Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 66 - 2013
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 66 – Nr. 10 - Oktober 2013
 
ISSN 1372-6501

Foto: Jean Lambinion
Hyphessobrycon coelestinus
Jean Lambinon - Aqua Fauna
270
Het is het eind 2008 dat ik deze nieuwe vis bij een handelaar in de omgeving van Luik ontdek. Na meer dan 50 jaar aquariumhobby en na talloze klassieke soorten te hebben gekweekt, ben ik nu vooral op zoek naar nieuwigheden bij de soorten die mij het meest interesseren, nl.: de Amerikaanse en Afrikaanse karperzalmen (Characidae), karperachtigen (Cyprinidae) en soms zelfs enkele andere soorten.
Hyphessobrycon coelestinus is een karperzalm die mij onmiddellijk verleid heeft van bij zijn ontdekking bij de handelaar. Hij zou afkomstig zijn uit het centrale deel van Brazilië, meer bepaald in een plaatsje genaamd Goias waar een rivier of beek, de Rio Sào Bartolomeu stroomt. (Ter informatie, ik heb die ook nooit teruggevonden in atlassen of via Google.)
Zijn grootte is ongeveer 5 cm, de kleur is moeilijk te definiëren, zeker in het aquarium in de winkel waar ze doorgaans saaier gekleurd zijn, wat normaal is omdat ze in groepen van 25 tot 30 in een bakje van ongeveer 50 l zitten, niet voorzien van enige inrichting, noch planten. Daarentegen, na een korte periode van aanpassing bij mij thuis, bereikten ze een schitterende kleur. De mannetjes en vrouwtjes zijn bijna identiek gekleurd. Het dorsale deel van het lichaam is zwart met een blauwe schijn, vervolgens, min of meer in het midden van het lichaam, een ​​roodachtige horizontale band, met daaronder een nieuwe brede zwarte band met een donkerblauwe schakering; het ventrale deel is weer roodachtig, twee kleine zwarte verticale strepen komen voor aan de basis van de kieuwdeksels, de kop is rood zoals ook alle vinnen. De kleuring van de vrouwtjes is, zoals gezegd, bijna identiek aan die van de mannetjes, maar de kleuren blijken niettemin iets lichter. Het geslachtsverschil is dus niet altijd voor de hand liggend, het vrouwtje heeft een iets bollere buik en de rug- en anale vinnen zijn een beetje meer afgerond dan bij de mannetjes, waar ze iets scherper zijn.
Het is moeilijk om de juiste kleur te beschrijven, want deze is afhankelijk van de invalshoek van het licht.
Ik houd ze in groepjes van 10 tot 12 exemplaren in een goed ingericht aquarium en dat geeft de vissen een meerwaarde. Ze hebben een vreedzaam gedrag en kunnen goed samengaan met andere niet-agressieve vissen van ongeveer dezelfde grootte. Het aquarium vraagt een goede beplanting, moet een achtergrond bevatten en een aantal stenen en kienhoutwortels, naar ieders smaak. Een goede en continue filtering is essentieel.
Wat de kwaliteit van het water betreft, ik gebruik gedeeltelijk leidingwater, dat hier in de regio zeer hard is met een pH hoger dan 8, aangevuld met regenwater met een pH van 6, een GH van 0 °dH en een temperatuur van 24 °C.
H. coelestinus zijn geen moeilijke vissen. Ze kunnen samen gehouden worden met andere soorten van een vergelijkbare grootte. Ook alle voedingsmiddelen worden geaccepteerd, zowel vlokkenvoer of allerlei soorten levend voedsel zoals rode muggenlarven, watervlooien enz…
Kleine opmerking: in de Mergus’ Aquarien Atlas, nr. 6, pagina 178 vond ik Hyphessobrycon coelestinus met daarbij een foto met kleuren die niet overeenkomen met de vissen die ik heb, en ... meer nog, een grootte van 3 cm wordt aangegeven, daar waar ze bij mij 5 cm zijn. De informatie over de natuurlijke vindplaats heb ik wel uit Mergus overgenomen. In Google is er iemand die zegt dat er verschillende kleurenvariaties mogelijk zijn, afhankelijk van de vindplaats.
Dan stel ik mij natuurlijk de vraag of mijn vissen wel degelijk Hyphessobrycon coelestinus zijn?
In juli 2010 blijven mij nog drie H. coelestinus over en wil ik enkele nieuwe bijkopen. Helaas blijkt na telefonisch contact, door de winkelier, met Brazilië, dat deze vissen niet langer beschikbaar zijn. Terug naar huis en niet van plan zo'n mooie vissen te verliezen, verzorg ik het trio, dat ik heb, extra en gelukkig heb ik twee vrouwtjes en één mannetje.

