Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 66 - 2013
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 66 – Nr. 7-8 - Juli-Augustus 2013
 
ISSN 1372-6501

Foto: Gilbert Maebe
Kweken met tropische vissen
Gilbert Maebe - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw
194
Ik herinner mij het BBAT congres van 2008 in Buggenhout. Op het programma stond een lezing van o.a. Dr. Gerald Bassleer, die sprak over “Rechten en Plichten”. Wat mij vooral is bijgebleven van deze lezing is zijn waarschuwing voor de toekomst. Volgens Dr. Bassleer zou het in de komende jaren steeds moeilijker worden om tropische vissen te importeren om verschillende redenen: teloorgang van de biotopen; introductie van vreemde soorten; bescherming van de eigen fauna; vervuiling; enz…
Ik ondervind aan den lijve dat het vanuit Australië onmogelijk is geworden om nog vissen te importeren door een verstrengde wetgeving die zegt: “Van elke soort die je importeert moeten er 30 stuks worden afgeleverd bij een centraal punt om ze te onderzoeken op hun gezondheid”. Daaraan kleeft een prijs van 300 AUD.
Daarom heb ik een voordracht gemaakt met als titel “Kweken met tropische vissen”. Om alle leden te bereiken zet ik dit gegeven wat uitvoeriger op papier.
De meeste liefhebbers kennen mij als gespecialiseerd liefhebber van regenboogvissen. Slechts de wat oudere “ratten” weten dat ik een ander verleden heb als aquariumliefhebber. Voor de jaren 1980 had ik al een viskamer met een 50-tal aquaria waarin ik heel wat soorten verzorgde, maar vooral probeerde na te kweken. Volgens mij is en blijft het nakweken met je vissen de mooiste tak van onze hobby, maar hoe begin je daaraan?
Heel wat soorten planten zich gewoon voort in een gezelschapsaquarium. Daar blijft, na verloop van tijd, meestal niet veel van over, omdat de meeste soorten jonge visjes aanzien als een lekker hapje. Probeer eens een gerichte kweek in een afzonderlijk kweekaquarium. Afhankelijk van de grootte van de na te kweken vissen moet je de grootte van jouw kweekbak aanpassen. Voor heel veel soorten kun je met 50 x 30 x 30 cm al tot goede resultaten komen. Vissen die groter zijn dan 10 cm geef je wat meer ruimte.
Verder zijn er een aantal factoren waarop we moeten letten.
  • Houd er rekening mee dat de waterstand belangrijk kan zijn. Sommige soorten verkiezen ondiep water, andere dieper. Informeer je daarover bij je club, de literatuur of het internet.
  • De plaats waar een kweekaquarium komt te staan is ook van belang. Vermijd een plaats waar er te veel storende drukte is.
  • Gaat het om een soort die houdt van fel licht of om een diffuus licht minnende soort? Aanpassen is niet zo moeilijk.
  • Voorzie een schuilplaats in je kweekbak om te vermijden dat te fel jagende mannen de vrouwtjes zouden dood jagen.
  • Hoe zit het met de watersamenstelling om tot een goed resultaat te komen? Uiteraard dien je, je te informeren over de plaats waar jouw vissen vandaan komen. Zuid-Amerikaanse karperzalmpjes leven in ’t algemeen in zacht en zuur water. Afrikaanse cichliden uit de grote meren verkiezen hard en alkalisch water om zich goed te voelen. De samenstelling van het water is van het allergrootste belang i.v.m. de osmotische druk. Hierbij is het mogelijk dat in extreme gevallen eieren verdrinken of uitdrogen in het water.
Hoe zit het met de temperatuur? De meeste vissen reageren positief op een lichte stijging van de temperatuur in samenwerking met een waterverversing. Er bestaan echter uitzonderingen waarbij een positieve reactie om zich voort te planten, gestimuleerd wordt door een koelere waterverversing. Ik denk hier in de eerste plaats aan Corydoras-soorten.

 

Foto: Robert Van Mossevelde
Voortplanting bij vissen voor beginners, een overzicht...
