is woekeren mogelijk.
  BBAT-informatief 155
  VOEDSELGIDS Spektorren
Vliesvleugeligen
 
Top