 

Foto: Romain Van Lysebettens
De keizers onder de Malawi's
Romain Van Lysebettens - Aquarianen Gent
276
"Eén vlinder maakt de lente niet!". Toch beweer ik zonder schroom dat een aquarium met de juiste combinatie aan malawivlinders niet alleen de lente, maar ook de zomer maakt. Ik weet het, geachte lezers van Aquariumwereld, dat het gezegde hier een "zwaluw" betreft i.p.v. een "vlinder", maar bij de aanzet van mijn artikel kwam dit mij eerlijk gezegd beter uit.
Malawivlinder, keizerbaars, ... synoniemen die verwijzen naar een groep cichliden uit het Malawimeer die we kennen onder de genusnaam Aulonocara.
Tot deze vrij grote groep van baarsachtigen die aangetroffen worden in de nabijheid van zanderige substraatzones, behoren eveneens de prachtige Lethrinops-achtigen. Al zouden volgens mijn bronnen de aulonocara's nauwer verwant moeten zijn met die andere bewoner, de Mbuna.
Dit blijkt niet enkel uit DNA-onderzoek, maar tevens door hun manier van voortplanting/eiafzetting. Het gehele jaar door worden foeragerende en op broedkleur zijnde mannetjes waargenomen, wat bv. niet gezegd kan worden van de Utaka's.
Voor de beginnende malawiliefhebbers, die twijfelen om tot een welbepaalde soort over te gaan, kan ik vertellen dat de aulonocara's wellicht de zachtaardigste zijn onder deze Afrikaanse meerbewoners.
Kleuren / soorten
Om hun kleuren te beschrijven, verwijs ik jullie het liefst naar bijgeleverd fotomateriaal. Hun kleurenpracht is in één woord "verbluffend" te noemen. Heel weinig zoetwaterbewoners kunnen dergelijk palet aan kleuren voorleggen. Toch wordt dit kleurenpatroon gedomineerd door verticale strepen, zéér duidelijk waarneembaar bij de grijs, tot zilverachtig gekleurde vrouwtjes, wat tevens voor hen een perfecte camouflage is in hun natuurlijke omgeving. Bij mijn weten zijn er momenteel een 25-tal soorten van dit genus bekend. Nieuwe, veelal geografische varianten, worden nog geregeld gevangen. De A. jacobfreibergi-groep is hier een duidelijk voorbeeld van. Zijn verspreidingsgebied is vrij groot en op elk van die verschillende plaatsen heeft het mannetje een iets andere broedkleur.


 