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw
202
Laten we beginnen waar de meeste liefhebbers veelal mee beginnen: met de levendbarenden. De echte beginners denken dan meteen aan de guppy, Poecilia reticulata, maar dat is dus fout gedacht. De échte levendbarenden komen uit de familie der Goodeidae (de Mexicaanse hooglandkarpers). Guppen uit de familie der Poeciliidae  zijn ei-levendbarend.
Levendbarend of vivipaar
Dit betekent dat de jongen van een diersoort direct uit de moeder ter wereld komen. Bijvoorbeeld zoogdieren zijn (bijna) allemaal levendbarend (vivipaar); uitzonderingen zijn er ook: denk maar aan het vogelbekdier dat eieren legt. Door deze wijze van voortplanten komen de jonge visjes met een voorsprong ter wereld en hebben zo dus een betere overlevingskans.
Bij de Mexicaanse hooglandtandkarpers (Goodeidae) en de halfsnavelbekken (Hemiramphidae) is bij het mannetje een deel onder aan de anaalvin vergroeid tot een duidelijk afgescheiden penis-achtig voortplantingsorgaan dat kleiner is dan de anaalvin. Dit heet het andropodium. Het is een ander soort vergroeiing dan bij de Poeciliidae waar de hele aarsvin vergroeit is en daar heet dit het gonopodium.
Even opmerkelijk daarbij is dat de jongen van de hooglandkarpers een soort navelstreng hebben, waardoor de embryo's worden gevoed in het moederlichaam. Deze "navelstreng" heet trophotaenia. Hierdoor is er een uitwisseling mogelijk van voedingsstoffen tussen het embryo en de moedervis. Bij de geboorte is deze "navelstreng" trouwens nog steeds zichtbaar, maar ze zal snel verdwijnen.
Wat ook anders is dan bij de familie der ei-levendbarenden, is dat bij de Goodeidae de vrouwtjes na de geboorte opnieuw bevrucht moeten worden. Dat is dus anders dan bij de guppy’s en dito soorten, waar het vrouwtje spermapakketjes op kan slaan voor 5 tot 10 legsels.
Ei-levendbarend of ovovivipaar
Bij de ei-levendbarenden is het zo dat de eieren zich in het lichaam van het vrouwtje ontwikkelen en het lijkt enkel alsof ze levend baren. Wat werkelijk gebeurt, is dat de moedervis wel eieren legt, maar de jongen barsten direct uit het ei bij het verlaten van het moederlichaam. Dit wordt met een duur woord ook wel ovovivipaar (in het Nederlands ei-levendbarend) genoemd. Hierbij krijgen de jongen ook géén voeding mee van het vrouwtje, zoals bij de Goodeidae, maar is alle voedsel die het jong nodig heeft tot het uitkomen al vooraf via het ei meegegeven.
Guppy’s, platy's, xipho’s, e.d. zijn dus allemaal ei-levendbarend en niet echt levendbarend. De vrouwtjes van deze vissoorten uit de familie der Poeciliidae hebben nog een heel apart iets. Ze kunnen de spermapakketjes op slaan, waardoor één bevruchting door een mannetje (of meerdere mannetjes!) voldoende is voor 5 tot 10 worpen. Het kan dus gebeuren dat je uitsluitend vrouwen hebt en toch nog jongen krijgt de eerste tijd. Bij de Poeciliidae is bij het mannetje de hele anaalvin vergroeid tot een penis-achtig voortplantingsorgaan, dat het gonopodium heet. Bij beide, zowel de vivipare, als de ovovivipare, hebben de vrouwtjes toch één overeenstemmend kenmerk: de donkere, zwarte drachtigheidsvlek. Bij jonge dieren is die zeer minuscuul aanwezig (zonder vergroting niet zichtbaar) maar bij paairijpe dieren, zeker vanaf na de eerste bevruchting, als duidelijk vrouwelijk kenmerk zichtbaar.


