Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 66 - 2013
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 66 – Nr. 11 - November 2013
 
ISSN 1372-6501

Foto:Gonzola Jara
Parambassis ranga
Jacques Roelandts
306
De tegenwoordig als Pseudambassis ranga genaamde vis is bij de meeste liefhebbers nog steeds gekend onder de benaming Chanda ranga, de Indische glasbaars.
De familie der Ambassidae, waartoe de glasbaarzen behoren, werd na een herschikking van de systematiek door Greenwood, thans de familie Chandidae, een globale familie voor de Aziatische glasvissen.
In deze familie zijn de genera Ambassis, Chanda, Denariusa, Gymnochanda, Paradoxodacna, Parambassis, Pseudambassis en Tetracentrum ondergebracht, een totale herziening zoals u merkt.
De Chandidae maakt deel uit van de orde der Perciformes (baarsachtigen) die wordt gekenmerkt door fijn gekamde schubben, twee rugvinnen, verenigd of niet, waarvan de voorste ondersteund wordt door puntige vinstralen en een zwemblaas die niet communiceert met het darmkanaal.
Hoewel de systematiek erg belangrijk is, is in dit geval hier de vis op zich minstens even belangrijk, zo niet nog interessanter.
Pseudambassis ranga, de glasbaars, wordt soms wel eens “kristalvis” genoemd. Dit is werkelijk de weerspiegeling in het aquarium door een zwerm van deze kleine juweeltjes met hun transparante lichaam. Hun voorkomen is een en al finesse, een en al doorzichtigheid. Het is een lust voor het oog en een bijzonder esthetische bijdrage in een aquarium met hard water of in een aquarium met brak water. De optie “brak water” is een aquaristische specialiteit. Ze is de moeite waard omdat ze nieuwe mogelijkheden opent, weinig onderzocht en interessant is. Eigenlijk is Pseudambassis ranga op zichzelf al een interessante vis door het feit dat hij zowel kan worden gehouden in hard water met een alkalische zuurgraad (pH > 7) als in brak water.
Nauw verwante soorten, die soms worden ingevoerd, zijn: Parambassis wolffii (tot 20 cm in het wild en 10 cm in gevangenschap) zoet water, Thailand en Indonesië; Chanda agramma (7 cm) zoet water en brak, Australië; Ambassis ambassis (10 cm) zout- en brak water, Oost-Afrika, Rode Zee, Nieuw-Guinea en het noorden van Australië en Gymnochanda filamentosa (5 cm) stilstaand brak water, schiereiland Maleisië en Singapore. Deze laatste identificeert zich met verlengde vinstralen van de achterste rugvin en de anale vin.
Pseudambassis ranga is afkomstig uit het noordoosten van India, Bangladesh, Myanmar (Birma) en het westen van Thailand. Zijn habitat is voornamelijk gevestigd in de kustgebieden, in het zoet water en bijzonder in het brakke water van de estuaria, open lagunes, delta's en schorren. P. ranga blijkt niet aanwezig te zijn in de mangroves.
Het gaat hier dus om een “euryhaline” soort die een verandering van het zoutgehalte verdraagt.

 