Foto: Ab Ras
Adembenemende Vivaria...
Het aquarium van Jack W. de Laat
Ab Ras
282
Jack is een bekende in de Landelijke Huiskeuring van de NBAT, misschien heeft u er weleens van gehoord?
Tijdens de laatste verenigingskeuring kwam ik dit wondermooie aquarium voor de tweede keer tegen. Jack is lid van de vereniging Rode Rio te Alkmaar. Dat daar een hevige concurrentiestrijd bestaat is ondertussen wel duidelijk. Deze vereniging heeft vele kampioenen voortgebracht.
Het aquarium is gesitueerd tussen de royale woonkamer en de open keuken. Een rustpunt in huize de Laat. Niet alleen de heer des huizes is een verwoed liefhebber, maar ook de mevrouw de Laat draagt graag haar steentje bij. Bij het binnenkomen valt meteen de rustige uitstraling van het aquarium op. De kleurencontrasten zijn nadrukkelijk aanwezig, op een paar plekjes na.
Om de puntjes op “i” te zetten zou de Hygrophila pinnatifida qua kleurcontrast niet vóór de Didiplis diandra moeten staan. Dit omdat de kleuren erg sterk met elkaar overeen komen. Dat is ook het enige wat op dat vlak op te merken valt. De dieptewerking is goed doordacht, met name het boogje kienhout geeft een leuk effect en de Hyphessobrycon amandae voelt zich daar prima op zijn gemak. De Hydrocotyle leucocephala maakt het af.
Het aquarium is vervaardig van hout, bekleed met polyester. De ingelijmde voorruit is het enige glazen deel. Opvallend is als u naar de plattegrond en de foto’s kijkt, dat sommige plantensoorten op verschillende plekken voorkomen. Dat is keuringstechnisch jammer maar voor zo’n liefhebber begrijpelijk. De stekken gooi je natuurlijk niet weg, en bij gebrek aan een extra aquarium blijft er weinig over om deze mooie plantjes ergens te herbergen.
De Trigonostigma heteromorpha (kegelvlekbarbeel) leefde al een geruime tijd in dit aquarium. Deze oudgediende genoten zichtbaar van hun oude dag. Drie Yasuhikotakia sidthimunki is een beetje weinig voor een schoolgedrag. Jack vertelde me echter dat ze er uit moeten i.v.m. de garnalen. Je zou denken dat deze prachtige botia’s alleen slakken aten, maar helaas vergrijpen ze zich ook weleens aan een garnaal. Dat doen volgens mij wel meer soorten vissen, maar ik kwam echter ook bij aquaria waarin deze samenstelling geen problemen opleverde. De parameters zijn interessant te noemen. Met name de KH was erg laag. Dat was zelfs verontrustend. Kijk je naar de CO2 tabel, dan zie je dat deze in het rode gebied verkeert. De pH was 6,6. Deze heeft dus ruim de gelegenheid om te schommelen. Gelukkig was er wel een controller geïnstalleerd die de waarde optimaal probeerde te houden. Na hier op gewezen te hebben is Jack direct water gaan verversen nadat ook zijn garnalen naar de oppervlakte gingen. U begrijpt dat ze problemen kregen met verschalen. De verdeling over de waterlagen zou qua ruitvormen niet te druk moeten worden. De school met kardinalen zorgde voor lichtgevende accent en maakt dit wonderschone plaatje compleet.
 