 

Foto: Arend van den Nieuwenhuizen
Bevruchting bij het genus Corydoras
Walter Van der Jeught - De Minor Rupel-Vaartland vzw
208
De eerste kweek met corydorassen in een aquarium zou plaats hebben gevonden in Frankrijk in 1878 door een zekere M. Carbonnier. Dit met de soort Corydoras paleatus en de resultaten ervan werden gepubliceerd in 1880. Het artikel leert ons dat het sperma van de man tussen de buikvinnen van het vrouwtje werd “vastgehouden”, waar ook de eitjes worden tussen verzameld en daar dus zo de eitjes bevrucht worden.
Een latere stelling was dat het vrouwtje het sperma in de muil nam. Het vrouwtje verzamelde de eitjes tussen de buikvinnen en deponeerde deze op een substraat om dan het sperma over de eitjes te spuwen om zo de eieren te bevruchten. Deze theorie werd in Duitsland gepubliceerd in 1912.
Een andere, weer nieuwe stelling, ging ervan uit dat het sperma eerst over het uitgekozen substraat werd gespuwd en nadien de eieren in dit medium werden gebracht. Daarna volgden nog wat variaties op dit thema, de ene al wat verder gezocht dan de andere. Dit duurde tot 1955 toen de Duitser J. Knaack enkele experimenten uitvoerde met zowel broedende als niet broedende C. paleatus.
Hij gebruikte daartoe een fluorescerend gekleurde substantie die hij met een fijne pipet voor de muil van een niet broedend vrouwtje spoot. Hij deed hetzelfde net op het moment van de zogenaamde T-positie die corydorassen op een bepaald moment tijdens het paren aannemen. Op dat moment is de muil van het vrouwtje tegen of toch zeer dicht in de buurt van de aarsvin van het mannetje. Deze fluorescerende wolk was goed te volgen in het aquarium en rondom de vissen. Knaack nam daarvan waterstalen en stelde na microscopisch onderzoek vast dat in al de stalen sperma voorkwam bij de broedende corydorassen. De Amerikaan Albert Klee rapporteerde in de vroege jaren zestig over identieke experimenten met dezelfde uitkomst.
Sinds die tijd vermeldde men in de aquaristieke literatuur meestal het verhaal dat een Corydoras-vrouwtje sperma in de muil neemt en deze uitspuwt over de net op een substraat aangebrachte eieren.
Vandaag echter gaat men ervan uit dat de eieren bevrucht worden op het moment dat het vrouwtje de eieren tussen de buikvinnen draagt en voor ze op het substraat geplaatst worden. Natuurlijk zijn er, zoals bij vele soorten ook uit andere genera, steeds uitzonderingen. Bij C. barbatus bv. lost het mannetje zijn sperma pas over de al op het substraat aangebrachte eitjes om deze zo te bevruchten, maar dit is de uitzondering die de regel bevestigt. Ook onderzoek met C. similis zou echter bevestigen dat de eieren tussen de buikvinnen bevrucht worden. Maar ... hoe gebeurt dit nu juist?
Zoals door Knaack met de fluorescerende vloeistof eveneens werd vastgesteld, is het water rondom de paring en door de paringsbewegingen van voldoende sperma voorzien om zo ook de eieren te bevruchten die het vrouwtje tussen de borstvinnen neemt. Om te onderzoeken hoe het sperma tussen de buikvinnen bij de eitjes geraakt, werd nu C. aeneus gebruikt. Deze onderzoekers gebruikten eveneens een fluorescerende kleurstof en hun resultaten wijken serieus af van deze van Knaack. Zij stelden vast dat de mond van het vrouwtje zich inderdaad tegen de aarsvin van het mannetje bevond (T-positie) maar dat de kleurstof zich niet wijd verspreidde in het water, maar veeleer in de onmiddellijke buurt van die aarsvin bleef en dan, na enkele seconden, onder de buik door, tussen de halfgesloten buikvinnen naar de aarsvinnen van het vrouwtje werd gestuwd. Enkele seconden later verschenen dan de eitjes die meteen werden bevrucht en tussen de buikvinnen opgenomen. Heel deze procedure duurt ca. 7 seconden. De fluorescerende stof, waarin zich inderdaad volop sperma bevindt, bleef rond de muil van het vrouwtje en onder haar buik “hangen” en tijdens het verder produceren van eitjes bleef het vrouwtje nagenoeg bewegingloos over de bodem hangen zodat ook deze meteen bevrucht werden. Nadien zwemt het vrouwtje dan naar de afzetplaats om er de bevruchte eieren te deponeren. De man bleef hier afzijdig. Ook met C. paleatus werden later soortgelijke waarnemingen gedaan.