Foto: Wilfried Van der Elst
Een eco-aquarium houden
Wilfried Van der Elst - Kardinaal Kapellen
314
Naast de “warme” vissen ben ik nu toch al een tiental jaar bezig met wat ik altijd noemde: “het onverwarmde woonkameraquarium” en een zekere Jan Klungers had nog een betere term: “vissen van de onderste plank”.
Echter de beste omschrijving las ik onlangs in een Duits magazine en dat was: “Eco-aquaristiek”.
Maar wat omhelst dit nu? Wel, eenvoudig gezegd: “Trek gewoon de stekker van je verwarmer uit het stopcontact”. Dit gezegd, komt nu de discussie; hoe warm of koud wordt nu je huiskameraquarium? Dat was voor mij ook een raadsel en ik wou dat wel eens weten.
Dus, de Tanganyika’s eruit en de heleboel terug gestart zonder verwarming. Ik dacht dat het niet zó veel kouder zou worden dan zo’n 23 à 24 °C en zoals elke aquariaan, suste ik mezelf dat de verwarmer maar zelden inschakelt, je kent dat wel.
Mijn huiskameraquarium, (een hoekbak met een achterruit van 2 m en een zijruit van 1,20 m) staat tegen buitenmuren, maar bij ons in de woonkamer is het toch niet snel koud te noemen.
Nu is het aquarium evenwel niet afgedicht door een lichtkap, wat natuurlijk wel scheelt in warmteverlies.
Toch was ik verrast vast te stellen dat de temperatuur in de winter terugvalt naar ca. 17 °C en in de zomer amper 24 °C bereikt. Dit had ik niet verwacht. Niet getreurd echter, zoals Johan Cruijff het al zei: ”Elk nadeel heb zijn voordeel.”
Ik begon toen een zoektocht naar gebieden en hun vissen die in dit temperatuurbereik liggen, en dat viel erg goed mee. Zo bleken de soorten die vooral de oudere aquarianen al kenden, een belangrijke doelgroep. Van Macropodus tot de Chinese danio en Jordanella floridae. Nu ben ik echt heel gek van oude aquariumliteratuur, dus heb ik die met plezier nog eens doorgebladerd. Geloof me vrij, met wat zoeken vind je heel wat, en ook het zoeken is eigenlijk gewoon de hobby, ja toch? De vissen vinden is een ander paar mouwen. Je vindt wel gemakkelijk paradijsvissen en Chinese danio’s, maar die komen dan meestal van commerciële kwekerijen en hebben nooit temperaturen onder de 22 à 23 °C meegemaakt. Het zijn dus echte watjes en koop je best in de zomer. Zo kunnen ze nadien rustig afkoelen.
Het eerste wat me opviel, is dat veel van die vissen véél mooier worden bij wat mindere temperaturen. Later zou ik ook zien dat vele hoogland ei-levendbarenden veel forser en groter worden als je ze een koele periode laat doormaken. Wat ik toch wat raar vond, want normaal is de regel: “des te warmer, des te groter ze worden”. Bij darters (Etheostoma-soorten) is het zelfs nog erger, die krijg je bijna niet dik gevoederd in water van 23 à 24 °C.
Door er met andere aquarianen over te praten, kwam ik bij zeer interessante liefhebbers terecht. Er blijken hier en daar echt wel zeer fanatieke liefhebbers te zijn van dit genre. Zo leerde ik een killi-man kennen die helemaal gespecialiseerd was in Aphanius-soorten. Op het jaarlijkse killi-congres (een echte aanrader!) kon ik ook wat soorten vastkrijgen. Een hele leuke was Aphanius mento. Dit zijn wel heel dappere kereltjes. Na 2 jaar had ik er zo veel, dat ik besloot om er wat in één van mijn vijvers los te laten. Dit bleek een echt succes. Je zag de gitzwarte mannetjes met mekaar duelleren en ze plantten zich massaal voort. Alleen ... de winter 2009-2010 was fataal. Ondertussen ben ik terug aan 5 dieren geraakt en zo hoop ik weer een populatie  bij elkaar te kweken.
Daar bleef het echter niet bij. Ook buiten ging je sporen zien van mijn Eco-aquaristiek. Achter in de tuin verschenen plastic kuipen, variërend in grootte van 60 tot 200 l. Dit werd het zomerverblijf. In maart-april, een beetje afhankelijk van het weer, verhuizen de vissen van mijn aquariumkamer naar de bakken buiten. Dit gaat natuurlijk niet snel-snel, maar geleidelijk. De vissen gaan nog voor een paar dagen in transit in de garage en op een mooie, wat warmere, voorjaarsdag gaan ze in hun zomerverblijf. Dit loont enorm. Op een paar dagen zie je de vissen zo veranderen. De kleuren worden intenser, het gewone rondzwemmen verandert in foerageren. In de bakken begint zich dan aan de zijkanten wat alg te vormen waar de vissen heel de tijd in zitten te zoeken, ook de oppervlakte wordt nauwlettend in het oog gehouden. Insecten die in het water vallen, worden direct opgegeten; muggen die wat laag komen om eitjes af te zetten vertellen het ook niet meer verder. Kortom, onze aquariumgasten proeven terug de wilde natuur. Met een beetje geluk kan men na een paar weken al de eerste jongen waarnemen. Soms met verrassende resultaten.