Foto: BBAT-archief
Najas guadaluopensis
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw
288
Hoe ik aan deze plant geraakt ben? Ik weet het eerlijk gezegd niet. Een stekje moet meegekomen zijn met een plantenuitwisseling tussen medeaquarianen en dat hoeft zelfs niet eens zo’n groot stekje te zijn geweest ontdekte ik later. Op een dag merkte ik een stengeldeel van deze plant op tussen de andere planten. Ik heb dat toen ergens op een open plaatsje ingeplant om te zien wat dit zou worden en zo leerden mijn aquarium, mijn vissen en ik Najas guadalupensis kennen.
Gekende synoniemen zijn: Caulina guadalupensis, Najas flexilis var. guadalupensis en Najas microdon, in het Nederlands spreekt men wel eens van “guppengras”. Er bestaan twee subspecies: Najas guadalupensis ssp. guadalupensis en Najas guadalupensis ssp. olivacea. Deze tere plant behoort tot de Najadaceae, de nimfkruidfamilie en is afkomstig uit de Verenigde Staten, Midden- en Zuid-Amerika en is nog eens een echte waterplant. In sommige streken, waar de plant als exoot geïntroduceerd werd, wordt het er soms zelfs als “schadelijk onkruid” bestempeld.
De stengels kunnen in stilstaande waters wel tot 1 m lang worden en aan het wateroppervlak gaan drijven, al slaagt een plant daar in het aquarium zelden of nooit in omdat hij zo broos is. Deze stengels hebben immers de negatieve eigenschap dat ze aan de knoppen zeer gemakkelijk afbreken. Zelfs het inplanten moet om die reden zeer voorzichtig gebeuren of je houdt enkel korte, afgebroken stengeldelen over. Een dergelijk fragment drijft dan naar de oppervlakte of geraakt tussen andere planten vast te zitten, maar – hoe klein dat afgebroken stekje ook is – het groeit daar even gewoon als gemakkelijk verder als nieuwe plant. Zelfs drijvende stukjes plant zullen dus zonder problemen verder groeien aan het oppervlak. Wie dat niet wenst, moet deze afgebroken delen zeker verwijderen. Voor jongbroed vormt zo’n aan het oppervlak drijvende tros echter een ideale bescherming waartussen het goed (veilig) toeven is. Bij drijvende planten ontstaan bovendien zeer kleine, groene bloemen in de bladoksels.
In de grond vormen de stengels slechts een zeer miniem wortelgestel wat eigenlijk voor vele echte waterplanten geldt. Dit betekent ook dat Najas guadalupensis niet geschikt is voor aquaria met vissen die aan planten eten, op de bodem tussen de planten wroeten of grote vissen die, als ze eens door zo’n tros zwemmen, nogal wat “breuk” kunnen veroorzaken.
Al snel vormt hij (het is een snelgroeiende plant) in het aquarium dichte trossen, met veel vertakte stengels, tot ... ze dus breken. Die negatieve eigenschap van dat fragiele is de reden dat je de plant zelden of nooit in de handel zult aantreffen. Als je hem zelfs nog maar ondoordacht uit het water haalt, heb je een plant in stukjes. Oeps ... gebroken. Neem de plantdelen dan maar mee voor ... euro. Dat lukt niet echt meer in deze tijden en je moet er dus via liefhebbers zien aan te geraken. Wie de plant zelf in het wild wil gaan oogsten: de originele vindplaats is in El Salvador, Santa Ana, Metapan, bij kilometer 81, 14° 20' N, 89° 27' W. Hij werd daar door Winkler S. in 1962 ontdekt.
De dunne, eveneens fragiele bladeren zijn enigszins doorschijnend groen en kunnen 2,5 tot 3 cm lang en 1 tot 2 mm breed worden. Ze zijn lichtjes naar beneden gebogen en staan schijnbaar, soms wel met drie, tegenover elkaar in een rozet. De bladranden zijn, mocht je deze onder de microscoop bekijken, duidelijk eencellig getand.

Foto: Freddy Haerens
LED-lampen boven ons zeeaquarium: zijn zij (en wij) er klaar voor? Deel 1
Gert Eggink
292

Led-verlichting is ontegenzeggelijk in opmars. Niet enkel om de gloei- en spaarlamp in huis, bedrijf of op straat te vervangen, maar ook om de TL’s, T5 en HQI’s boven onze (zee)aquaria te vervangen. Zijn deze armaturen inmiddels wel goede vervangers? Als wij willen overstappen, waar moeten we dan op letten?
In onderstaande tekst wil ik proberen hier een antwoord op te geven.
Alvorens op de led-verlichting zelf in te gaan en te kunnen beoordelen of de lampen en armaturen geschikt zijn voor onze aquaria, zullen we eerst moeten weten wat onze dieren nodig hebben en waar we dan bij de beoordeling van de lichtbronnen op moeten letten. Daarom eerst een “opfriscursus licht”.