Toch blijven sommige onderzoekers sceptisch of het nu echt op die manier en bij alle corydorassen enkel zo gebeurt (de uitzonderingen daargelaten), of het een combinatie is van beide vaststellingen, daar is men nog niet echt uit. Toch blijft het fascinerend om zelf ook eens trachten de paring bij je Corydoras-soort(en) te observeren en dat zul je nu zeker met meer aandacht doen en net dat is de bedoeling van deze tekst.
 

Foto: Romain Van Lysebettens
Benitochromis dorsalis
Romain Van Lysebettens - Aquarianen Gent
214
Bij aanvang van deze tekst moeten we even terug in de tijd toen ik voor het eerst geconfronteerd werd met een visje dat toen de naam Chromidotilapia finley “Moliwé” droeg. Vandaag heet deze Benitochromis nigrodorsalis, dit volgens het boek “Die Cichliden des Westlichen Afrikas” geschreven door Anton Lamboj, een LIEFhebber voor de aquaristiek, met het hart op de juiste plaats.
In dit themanummer wil ik dan ook eventjes de spots richten op deze ongelofelijk boeiende cichlide die ik onlangs terug in mijn bezit kreeg.
Ik zag het écht wel zitten om nog maar eens een kweekje te wagen met deze West-Afrikaanse riviercichlide. Volgens mijn “aquariumdagboek” was met dat in 1998 vrij aardig gelukt.
Eerst wat informatie over hun natuurlijke habitat
We vinden ze in het zuidwesten van Kameroen. Er bestaan daar een aantal verspreide populaties en varianten, doch de bekendste vangplaats is die van de Moliwé River, waar we o.a. ook de wondermooie Pelvicachromis taeniatus “Moliwé” vinden.
Deze rivier, rustig kabbelend door het landschap, is ongeveer 10 m breed en niet meer dan één meter diep. In het droge seizoen is het water helder. In het natte jaargetijde kan die situatie heel anders zijn en treedt zij soms uit haar bedding. De bodem bestaat uit fijn tot middel grof zand en grind, met hier en daar verspreid wat keien van allerlei formaat. Een overhangende oeverbegroeiing is het enige groen waar je Anubias-soorten kunt tussen aantreffen.
Geslachtsverschil
Volwassen, uitgegroeide dieren zijn 15 cm groot. Volgens mijn ervaring zijn de verschillen gering, maar toch waarneembaar, zelfs bij halfwas dieren! De vrouwtjes hebben feitelijk meer kleur dan de mannetjes. De kieuwdeksels zijn blauwgroen iriserend. In de staart vinden we wat geel terug en in de borstvinnen zien we rood, blauw en zwart. In hun rugvin hebben ze een diepzwarte lijn lopen met een zilveren iriserende buitenrand. Als het vrouwtje kuit krijgt, wordt haar buikpartij intens roze.
De mannetjes hebben niet die zilverachtig iriserende buitenrand in de rugvin, die wel iets langer en spitser is dan bij de vrouwtjes. Hij heeft ook enkele kleine zilverachtige vlekken in zijn aarsvin. Zijn buikpartij is veel minder roze gekleurd.
Kweken
Het zijn biparentale muilbroeders. Dit betekent dat beide ouders actief betrokken zijn bij de broedzorg. In het geval van Benitochromis nigrodorsalis worden zowel de eieren, als de larven, onder elkaar uitgewisseld.
Ik wil bij dit verslag toch het een en het ander kwijt over mijn twee geslaagde kweekproeven die, niet totaal maar toch in enkele opzichten, anders zijn verlopen.
Kweekverslag 1
Ik heb geen waterwaarden teruggevonden, maar het gaat om Gents leidingwater dat hard alkalisch is.