 

Foto:Rik Verhulst
Van kant-en-klaar winkelaquarium tot optimaal plantenaquarium
Rik Verhulst - Exotica Roeselare
320
Meer en meer vindt men in aquariumzaken mooie kant en klare aquaria, al of niet op een mooi afgewerkt meubel geplaatst. Meestal zijn deze aquaria voorzien van een ingebouwd filtercompartiment en van een lichtkap in het deksel. Als plantenfanaat stel je, je dan de vraag: “Is het mogelijk om een mooi plantenaquarium te realiseren met een standaard winkelaquarium?” Het antwoord is eenvoudig: “Natuurlijk!”. Het is de voorgaande jaren mogelijk geweest, waarom zou het nu dan niet meer kunnen?
De grootste beperking aan een winkelaquarium is voor de meest aangeboden types het geringe lichtaanbod. Men moet meestal genoegen nemen met één of twee TL-lampen waar dan in vele gevallen nog niet eens een reflector boven aangebracht is. Voor de plantsoorten die met minder licht tevreden zijn, kan dit volstaan. Dat zijn de soorten die al vele jaren bewezen hebben om met minder licht ook te willen groeien en die bij de meeste liefhebbers wel bekend zijn. De gemakkelijkste zijn de mossoorten, echinodorussen en crypto’s. Iets moeilijker zijn de rotala’s, ludwigia’s, bacopa’s en Amania, maar uiteraard nog vele andere. Omdat “licht” de eerste en belangrijkste parameter is om planten te doen groeien is plantengroei in schaars verlichte aquaria dan ook niet echt optimaal, maar in vele gevallen net voldoende om mooie en gezonde planten te verkrijgen. Een tragere groei betekent dus ook een kleiner verbruik van voedingsstoffen, men dient hier dus zeker rekening mee te houden. Met voedingsstoffen bedoel ik nitraat, fosfaat, alle nodige sporenelementen, CO2, enz… Nu hoort de ervaren generatie aquarianen, lees ouderen, het donderen in Keulen.
Nitraat en fosfaat staan voor velen nog steeds als probleemstof aangekruist, maar dit zijn wel degelijk levensnoodzakelijke elementen, zonder deze kunnen planten niet groeien! In sommige aquaria zijn deze stoffen schijnbaar niet aanwezig omdat men bij het testen steeds 0 als waarde aantreft, ze worden echter wel degelijk gevormd door resten voeder en uitwerpselen, maar worden door de planten meteen verwerkt. Door het mindere voedingsverbruik van de planten gebeurt het in een drukker bevolkt aquarium wel dat nitraat en fosfaat overmatig aanwezig zijn, deze moeten dan wekelijks door bv. waterverversingen gereduceerd worden tot een aanvaardbare waarde, maar moeten steeds meetbaar aanwezig zijn.
CO2 wordt ook op natuurlijke wijze gevormd door de vissen, uitwerpselen, bacteriën, enz… De hoeveelheid natuurlijke CO2 kan in schaars verlichte aquaria ook net voldoende zijn. Voor een gezonde plantengroei is de beschikbaarheid van ALLE nodige voedingselementen vereist, is er ééntje niet voldoende aanwezig, dan wordt de plantengroei door deze ene beperking afgeremd of zelfs tot stilstand gebracht. Het gebruik van een voedingsbodem kan in dit type aquarium nuttig zijn omdat de meeste bruikbare planten trager groeien bij een lager lichtaanbod en dus tijd hebben om een wortelgestel op te bouwen dat in een voedingsbodem de nodige stoffen kan gaan ophalen. Vloeibare meststoffen zijn echter handiger in gebruik mits deze dan ook op de juiste wijze gebruikt worden.
Wil men echter zo veel mogelijk prachtig glanzende planten, dan moet men er voor zorgen dat ze sneller groeien zodat er meer mooie jonge bladeren gevormd worden. Een jong blad is meestal veel mooier dan een ouder exemplaar waaraan al beschadigingen en verkleuringen te merken zijn, zoals dit ook in andere levensvormen soms duidelijk merkbaar is.
 

Foto: Gert Eggink
LED-lampen boven ons zeeaquarium: zijn zij (en wij) er klaar voor? Deel 2
Gert Eggink
328

In deel 1 hadden we het over de theorie, een cursus “licht” als het ware. In deel 2 hebben we het over de praktijk van led-lampen voor onze aquaria en de ervaringen die ik ermee kon opdoen.