Watt
Een veelgehoorde vraag onder aquarianen luidt: “Hoeveel licht heb jij boven je aquarium hangen?” Het antwoord is dan vaak: “250 watt HQI en 2 x 80 watt T5”, of woorden van gelijke strekking… Helaas is dat antwoord net zoiets als “1 op 14” als antwoord op de vraag: “Hoe hard kan jouw auto?”. Want de hoeveelheid watt geeft slechts het energieverbruik weer. Het is namelijk een waarde voor de hoeveelheid elektriciteit die de lamp uit de contactdoos trekt en zegt strikt genomen niets over de hoeveelheid licht die de lamp levert. Het is daarom geen onbelangrijke waarde geworden, maar geen antwoord op de vraag!  Dat we de wattage straks weer tegen komen, is omdat deze voor ons natuurlijk wel degelijk belangrijk is: we willen namelijk graag zoveel mogelijk licht, voor de laagste prijs (zeker bij de stijgende energieprijzen!). Wat is dan een juiste waarde?

Lumen
Beter is het om dan de term lumen te gebruiken. Dit is namelijk de waarde voor de hoeveelheid licht die een lichtbron in alle richtingen uitzendt. Dus hoe meer licht, hoe meer lumen. Dat we er voor onze hobby dan nog niet helemaal zijn, blijkt wel door de tussenzin “in alle richtingen”. Want voor ons is het natuurlijk enkel interessant hoeveel licht in het water terecht komt. Want licht dat naar boven gaat is min of meer “verloren licht”. Vandaar dat we vaak gebruik maken van reflectoren en een witte lichtkap. Die sturen namelijk veel van dat verloren licht alsnog naar beneden, het aquarium in.

Verlichtingssterkte
Nog beter is het om te rekenen met de verlichtingssterkte. Dit is de hoeveelheid licht die op een bepaald oppervlak valt en deze is uitgedrukt in lux (1 lux = 1 lumen/m2). In ons geval is dat het oppervlak van ons aquarium. Omdat veel (led)lampen hun licht al bundelen in één richting, ligt de verlichtingssterkte hoger dan bijvoorbeeld bij T8 en T5 TL-lampen. Om een indruk te krijgen van wat er wenselijk is boven onze aquaria: in de tropen is de verlichtingssterkte circa 100.000 lux en 20.000 à 25.000 lux op 1 m diepte. Nu zullen we thuis die 100.000 lux niet halen, maar moeten we proberen tenminste 3000 lux op de bodem van ons aquarium te krijgen…

Kleur en kleurtemperatuur
Niet enkel de hoeveelheid licht is van belang, ook de kleur (en de spectrale samenstelling) spelen een belangrijke rol. Hoe hoger de kleurtemperatuur (uitgedrukt in Kelvin) des te witter de lichtbron. En daarmee des te meer blauw licht er in het spectrum zit. Wit licht is namelijk een mengsel van alle kleuren van de regenboog, dat door het menselijk oog als wit wordt waargenomen. Zonlicht heeft (’s middags, zomerzon, bij een blauwe lucht) een kleurtemperatuur van ca. 6500 K en ’s ochtends (een uurtje na zonsopkomst) een kleurtemperatuur van ca. 3500 K. Meer rood licht dus. Een HQI-peertje van 10.000 K levert dus meer blauw (en minder rood) dan de zon, en meer rood (en minder blauw) licht dan een 15.000 K-peertje.

Is het wel logisch dat we juist zulke hoge kleurtemperaturen nastreven? Hoger dan die van de zon? We willen toch een zo natuurlijk mogelijke situatie? Ja en nee. Ja, natuurlijk we willen een zo natuurlijk mogelijke situatie nastreven; maar nee, voor onze aquaria is dat niet per definitie de situatie zoals die aan het wateroppervlak in de tropen heerst. Veel van onze koralen en andere dieren komen namelijk van een behoorlijke diepte en daar is minder rood en meer blauw licht aanwezig. Dat komt omdat water juist langgolvig licht absorbeert. Figuur 2 laat dat duidelijk zien. Naarmate de golflengte toeneemt, stijgt de absorptie door water (en let op: de verticale schaal is een logaritmische, dus rood licht van 700 nanometer (nm) wordt ong. 100x sterker geabsorbeerd als licht van 450 nm!).
Op geringe diepte is dus al veel rood licht verdwenen. Wat resteert is dus blauwer licht. Naarmate je dieper komt, verdwijnt er ook steeds meer oranje, geel en groen licht. Uiteindelijk, op enkele tientallen meters diepte, resteert alleen blauw licht. Elke duiker zal dat kunnen beamen. Omdat ons aquariumwater nu eenmaal veel minder helder is dan zeewater, gaat dat nog eens veel sneller dan in de natuur, omdat ook de kleurstoffen in ons water hun steentje (in negatieve zin) bijdragen.