Aquariumafmeting 1,50 x 0,50 x 0,50 m; inrichting zand en grindbodem met over de oppervlakte verspreid enkele platte stenen en in een hoek een groot stuk kienhout. Weinig planten, juist een ”toefke” Anubias nana was aangebracht tussen enkele stenen om het geheel een beetje groen te laten lijken. Een vrij grote open zwemruimte op de voorgrond.
Vijf bijna volwassen dieren werden erin losgelaten, waarvan drie mannen en twee vrouwtjes.
Medebewoners waren een tiental Phenacogrammus interruptus (onze gekende kongozalm), twee koppels Nanochromis parilus en vijf stuks Teleogramma brichardi, waarbij ik direct toegeef dat dit een totaal foute keuze was, doordat deze dieren hier niet op hun plaats waren, maar in een stromingsaquarium behoren.
Na een maand vormde zich een koppel (ondertussen was er één vrouwtje gestorven) dat beide resterende mannetjes naar de buitenzijde van het aquarium verdreef en zich zeker niet te dicht in het door hen afgebakend leefgebied mochten vertonen.
De eiafzetting gebeurde op een steen waar het vrouwtje eerst de eitjes deponeerde, om ze vervolgens te laten bevruchten door de man. Tijdens de balts en de eiafzetting waren beide ouders zeer actief bezig met het ritueel en de bescherming van hun territorium, dixit afzetgebied!
Na de bevruchting werden een 50-tal eitjes door ma voorzichtig van het afzetsubstraat geplukt, haar keelzak zat werkelijk propvol.
Twee dagen later zag ik vol ontzag en bewondering hoe de man voor het eerst de eitjes van zijn eega overnam. Van toen af gebeurde dit ritueel tussen het ouderpaar meermaals per dag … nogmaals, “muilbroeden” bij cichliden: dé max !!!
Na twee weken zag ik voor het eerst de jongen, ongeveer 4 mm groot, vrij rondzwemmen onder begeleiding van ma en pa. Deze zorgden intensief voor bescherming. Soms was het een echte “file” om tijdig beschutting te vinden in de muil van hun ouders tegen de dreigende aanvallen van de kongozalmen.
De filevorming en het opnemen in de muil verdwenen bij het groter worden van de kroost.
Laat me dit eerste verslag afsluiten met de aanmerking dat tijdens de gehele paar- en broedperiode toenemende uitingen van agressie moeten vermeld worden van het koppel naar hun medebewoners toe.
Kweekverslag 2
Na onlangs enkele aquaria te hebben herschikt, richtte ik een aquarium in met de afmetingen 0,50 x 0,50 x 0,50 m, terug met een bodembedekking van zand en grind, twee grote platte stenen licht hellend op elkaar gestapeld. Daarrond en daartussen, heel wat planten. Vooral javamos, Anubias barteri en twee uit de kluiten gewassen Vallisneria gigantea die de hoeken opvulden en het wateroppervlak wat verduisterden. Weinig open zwemruimte en enkele kleine takjes kienhout! Géén medebewoners, buiten een Ancistrus dilopterus die hier feitelijk ook niet thuis hoort, maar tot daar, hij zat erin en hij bleef erin…
Hiervan heb ik wel enkele waterwaarden: pH = 8,2; GH = 28 °dH (naar Gentse normen normaal); temperatuur = 25 °C.
De twee benito’s, zijn nu wel een stuk kleiner (12 cm). ‘s Avonds kon ik mij de gelukkige eigenaar noemen van wel degelijk een mannetje en een vrouwtje, zo goed als zijnde puur toeval! Het klikt vrij goed tussen beide en er zijn geen schermutselingen  vast te stellen. Dat ziet er dus goed uit … want de wetenschap leert ons dat een man en een vrouwtje daarom nog géén koppel wordt.
Hun verschillende inspectietochten stelden hen blijkbaar gerust en na dag vier zien we de roze buikpartij van madam al fel opkleuren. De “goesting” zit er duidelijk in!
