Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 66 - 2013
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 66 – Nr. 6 - Juni 2013
 
ISSN 1372-6501

Foto: Guido Bertels
In één schep
Guido Bertels - A.T.V.V. Blauwe Alg Kessel / Sri Lanka
162
Wijayagama Bujapala Dankotuwa, ongeveer 50 km ten noorden van Colombo, de hoofdstad van Sri Lanka, daar woon ik. Noordwest van mijn woonplaats is het hoger en droger land en bestaat voornamelijk uit kokosplantages, dit wil zeggen, wat er van over is. Een groot gedeelte heeft plaats moeten maken voor woningbouw en zelfs voor een heus industrieterrein. Aan de zuidoostkant liggen rijstvelden in het lager en dus natter gedeelte. Ook hier kunnen we zeggen: “Wat er van over is”. De oorzaak is hier vooral de steeds verlagende grondwaterstand. In de beekjes die deze velden doorkruisen waren er, in betere tijden, sluisjes geïnstalleerd. Door verwaarlozing, een slechte gewoonte op dit eiland, zijn die in onbruik geraakt en is men weer afhankelijk van de grillen der natuur. De hoogst gelegen gedeelten zijn daardoor te droog geworden voor rijstwinning. Daar de bodem vooral uit klei bestaat, zijn sommige plaatsen afgegraven. Klaarblijkelijk met weinig succes, want de putten variëren van slechts 1 tot 3 m, wat na verloop van jaren dan weer een paradijs voor aquariumliefhebbers is geworden.
We hebben hier dan weliswaar niet te maken met vier seizoenen, zoals we die kennen bij ons, maar met twee moessons (= regen) en daartussen drogere perioden. Na de regen staat de hele vlakte onder water. Geleidelijk trekt dit weg en komen, door de variërende diepte, sommige putten volledig droog, andere blijven moeras en de diepste, ondiep water. Vooral een buitenkans om de moerasplanten in al hun vormveranderingen te bestuderen. Daar gaan we het nu echter niet over hebben.
Meestal ga ik met de fiets tot daar. Als ik vissen wil meebrengen, is het beter en sneller met de jeep. Enkele emmers met deksel, schepnet, plastic zakken en de camera behoren tot de uitrusting. Een petje voor de zon is ook een noodzaak, want ik ben al maar al te vaak het vel van mijn kletskop kwijtgeraakt. Zo komen we dan ook tot de bedoeling en de tittel van dit artikel. IN ÉÉN SCHEP, of moet ik het één biotoopschep noemen? Aan u de keuze.
Een traag stromend beekje tussen de velden ±1,5 m breed. Beplanting: Limnophila aquatica, Blyxa aubertii en wat draadalg. Eén trek dwars door de beek, beginnend aan de overkant, over de zandbodem, uitkomend onder mijn voeten door het overhangende gras. Laat ons even kijken. Beginnend met de talrijkst voorkomende soort.

 