PAR
Welke kleuren hebben onze (lagere) dieren nu nodig? Daarvoor kijken we naar de zogeheten absorptiespectra van de verschillende pigmenten die in koralen voorkomen. Daaruit blijkt dat de verschillende soorten chlorofyl (en andere pigmenten) voornamelijk licht tussen 400-500 nm en tussen 650-700 nm absorberen. Het voert in de context van dit artikel te ver om hier dieper op in te gaan, maar de kern is dat we dus vooral licht van deze golflengtes moeten aanbieden. Verwaarloos daarbij het piekje in het rood (650-700 nm) niet, want hoewel er minder geabsorbeerd wordt, is dat licht juist nodig voor de aanmaak van nieuw chlorofyl door het hormoon cytokinine. Dit is nodig voor de groei, voeding en voortplanting, dus: zonder deze golflengtes geen goede groei!
Om dit in de praktijk een beetje handelbaar te maken wordt er gewerkt met de PAR-waarde van een lichtbron. PAR staat voor Photosynthetic Active Radiation, de voor planten en koralen geschikte straling. Het is gedefinieerd als de straling tussen 400 tot 700 nm. Dat is namelijk het gebied waarin planten en symbiotische algen (zoöxanthellen, eencellige algen die leven in de weefsels van dieren, zoals koralen, mosselen, anemonen, naaktslakken) licht absorberen dat ze nodig hebben voor de fotosynthese. Hoewel, er zijn ook bronnen die de PAR-waarde definiëren als de som van alle uitgezonden straling tussen 350 en 700 nm, zie bijvoorbeeld Light utilization efficiency and quantum yield of phytoplankton in a thermally stratified sea vanMotoaki Kishino and Noboru Okami, Limnol. Oceanogr., 31(3), 1986, 557-566).
Eigenlijk is dat meer correct omdat uit bijgevoegde afbeelding blijkt de meeste pigmenten ook nog onder 400 nm absorberen. De PAR-waarde geeft het aantal lichtdeeltjes (fotonen) weer met een golflengte tussen de 400 en 700 nm die per m2 en per tijdseenheid op een oppervlak vallen. Hoewel sommige planten (en koralen!) dus ook licht buiten dit gebied absorberen, wordt daar in de PAR-waarde van een lamp geen rekening mee gehouden.

PUR
Dit begrip brengt ons tot de laatste waarde die ik in deze context kort wil verduidelijken: de PUR-waarde (Photosynthetically Usable Radiation ofwel de bruikbare lichtenergie).
PUR is het deel van de invallende straling (PAR) die door de fotopigmenten in zoöxanthellen ook daadwerkelijk wordt gebruikt voor de fotosynthese; dus het deel van 400-550 nm en 620-740 nm (dus eigenlijk een gewogen PAR). De PUR-waarde is dus niet zo maar te meten, omdat zij enerzijds bepaald wordt door (het spectrum van) de lamp, maar anderzijds afhankelijk is van de pigmenten in de koralen. Nu wordt dit met bepaalde meters wel benaderd, omdat er dan bijvoorbeeld gerekend wordt met het absorptiespectrum van chlorofyl a en b, maar geheel correct is dat niet. Wel is de PUR-waarde dus altijd lager dan de PAR-waarde.