De eigenlijke paring en de eiafzetting heb ik deze keer niet kunnen meemaken. Elf dagen na inzetten van het stel zwom mevrouw rond met een “klein muilke” vol. Het viel me direct op dat er deze keer veel minder eitjes te bespeuren waren. Ik kon dit immers goed waarnemen wanneer hun nakomelingen tussen de partners werden geruild: 6 tot 8 stuks, wat een verschil met de vorige keer!
Ik waande me echt bevoorrecht om de eerste voorzichtige invrijheidstelling van de ongeveer 6 mm grote jongen te kunnen zien, altijd de moeite waard.
Het opgroeien was terug geen probleem: ze werden gevoed met Artemia, azijnaaltjes en zeer fijn kwaliteitsdroogvoer.
Bedenkingen
Kan de grootte en inrichting van het aquarium een rol gespeeld hebben bij het aantal jongen?
Heeft de grootte van de desbetreffende koppels een functie gehad?
Kan het aantal en het soort medebewoners bepalend zijn? Vragen en vaststellingen, waar we als kweker zeker rekening moeten mee houden. Desalniettemin blijft onze hobby zo boeiend en leerrijk … a never ending story!!!

Foto: Hamed Moussavi-Sabet
Kweken met de driebandsanemoonvis, Amphiprion ocellaris, in het aquarium
Hamed Mousavi-Sabet & Maryam Seyyedi
220
Inleiding
De anemoonvis, ook bekend als clownvis, zijn kleine (minder dan 15 cm) en de meeste iconische zeevissen in de wereld. Deze populaire zout water aquariumvissen trekken in dierenwinkels vlug de aandacht van toevallige voorbijgangers en velen ervan weten de beginner te overtuigen dat ze absoluut in een zeeaquarium thuis horen.
In 1868 was Dr. C. Collingwood de eerste wetenschapper die waarnemingen rapporteerde in de ondiepe waters van Borneo over deze ongelooflijke vissen en hun verbazingwekkende relatie met sommige zeeanemonen. Er zijn in totaal 28 soorten anemoonvissen, die allemaal heel soortgelijke gewoonten vertonen. Misschien wel de meest bekende van deze anemoonvissen is de “driebands anemoonvis” (Amphiprion ocellaris), die enorme bekendheid kreeg in de Walt Disney-film “Finding Nemo”. Anemoonvissen worden aangetroffen in tropische en subtropische gebieden van de Stille Oceaan en de Indische Oceaan. De grootste diversiteit van anemoonvissen komt dicht bij Papoea-Nieuw-Guinea voor, hoewel het Great Barrier Reef in Australië ook bekend staat om een aantal unieke varianten.
Reproductie
Het paargedrag van de anemoonvis is nog niet uitgebreid onderzocht, maar de algemene gedragingen van anemoonvissen zijn beschreven. De driebands anemoonvis woont in een sociale groep. Deze vissen zijn protandrische hermafrodieten, wat betekent dat ze hun leven beginnen als een mannetje en wijzigen naar vrouwtjes. Deze vissen zijn geboren met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen. Meestal leeft een groepje anemoonvissen in dezelfde anemoon of er zijn een paar anemonen waar een groep van deze vissen dicht bij elkaar wonen. De grootste vis in de groep is altijd een vrouwtje en de tweede grootste is een mannetje. Alle andere anemoonvissen zijn onzijdig, wat betekent dat de geslachtsorganen voor beide geslachten nog niet zijn ontwikkeld. Als het vrouwtje overlijdt, dan verandert het mannetje van geslacht, terwijl de grootste onzijdige anemoonvis zijn mannelijke geslachtsorganen zal ontwikkelen ter vervanging van het mannetje.
De eieren van de anemoonvis zijn diep roodachtig oranje. Anemoonvissen leggen hun eieren aan de basis van hun gastheer anemoon. Ter bescherming van de eieren tegen roofdieren, wrijft de anemoonvis zich heftig in de anemoon, om ze volledig open te krijgen, zodat de eieren met zijn tentakels bedekt worden.