1e generatie led-armaturen
Sinds een aantal jaar zijn er producenten die led-armaturen in de handel brengen speciaal voor de (zee)aquariaan. In de beginjaren waren dat armaturen met rode, groene en blauwe led’s. Deze worden nu nog steeds te koop aangeboden, maar de hoeveelheid licht die daar uit komt, is voor ons zeeaquarianen vaak te weinig en de keur is vaak te rood. Ze worden wel gebruikt voor zoetwateraquaria.

Led’s in TL-vorm
Daarnaast zijn er ook armaturen in de handel in de vorm van T5-buizen. Die zijn dusdanig gebouwd dat men ze probleemloos in de bestaande T5-armaturen kan zetten. Niet vergeten het voorschakelapparaat te verwijderen! Led’s hebben namelijk hun eigen elektronica (driver, de equivalent van het voorschakelapparaat bij T8, T5 en HQI). Deze typen zijn echter, vooral door de beperkte hoeveelheid licht die ze leveren, hooguit geschikt voor heel ondiepe aquaria of voor zoetwateraquaria.

2de generatie led-armaturen
In de grotere armaturen zijn de RGB-led’s al snel verdrongen door witte led’s, met een vermogen vanaf 1 W. Ook versies met 3 W led’s worden tegenwoordig al volop gebruikt. Dat biedt mogelijkheden, want er worden vaak grote aantallen led’s per armatuur gemonteerd. Het aantal is bijvoorbeeld 90, 120 of 180. Vaak worden er led’s van verschillende kleurtemperaturen gebruikt. Bij een 120 W armatuur kun je daarbij denken aan 40 stuks van 10.000 K, 40 stuks van 12.000 K en 40 stuks puur blauwe (25000 K of 460 nm). Omdat de lichtgroepen vaak apart kunnen worden geschakeld, biedt dat veel mogelijkheden.
Een paar jaar geleden was het dimmen nog geen standaardfunctionaliteit, maar dat is tegenwoordig ook veranderd. In de meeste nieuwe typen is dit standaard aanwezig.
Er is echter meer: ook exemplaren waarin led gecombineerd wordt met T5, zien we volop (zie foto). Om het helemaal compleet te maken: de computersturing wordt ook steeds geavanceerder. Er zijn al versies op de markt waarin zonsopkomst en –ondergang samen met een complete maancyclus op een realistische manier wordt nagebootst (inclusief de mogelijkheid om het zo nu en dan te laten onweren, bliksemflitsen incluis…).

Vormgeving
Dat de ene armatuur nog mooier is vormgegeven dan de andere, moge duidelijk zijn. Dat zal zeker voor mensen die een open aquarium hebben, waarbij het armatuur dus volledig in het zicht hangt, een rol spelen. Dit is echter een kwestie van smaak en het beïnvloedt de lichtkwaliteit en –hoeveelheid niet.
Ik wil hier in de context van deze tekst niet verder op ingaan.

In het navolgende wil ik ingaan op de technische en financiële consequenties van (overstappen op) led-verlichting.

Mogelijkheden
Een opsomming van wat er beschikbaar is, is per definitie verouderd in een zo sterk veranderende markt (er komen vele nieuwe led’s en armaturen per maand op de markt!). Dat ga ik dus ook niet doen. Zoek eens op het internet met als trefwoorden ”LED marine aquarium lighting” en je krijgt vele duizenden hits.
Wel wil ik kort een paar interessante ontwikkelingen opsommen.

  1. De combinatie van led’s en T5, zeker voor armaturen waarbij de led’s niet dimbaar zijn. (zie figuur 9). De T5- buis is vaak wel dimbaar (goedkoper) en dat maakt het toch mogelijk een mooie overgang van dag naar nacht en andersom na te bootsen.
  2. Modulaire systemen, waarbij het aantal armaturen eenvoudig uit te breiden is door ze aan elkaar te koppelen. Samen gebruiken ze dan één computersturing. Dat drukt niet enkel de kosten, het maakt het ook eenvoudig om het aantal armaturen geleidelijk uit te bouwen.
  3. Systemen waarbij led’s (of setjes van led’s) eenvoudig zijn te vervangen. Dat is namelijk in de meeste gevallen niet mogelijk. De led’s zitten meestal gesoldeerd op een warmtegeleidende plaat en eenmaal kapot, zijn ze niet zomaar te vervangen. Er zijn inmiddels producenten die daar op hebben ingespeeld door armaturen op de markt te brengen waarbij setjes van drie led’s vervangen kunnen worden, zonder het hele armatuur inclusief de elektronica te moeten vervangen.