Ten slotte over licht en lichtkleur
In bovenstaande alinea’s ben ik vooral ingegaan op de fysische eigenschappen van licht en de behoefte van de dieren in ons aquarium. Die ligt dus voornamelijk in het blauw en het rood, maar dat is natuurlijk niet het enige wat telt. We willen zelf ook graag een mooi aquarium om naar te kijken en omdat we gele en groene vissen ook graag als gele en groene en niet als grauwe vissen willen zien, zorgen we dat onze lampen ook die kleuren uitzenden. Anders wordt een aquarium al snel “te blauw” gevonden. Dat is echter een kwestie van smaak en daarover valt niet te twisten…
Overigens: bied liever niet te veel geel en groen licht omdat juist ongewenste cyanobacteriën pigmenten bezitten die precies die golflengtes nodig hebben.

Met deze kennis kunnen we de verschillende lichtbronnen, inclusief led’s, op hun effectiviteit en geschiktheid voor onze aquaria beoordelen en dat brengt me bij de titel van deze tekst: “led-lampen, zijn zij (en wij) er klaar voor?”

Foto: Walter Van der Jeught
De redactie bezocht... Het Internationaal Aquariumtreffen Hasselt 2013
Walter Van der Jeught
299
Zaterdag 11 mei 2013 trokken mijn vrouw en ik naar Tanichthys Hasselt, meer bepaald naar het ontmoetingscentrum te Rapertingen waar hun Internationaal Aquariumtreffen voor heel aquaristiek Europa was opengesteld. Inderdaad internationaal, want onder de deelnemers bevonden zich naast Belgen ook Denen, Fransen, Duitsers, Engelsen, Italianen, Nederlanders en Polen. Uw redactie werd er trouwens zeer goed ontvangen door voorzitter Ludo Jermei en kreeg meteen spontaan een notablok en een balpen aangeboden voor mijn notities. Deze kun je nu verder meelezen...
Dit aquariumtreffen bestond eigenlijk uit vier tentoonstellingen in evenveel aparte ruimten én een 2-daags symposium.
Een internationale guppytentoonstelling (ik meende 202 bakjes geteld te hebben) annex wedstrijd, een internationaal nano-kampioenschap met dito tentoonstelling, de tentoonstelling “het garnalenpaleis” en de eigenlijke, klassieke tentoonstelling met overwegend zoetwateraquariums maar,  en vooral, ook veel zeewateraquariums. Ik merkte daartussen ook enkele terrariums en een paludarium op. “Meer moet dit niet zijn” hoor ik je al zeggen, maar dit was allemaal veel meer en bovendien in een prachtig decor. Proficiat Tanichthys met deze ronduit topprestatie en buitengewone propaganda voor onze mooie hobby.
De rondgang leidde ons eerst langs de guppytentoonstelling. Allemaal koppeltjes uit 8 landen. Allemaal topguppy’s die, zo vertelde mij Germain Leys, collega redacteur en bestuurslid van Tanichthys, het transport in een flacon met slechts 100 ml water als postpakket hadden ondergaan vanuit de diverse landen van de deelnemers. Neen, geen sterfgevallen... Na de tentoonstelling zullen deze topguppy’s per opbod verkocht worden. Dat deze gegeerd zijn, was o.a. te merken aan enkele Fransen die al 3 dagen in Hasselt “kampeerden” om deze kans niet te missen. Koppels worden immers zelden aangeboden en eens je zo’n unieke stam hebt... Je las in mei (blz. 136) al iets over gedeclasseerde guppy’s op een Duitse wedstrijd. Ook hier werd, met identieke argumenten een “Belgische zet” gediskwalificeerd. Rare jongens die juryleden, trouwens ook een internationaal gezelschap. Terzijde: de Polen gingen met het goud, zilver en brons lopen op dit kampioenschap.