Aquariumcondities
Amphiprion ocellaris kan worden gehouden in aquaria van minstens 120 l en zij zullen er zelfs in paren en eieren afzetten. Een aantal zaken moet je weten om de gastanemoon op een goede manier in leven te houden en om de anemoonvis de juiste condities te bieden zodat hij tot eiafzetting zou overgaan. Dit zijn: een goede verlichting, een lage nitraatgehalte, eengoede waterbeweging en voedsel. De meest voorkomende oorzaken die problemen veroorzaken voor uw anemonen zijn een te hoog nitraatgehalte. U moet ervoor zorgen dat het niveau niet meer dan 15 ppm bedraagt. De verlichting is ook een belangrijke factor. Het zoutgehalte moet tussen 1.024 en 1.026 gehouden worden. Temperaturen van 26 tot 28 ºC zijn ideaal. Zorg voor een verlichting van minstens acht uur per dag, dit zal de algen binnen de gastanemonen gezond houden.
Het aquarium geregeld schoonmaken is een zeer belangrijke voorwaarde om de waarden van het aquariumwater optimaal te houden. Dit zorgt er voor dat uw vissen gezond blijven en vrij van visziekten. Tijdens het schoonmaken van het aquarium is het niet nodig om de vissen te verwijderen uit het aquarium. Dit is belangrijk om geen stress te veroorzaken en te voorkomen dat de vis beschadigd wordt tijdens het overbrengen van de ene plaats naar de andere. Tijdens het waterverversen moet u er voor zorgen dat het water eerst is overgeheveld tot het gewenste niveau, dan verwijdert u langzaam de decoratie die u wenst te kuisen. Het pH-niveau van het water moet iets tussen 8,2 en 8,6 liggen.
Kweken en grootbrengen in gevangenschap
Om met anemoonvissen te kweken, moeten we eerst over een volwassen kweekkoppel beschikken. Uiteraard moeten we eerst een geschikt aquarium voorbereiden voor de ouders.
In ons geval was de gastheer van de driebands anemoonvis een tepelanemoon (Entcmaea quadricolor). Voor eieren van goede kwaliteit is een goede voeding van het ouderpaar nodig. Wij hebben de vissen gevoederd met verschillende diëten die bestaan uit plantaardige voedsel zoals Spirulina-algen, bevroren garnalen, bevroren inktvis en droge pellets.
De eerste vermelding van mogelijk kuitschieten was toen de hofmakerij begon. De man begon op en neer te dansen voor het vrouwtje. Op dat moment begonnen zowel het mannetje als het vrouwtje de kleipotten dicht bij de gastanemoon schoon te maken. Tot slot toonden ze hun genitaliën, hetgeen betekent dat het paaien spoedig zal plaatsvinden. Tenslotte, om 12:00 uur, zwom het vrouwtje over de schoongemaakte plek van de kleipotten en begon eieren te leggen in kleine lijnen De man volgde haar om de eieren te bevruchten. Dit proces duurde enkele uren en tot slot vormde zich een heldere oranje plek die ongeveer 350 eieren bevatte (10 tot 500 in verschillende legsels). Zodra de eerste legsels hadden plaatsgevonden, werd het leggen herhaald met tussenpozen van ongeveer 10 tot 12 dagen. De eieren leken op kleine capsules van 2 tot 3 mm lang en 1 mm breed.
Ze waren als het ware op het levend steen geplakt door een flexibele stam genaamd “manubrio”. Hun typische oranje kleur is te wijten aan de eiwand. Als het embryo opgroeit, worden de eieren donkerder omdat de eiwand wordt verbruikt. Eén dag voor het uitkomen van de eieren, worden ze zilverkleurig en de larven en hun ogen worden zichtbaar. In ons geval kwamen de eieren uit na ongeveer een week, afhankelijk van de temperatuur (28 °C). Het uitkomen vond plaats tijdens de nacht en de larven stegen naar de oppervlakte.