Ten slotte voor velen de hamvraag: kan ik mijn aquarium met de huidige armaturen goed uitlichten en wat kost dat nu?

Om meteen maar een antwoord te geven op de eerste vraag: ja, dat is geen probleem en zal in toenemende mate kunnen, omdat de hoeveelheid licht per armatuur nog steeds stijgt, de prijzen dalen en het aanbod toeneemt. Wel is het zaak om voor de aanschaf goed na te gaan welke led’s er in het gewenste armatuur zitten. Let daarbij (net als bij andere lampen overigens!) op de kleurtemperatuur, de hoeveelheid licht en de eventuele mogelijkheid om te kunnen dimmen. Heel vaak zijn technische details van de gebruikte led’s op te vragen bij de leverancier of te vinden op de website van de producent (spectra, vermogens, bundeling, output in lumen, enz...). Met de gegevens uit het eerste deel van deze tekst in de hand weet je waar je op moet letten.

Foto: Eddy Vanvoorden
'n Dagje uit vissen met INBO
Eddy Vanvoorden - Tanichthys Hasselt
333
Het Internet is een interessant medium om gericht informatie op te zoeken. Soms heb je echter van die momenten dat je wat doelloos zit te surfen. Dat je, je laat leiden door bepaalde trefwoorden en plots op boeiende websites terecht komt. Enfin, ik heb dat toch en zo stootte ik eind maart op de site van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, kortweg INBO. Dit instituut doet op regelmatige tijdstippen op welbepaalde locaties in Vlaanderen “visbestandopnamen”. Meteen was mijn interesse gewekt!
Ik las enkele INBO-rapporten van de voorbije jaren door (die zijn vrij beschikbaar op het net) en zag in de planning dat op 29 maart gevist ging worden in de omgeving van Beringen. Dat wilde ik wel eens van nabij meemaken. Ik heb al gevist in de oerwouden van Maleisië, waarom dan niet eens vlak bij mij in de buurt? Het hoeft toch niet altijd “exotisch” te zijn, hé? Dus schreef ik een mailtje, met als ondertoon “ik loop toch niet in de weg als ik ’s langs zou komen”. Binnen de 24 uur kreeg ik een vriendelijk antwoord dat ik welkom was.
De Zwarte Beek te Beringen
Samen met de mail was een kaartje meegestuurd, met de verklaring dat vlak na de middag gevist zou worden op punt 66225200, op de Zwarte Beek ter hoogte van het natuurreservaat bij Hemelbrug. Het was een prachtige lentedag, niet te warm en niet te koud. En vooral: geen regen. De bestelwagen van het INBO werd snel gevonden en ik werd er opgewacht door projectleider Yves Maes. Hij legde me deskundig uit wat ik die dag mocht verwachten. Het team bestond uit drie vissers, die elkaar afwisselden. Yves en een vrouwelijke collega stonden in voor het opmeten van de gevangen vissen en de verwerking van het papierwerk. Dit gebeurde in de bestelwagen zelf.
Aan de beek werd intussen het vangstgedeelte afgebakend – ik schat over zo’n 100 m. Daarna werden de waterparameters opgemeten: zuurstofgehalte: 11,49 mg/l - 102,3 %; temperatuur: 9,6 °C; conductiviteit: 154,8 µS/cm; pH: 7,92; turbiditeit (troebelheid): 33,1. Dan konden de vissers te water gaan. Yves had me uitgelegd dat bij grote wateroppervlakken gewerkt werd met twee elektroden en een kabel. In de Zwarte Beek werd een draagbare elektrode, verbonden aan het vangnet, toegepast. Er werd zeer omzichtig tewerk gegaan. Zorgvuldig werden de bodem, de open zwemruimtes en de oevers afgespeurd met het vangnet. Op zoek naar enig teken van leven, om dan snel toe te slaan. Gevangen vissen werden in een draagbare rubber bak gedeponeerd, die door de tweede collega in het water werd meegedragen. geregeld werden deze bakken gewisseld, zodat de vissen snel konden opgemeten en gewogen worden. Kwestie van de traumatische ervaring en de stress tot het minimum te beperken. Eens gecatalogeerd, werden de vissen wat verder stroomafwaarts weer vrijgelaten.