Daarna leidde de rondgang ons naar het “garnalenpaleis”. Garnalen zijn “in” vandaag en ik zag er prachtige zoetwatergarnalen en dwergkreeften. Ook enkele zeldzame slakken waaronder Anentome helena, een kannibalistische slak waarover je ook al in Aquariumwereld kon lezen. Zo speciaal als deze garnalen zijn, zijn en blijven echter ook de prijzen. Deze varieerden tussen 2 en 50 euro het stuk (!) vertelde men mij. Voor tomaatgarnaal blijf je dan ook best bij onze “grijze”.
Op naar de eigenlijke tentoonstelling. Wat me meteen opviel was dat enkele aquariums troebel stonden, wat altijd spijtig is natuurlijk op een tentoonstelling. Toen ik de voorzitter hierover aansprak, bleek er echter alles aan gedaan te zijn, zelfs een diatomeeën filter was erbij gehaald, maar niets hielp vertelde hij. Voor enkele tentoonstellers werd het, nog steeds volgens de voorzitter, zelfs een les in filteren. Velen hadden, tot zijn verbazing (en eigenlijk ook die van mij), nog nooit van een filter gehoord dat werkt met diatomeeënzand. Men reist dus niet enkel om te leren, met stelt ook tentoon om te leren en eigenlijk is dit inderdaad altijd zo, want je leert telkens iets bij van de anderen. Die enkele troebele aquariums buiten beschouwing gelaten, zag ik een mooie, zeer gevarieerde tentoonstelling waarin 40 deelnemers hun beste kunnen wereldkundig maakten. Mooie plantenaquariums, grote en kleine cichlidenaquariums uit alle werelddelen en meren, regenboogvissen, discussen en altums, diverse pantsermeervallen, een prachtig paludarium, enz... Wat me weer opviel was het hoge aantal zeewateraquariums in deze tentoonstelling, wat niet vanzelfsprekend is om daar mee tentoon te stellen. Het eerste zeewateraquarium was trouwens een “specialleke”. Doordat de zeewatergroep “Sabella” van Tanichthys 30 jaar bestond, had men daar 30 stuks Sabellastarte indica in ondergebracht.  Je kon over deze kokerwormen trouwens alles lezen in het mei nummer op blz. 149. Dat ook hun zeewatersymposium met meer dan 100 deelnemers voor de lezingen een succes was, valt niet te verbazen. Misschien is dit mede omdat er maar 3 echt grote zeewaterverenigingen in Vlaanderen zijn en zo’n symposium is dan ook een enige gelegenheid voor al die leden. Had ik al geschreven dat het er tijdens mijn rondgang ook gezellig druk was in de tentoonstellingsruimte en hun babbelbar met zicht op de tentoonstelling? Dat was dus ook zo...
Bleef de nano-tentoonstelling over, maar eerst met collega redacteur Germain Leys dringend de dorst lessen en even een leuke babbel slaan in de babbelbar. Voor mij met zicht op een groot publiciteitsbord van de bekende aquariumzaak Hustinx, hun hoofdsponsor voor dit Internationaal Aquariumtreffen. Het is fijn te vernemen dat handelaars en hobbyisten elkaar weten te vinden voor zo’n mega evenement, want dit  is een win-win situatie voor beiden, maar vooral ook voor de aquaristiek.
De nano-tentoonstelling, met wedstrijd, levert altijd topprestaties op en dat was hier niet anders. 20 zeer gevarieerde bakjes, allemaal van een identieke grootte, waaronder toch ook weer enkele met zeewater, toonden duidelijk wat nano-aquariumhouden vandaag inhoudt. Enkele zeer speciale, zeldzame planten, minuscule (ook zeldzame) visjes, weer prachtige garnalen: je kon het er allemaal zien. Aan het symposium zelf heb ik geen deel kunnen nemen en daar laat ik graag een andere redacteur van onze redactie over aan het woord, maar ik heb ten zeerste genoten van heel dit mega tentoonstellingsgebeuren. Nogmaals proficiat Tanichthys!
  BBAT-informatief 302
  VOEDSELGIDS Groenvoer, spinazie
 
Top   Brood