Van de kleipot verhuisden we de eieren naar een kweekaquarium, zodat de larven niet opgegeten zouden worden door de ouders. Deze verhuizing werd gebeurde eens de eieren in hun zilveren kleurstadium waren (één dag voor het uitkomen). Het is belangrijk dat de eieren steeds onder water worden gehouden tijdens de verhuizing en dat het water van het kweekaquarium dezelfde waterparameters heeft als het water in het aquarium van de ouders, anders kan er schade veroorzaakt worden aan de eieren. Als de eieren uitgebroed zijn, verhuisden we de kleipot terug naar het aquarium van de ouders.
De eerste twee dagen werd het kweekaquarium in een donkere plaats gezet om stress te voorkomen voor de larven. De volgende dagen werd het licht, beetje bij beetje, opgevoerd met T5 lampen.
Zodra de larven zijn uitgekomen, is het tijd om met het voederen te beginnen. Aangezien zij bij nacht uitkomen, werd levend voedsel toegevoegd in de ochtend. Op dat moment is de mond geopend, de ogen zijn nog niet ontwikkeld en de larven zijn klaar om te worden gevoed. Een enorm verschil met andere zeevissoorten die enkele dagen nodig hebben om te ontwikkelen en dan pas klaar zijn voor het voederen, zoals zeebaars en zeebrasem. In de natuur voeden de larven zich met zoöplankton. In gevangenschap voederen we raderdiertjes (Brachionus plicatilis). Raderdiertjes zijn microscopisch kleine dieren die deel uitmaken van het natuurlijke zeeplankton en vanwege hun omvang en hun relatieve gemakkelijke kweekbaarheid worden ze veel gebruikt in de mariene aquacultuur.
Raderdiertjes toevoegen gedurende 5 tot 6 dagen is voldoende. Na 6 dagen begonnen we naupliën van Artemia toe te voegen, samen met raderdiertjes, en beetje bij beetje werden grotere formaten Artemia toegevoegd. Tenslotte kon droogvoerl (zoals vlokken) worden toegevoegd, altijd in combinatie met raderdieren en Artemia tot de larven in staat zijn om zonder problemen droogvoer te eten, ongeveer een maand later. We wilden een raderdieren-dichtheid van ongeveer 15 rot/mal en 0,75-1 Artemia/ml in de kweekbakken om ervoor te zorgen dat de larven een betere omschakeling van het vangen van hun prooi aankonden. Tijdens deze periode moet het kweekaquarium schoon worden gehouden. De bodem moet vrij zijn van dode larven, detritus en uitwerpselen. Zoutgehalte en pH moeten stabiel blijven om de larven niet te verstoren. De eerste twee dagen hadden we een kleine uitval van larven. Vanaf dag 3 tot 7 groeiden en aten de larven snel. Tot dit moment waren de larven klein en transparant zonder de karakteristieke kleur van hun ouders. Op dag negen begon de metamorfose en kregen ze het uitzicht van volwassenen. De larven begonnen een witte streep te ontwikkelen in de buurt van het hoofd en het lichaam werd donkerder. Op dag dertien verscheen de witte streep in het midden van het lichaam en op dag zeventien begonnen hun zijvinnen te verschijnen. De larven leken "zwarte schoenen." te hebben. Later kregen ze hun volwassen uiterlijk. Tijdens deze metamorfose was de mortaliteit ook hoog.
Kritische fasen zijn de eerste twee dagen van het larvenstadium en het metamorfosestadium. In deze stadia kan de sterfte hoog zijn. Op de twee keren dat we geprobeerd hebben om extra stress te vermijden, werd voldoende voedsel toegevoegd en de waterverversingen werden verlaagd tot een minimum. We maakten kunstmatige anemonen door kleine stukjes van beluchtingsbuizen met een elastiek te verbinden. Zodra de larven jonge visjes werden, verhuisden we hen naar een ander aquarium. Op dat moment waren ze allemaal onrijpe mannetjes. Eens de sterkste een zeeanemoon vond, vestigde hij er zich en veranderde in een vrouwtje en vervolgens werd de volgende in de hiërarchie een mannetje en een nieuw paartje werd gevormd. Zo begon de nieuwe cyclus van het leven weer.
  BBAT-informatief 228
  VOEDSELGIDS Franjestaarten
 
Top