Foto: Freddy Haerens
De redactie bezocht... Aquariana 2013
Freddy Haerens
336
We keken er al naar uit van op de Bondsdag van 25 mei ll. bij de Aquarianen Gent en eindelijk was het zover: de jubileumtentoonstelling werd op vrijdag 13 september voor geopend verklaard. Samen met mederedacteur Walter Van der Jeught en echtgenote Diane trokken mijn echtgenote en mijzelf met hoge verwachtingen naar de Arteveldestede.
We werden er, zoals altijd, zeer hartelijk ontvangen en meteen ondergedompeld in de wondere wereld van de vissen, kikkers en reptielen. Ooit gaf men in Brugge een dergelijke tentoonstelling als titel “De wondere wereld der stilte”, ik vond en vind dat nog altijd een juiste benaming. Want, zeg nu zelf, behalve het lawaai van de pomp, de luchtpomp en de uitstromer, maken onze lievelingen maar weinig kabaal. De kikkers niet te na gesproken, maar die heb ik nooit gehad, dus kan ik daar niet over meespreken.
Het begon al meteen met een blikvanger: een rond plexiglazen aquarium met piranha’s. Verder op de tentoonstelling waren hiervan nog een aantal uit de kluiten gewassen exemplaren te zien. Sinds mijn trip naar de Amazone, waar we zelf piranha’s aan de haak sloegen, heb je toch een andere kijk op die dieren. Het liefste nog hadden we ze toen gegrild of in bouillabaisse op ons bord! Hetzelfde dachten we toen we de enorme plecostomussen ontdekten, ook deze waren lekker in een soepje.
Zoals we bij de Aquarianen Gent verwachtten, waren er een aantal mooie cichlidenaquaria te zien. Het was al enige tijd geleden dat we tropheussen op een tentoonstelling zagen, maar hier waren ze wel te zien, mooie uitgegroeide Tropheus moorrii, de keizer moorrii. Het enorme doorkijkaquarium met Tilapia-soorten was eveneens de moeite waard, om niet te zwijgen over de prachtige gele leleupi’s, ooit ook in mijn aquarium de blikvangers. De vissen in het Malawi-aquarium hadden het ook naar hun zin, er zwom er zelfs al eentje rond met een nest eitjes (of jongen) in de bek.
Bedoeling van zo’n tentoonstelling, zeker een jubileumtentoonstelling, is in de eerste plaats te tonen tot wat de clubleden in staat zijn, maar anderzijds moet het ook voor de minder ervaren liefhebbers, aquarianen in wording of toevallige passanten, een beeld geven van wat er in een aquarium allemaal mogelijk is. Aquariana 2013 is in dat opzicht zeker geslaagd, want, naast heel wat vissen, zeg maar voor “gevorderden”, kwamen ook de meer populaire soorten aan bod: skalaren en zwaarddragers, daar moet je niet per se een aquariaan voor zijn om die te kennen.
We smaakten ook enkele minder gekende en mysterieuze vissen zoals bv. Kryptopterus bicirrhis, een glasmeerval uit de Indonesische archipel. Hoewel hij er erg fragiel uit ziet, is het geen “doetje” in het aquarium. Je kunt er beter geen vissen bij zetten die kleiner zijn dan hijzelf, ze worden als aangenaam voedsel aanzien!
Picasso was hier ook voorbij gekomen en had enkele regenboogvissen zijn signatuur meegegeven: Melanotaenia parkinsoni, echte blikvangers. Ik hoorde mensen zeggen: “Ge moet daar ne keer naar kijken”, maar dan in ’t Gents!
We zagen heel veel mooie uitgegroeide vissen, zoals bv. de schitterende Puntius denisonii, maar spijtig genoeg ook visjes die zó uit de winkel kwamen en eigenlijk nog niet representatief zijn voor de pracht van hun soort.
Het “nostalgiemuseum” gunde ons een kijkje op hoe het vroeger was, dan pas besef je hoe de techniek van het aquariumhouden geëvolueerd is. Kortom, een tentoonstelling die zeker de moeite was om de verplaatsing te maken!
  BBAT-informatief 338
  VOEDSELGIDS Voederballen
 
Top   Hoofdbestanddelen van de reptielenvoeding (1)