Foto: Ab Ras
Het Tanganyika-biotoop van Peter Dekker
Auteur: Ab Ras (met dank aan Peter Dekker)
168
Het aquarium van Peter Dekker is er een om even bij stil staan. Een Tanganyika-biotoop zoals we ze graag zouden zien. Ik heb het aquarium eerder al meermaals gekeurd tijdens een verenigings-, districts- en zelfs landelijke huiskeuring en telkens was het genieten bij dit mooie aquarium.
Dit aquarium is prachtig ingepast in de ruime woonkamer van huize Dekker. Kenmerkend is de nette, strakke afwerking van het geheel. De chromen korte pootjes onder het aquarium wekken de suggestie dat het aquarium zweeft. Het aquarium heeft een trapezium vorm (zie tekening). Hierdoor is de ene zijkant korter dan de andere. Een biologisch filter onder het aquarium ontbreekt. Dit zit geïntrigeerd in het meubel.
Het vissenbestand was, wat de soorten betreft, mooi samengesteld. Opgepast echter voor een dreigende overbevolking. De twaalf Cyphotilapia frontosa “Moba”, waren fantastisch om te zien.
De opbouw met grove, zelf vervaardigde keien van dijkhof cement, geeft het geheel een rustige uitstraling met genoeg holen en spleten voor deze holenminnende vissen. Dit, samen met maaskeien en grind van een verschillende diameter, gaven het geheel een mooi natuurlijk effect. De mannelijke frontosa’s keken vandaar uit naar hun harem en jongbroed.
Naast deze stoere vissen was er nog ruimte voor ca. vijftig Neolamprolgus pulcher, vroeger ook wel “daffodill” genoemd. Een prachtig zicht, maar ook hier is het oppassen geblazen voor een overbezetting. De vier Synodontis irsacae zouden de uitbreiding door kweek in de hand moeten houden, maar ... dat lukte maar deels. Je zou je kunnen afvragen of deze vissen, die dieper leven dan de gemiddelde vissen uit het Tanganyikameer, hier wel thuishoren. Een overgebleven Petrochromis trewavasae vervolledigde dit visbestand.
De bealging in het aquarium had in principe beter gekund.
Om de overbelasting, door het grote aantal vissen, in toom te houden, was er een vernuftig systeem bedacht. Het water verversen moest snel en gemakkelijk gebeuren. Immers, zodra je met emmers moet gaan zeulen zijn we al gauw geneigd om te denken aan … morgen. Kortom; van uitstel komt vaak afstel, maar maak je het jezelf gemakkelijk, dan is het een fluitje van een cent. Het water verversen kan aan de rechterkant met afsluiters geregeld worden. Een thermostaatkraan aangesloten op de waterleiding zorgt voor vers, warm water. Peter heeft dus lang nagedacht alvorens zijn aquarium te bouwen. Niet alleen is nagedacht over de techniek, die er perfect uitzag, maar ook over de draagkracht van de lichtkap. Die is zo gebouwd dat mevrouw Dekker erop kan staan om – desgevallend – de kleinoden op de boekenplank te kunnen afstoffen.
De elektronica en het natte gedeelte zijn veilig gescheiden door een spatwaterdichte elektriciteitskast. Het roestvrij staal is op maat gemaakt. Een uv lamp is preventief mee opgenomen in het stromingsplan.
Technische gegevens:
Totale lengte 250 (L) x 80/120 (D) x 70 (H) cm.
Totale volume: 1800 l.
Temp: 26 °C.
pH: 8,1 - KH: 13°dH - GH: 13 °dH - N03: 5 - N02: 0 – geleidbaarheid:  820 µS/cm.
12 tl-buislampen konden worden gebruikt.
Tijdens de fotosessie brandden er maar een paar, dit gaf het geheel een contrastrijk geheel.
De tekeningen zijn bijgevoegd ter verduidelijking.


 

Foto: Paul Switsers
Cryptocoryne minima
Walter Van der Jeught - De Minor Rupel-Vaartland vzw
173
Van alle soorten cryptocorynen is een van de meest intrigerende momenteel Cryptocoryne minima. Er zijn een redelijk aantal varianten van te vinden in verschillende delen op het Maleise schiereiland van Perak naar Selangor. Er zijn zelfs vormen gevonden op het Indonesische eiland Sumatra. "So what?" zou men denken, C. ciliata wordt ook gevonden van India tot Papua, C. longicauda wordt in overvloed gevonden in Borneo, maar ook in de zuidelijke staten van Johor alsook Pulau Bangka voor de oostkust van Sumatra en zelfs binnen de zijrivieren van Midden-Sumatra en C. cordata heeft eveneens een vrij brede verspreiding. Dus wat maakt C. minima dan zo intrigerend?
Cryptocoryne minima is blijkbaar de enige soort Cryptocoryne die een groot aantal “psychedelische” kleuren vertoont in het schutblad van de spatha bij de verschillende geografische varianten en dit veroorzaakte dat onderzoekers in het verleden varianten van C. minima hebben beschreven als “nieuwe soorten”, waaronder bv.: C. amicorum; C. gasseri; C. zewaldiae. Hier komt de reden van dit artikel: ik heb nl. C. amicorum gekocht voor mijn aquarium (nu ja, een goede collega-aquariaan, Paul Switsers, was zo vriendelijk deze voor mij mee te brengen), maar ik vond die niet meteen terug als de vorm die ik gekocht had en ben dus beginnen zoeken op het internet en in boeken, tot ik op het verhaal van C. minima stootte. In 1971 beschreef De Wit (taxonoom uit Nederland) een nieuwe soort als C. zewaldiae die waarschijnlijk afkomstig is uit West-Maleisië. Deze plant is een beetje langer dan – de op dat moment bekende – C. minima. Hij noemde de plant naar Ike Zewald, de kunstenaar die de plantentekeningen maakte op het instituut in Wageningen.
 

Foto: Ab Ras
Gramma loreto - het feeënbaarsje
Auteur: Ab Ras
178
Een van de meest voorkomende baarsjes in het rifaquarium is wel de Gramma loreto, ook wel royal gramma of konings gramma genoemd.
Deze kleurrijke vissen zijn het best als paar te houden. Toen ik mijn aquarium had opgezet, had ik de wanden van PUR gemaakt en dit op isolatieplaten aangebracht voor de goede hechting. In de wanden bracht ik natuurlijk rifsteen aan, maar ook hier en daar een slakkenhuisje. Waarom? Het leek me wel natuurlijk overkomen. Het PUR zag er de eerste maanden niet uit en was geel van kleur. Tegenwoordig heb je al zwarte PUR wat een stuk mooier en natuurlijker is om te zien. Op den duur wordt alles bedekt met kalkalgen. Het stelletje gramma’s dat in mijn aquarium werd ondergebracht, had het al snel naar zijn zin. Ze waren nog erg jong en dus moest volgens mij het geslacht nog worden bepaald. Het werd gelukkig een stel. Ze hadden één van de slakkenhuizen in de zijwand al snel ontdekt. Ik was dus ook verbaasd dat ze op een dag met van alles liepen te slepen. Vooral algen werden door deze holenbroeders in het slakkenhuis ondergebracht. Na enige tijd bleef een van de twee voortdurend bij het nest. Zodra ik ook maar in de buurt kwam voor onderhoud, werd ik gebeten. Geloof me, als je daar niet op voorbereid bent, schrik je je een ongeluk. Dat de nakomelingen weinig kans hadden, was me duidelijk, er is namelijk geen voedsel in de vorm van plankton aanwezig. Dat nam niet weg dat het schouwspel enorm fascinerend was om te zien. De gramma’s zwemmen het liefst ondersteboven onder een rifoverhang.
Tijdens mijn duikavonturen in het Caribische gebied, kwam ik ze geregeld tegen. Ontzettend leuk natuurlijk om de vissen, die je thuis dagelijks ziet, nu eens in hun eigen leefomgeving te aanschouwen. Opvallend was, dat ik geen grote gramma’s tegenkwam. In ieder geval niet de maat die ik veel in aquaria aantrof. Volgens de literatuur kunnen ze 10 cm worden. In aquaria klopt dit wel, in de natuur ben ik deze afmeting niet tegengekomen. Ze waren volgens mij kleiner van formaat. De jongen leefden als groepen bij elkaar, wat een prachtig schouwspel opleverde.

Foto: Guido Lurquin
Zoetwatermosselen als filter?
Guido Lurquin - De Siervis Leuven vzw
183
Vijverliefhebbers worden dikwijls aangemoedigd om zoetwatermosselen in de vijver te introduceren als een soort natuurlijke filter.
Het nut van zoetwatermosselen wordt nogal overdreven en men spreekt niet over de nadelen en gevaren. Zo lazen we ergens in een wellicht te commercieel geïnspireerde tekst het volgende: “Bij kleine vijvers van 2.500 liter kunnen een 20-tal mosselen het water zuiveren als de visbezetting niet al te groot is”. Zo veel mosselen uitzetten in een dergelijk klein vijvertje is echt om problemen vragen. Het is voldoende dat één mossel sterft om heel dit biotoopje om zeep te helpen.
In de natuur spelen mosselen inderdaad een rol als filter. Ook in onze vijvers kunnen ze deze rol waarmaken … als ze niet sterven. Verschillende soorten mosselen komen voor in onze natuur, kleintjes en heel grote soorten, die groter kunnen worden dan een hand. Hun kleur varieert van geel over bruin en gestreept tot zwart. Sommige zijn langgerekt, andere ronder.
De maximale levensduur hangt af van de soort. De kleine driehoeksmossel, Dreissena polymorpha (een ingeburgerde exoot uit Zuidoost-Rusland) ende brakwatermossel Mytilopsis leucophaeata (een ingeburgerde exoot uit Noord-Amerika) leven maar drie à vijf jaar. Een aantal soorten wordt echter pas geslachtsrijp op de leeftijd van vijftien jaar of meer. De levensduur bedraagt twintig jaar voor Unio crassus (gewone stroommossel) en Unio pictorum (schildersmossel), terwijl Unio tumidus (bolle stroommossel) wel negentig jaar kan worden. De recordhouder is de zeer zeldzame en beschermde rivierparelmossel, Margaritifera margaritifera, die in zuurstofrijke rivieren leeft en in gunstige omstandigheden honderdvijftig jaar haalt. Het mensenras zou wellicht ook graag zo oud willen worden. Zetten we mosselen – tijdelijk voor de studie – in een aquarium, dan kunnen we zien hoe ze het water langs de ene kant naar binnen zuigen, filteren en dan langs de andere kant opnieuw naar buiten laten stromen. Meestal bevinden ze zich voor drievierden in het zand of in de modder en staan lichtjes open. Bij gevaar sluiten ze zich. De echte vijvermosselen van het genus Anadonta, dus A. cygnea (zwanenmossel) en A. anatina (gewone vijvermossel) zijn het best aangepast aan het leven in vijvers. Als het water opdroogt, gaan ze zich in de modder ingraven en kunnen daar tot twee maanden overleven.
  BBAT-informatief 188
  VOEDSELGIDS Miereneieren
 
Top