Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 66 - 2013
vorige maand  
   

 

Jaargang 66 – Nr. 12 - December 2013
 
ISSN 1372-6501

Foto:Jean Lambinon
Danio kyathit
Jean Lambinon - Aqua Fauna
342
Begin 2003 verschenen twee nieuwe Danio-soorten op de Belgische markt. De twee vissen hadden eigenlijk dezelfde vorm en grootte, enkel de tekening op het lichaam was niet dezelfde. De ene had horizontale strepen vanaf de kieuwdeksels tot aan de basis van de staartvin en de andere had ook horizontale strepen, maar deze lijnen waren niet continu en bestonden uit een veelheid van grove punten van verschillende grootte en min of meer ovaal. Vreemd hierbij was dat beide soorten dezelfde naam hadden "Danio kyathit." Beide vissen werden gedurende een paar maanden verkocht en verdwenen daarna weer van de markt.
Begin 2011 verschijnt in de handel opnieuw de vorm met horizontale strepen en heet nog altijd Danio kyathit. Ik gebruikte deze gelegenheid om drie paartjes te kopen.
Deze vis is geen mutant, noch het resultaat van enige manipulatie, maar hij komt geografisch voor in het noorden van Myanmar (Birma), meer bepaald in de samenvloeiing van de Irrawaddy en de Hpa Lap chaunq, ongeveer 16,5 km ten noorden van Myikyina in de staat Kachin.
Beschrijving
Deze soort behoort tot de familie der Cyprinidae. Onder handelaars wordt hij vaak verward met Danio rerio, omdat zijn kleur nog niet goed uitgesproken is en de prijs is iets hoger waardoor de klant de D. rerio koopt. In het Luikse liggen de prijzen voor Danio rerio rond € 1,30 voor Danio kyathit: € 2,50. Zijn grootte is ongeveer 5 cm. Kleurpatroon: het bovenste deel is min of meer bruinachtig, vervolgens is er een horizontale blauwe band vanaf de kieuwbasis over gans het lichaam tot in de staartvin; een tweede lijn loopt parallel aan de eerste en ook tot in de staartvin, maar is gegolfd aan de voorkant van het lichaam. Een derde band, van dezelfde kleur en altijd evenwijdig aan de eerste twee, heeft aan de voorkant onregelmatige punten. Tussen de lijnen en de buikpartij is de kleur roze. De staartvin is rood met drie blauwe lijnen die de voortzetting zijn van de banden op het lichaam. De buikvin is transparant met een rode band, de aarsvin is gedeeltelijk rood met een blauwe horizontale streep; de rugvin is helemaal rood met in het midden een horizontale blauwe streep. De mannetjes zijn slanker en kleurrijker dan de vrouwtjes die struiser zijn en waarvan de langsbanden aan de voorzijde uit grote stippen bestaan, de vinnen zijn rood in plaats van oranje. Opgelet! Ik had dit jaar het geluk volwassen en goed gekleurde exemplaren te kunnen kopen, die snel verkocht werden. Bij de volgende levering waren de vissen jonger en kleiner, de kleur rood was vrijwel niet te zien.
Uit de ervaring bij het kopen van de vissen in 2003 blijkt dat de rode kleur pas verschijnt op de leeftijd van ongeveer één jaar (echter moeilijk te zeggen, omdat ik de leeftijd van de vissen bij de aankoop niet ken).

 

Foto: Rudolf Pohlmann
Aphyosemion pamaense
J-F Agnèse & Olivier Legros
348
Vooraf
Patrick Loosveldt meldde onlangs de beschrijving van een nieuwe killi-soort in Zootaxa 3670 (4): 516–530, dit met de medewerking van Olivier Legros, een Belgische killi-liefhebber. Voor de redactie voldoende om hier aandacht aan te besteden.
Nous sommes très reconnaissant au Dr. ès sc. Jean-François Agnèse et Olivier Legros pour la permission d’utiliser leurs publications sur cette nouvelle espèce, ainsi qu’à Mr. Rudolf Pohlmann qui nous a mis à disposition ces photos.
Bijgaand artikel is een compilatie en vrije vertaling van de beschrijving van deze nieuwe soort door beide heren.
Inleiding
Tandkarpers (Nothobranchiidae) behorend tot het genus Aphyosemion Myers, 1924 komen voor in kleine rivieren en zoet water stroompjes in tropisch tot equatoriaal Afrika, van Togo tot de Democratische Republiek Congo. Dit genus telt meer dan 90 soorten die kunnen gegroepeerd worden in monophyletische clusters. Eén van deze clusters, lang erkend als de “bivittatum groep” is nu beschreven als het sub-genus Chromaphyosemion, Rada, 1971. Deze vissen kunnen gemakkelijk onderscheiden worden van alle andere Aphyosemion-soorten door verscheidene kenmerken, waaronder bv. de aanwezigheid van twee donkere, laterale banden bij beide seksen en de mogelijkheid bij mannetjes om snel van kleur te veranderen naargelang stresssituaties of hun hiërarchische status in de groep.
Deze karakteristeken brachten diverse auteurs ertoe om Chromaphyosemion als een afzonderlijk genus aan te zien (Legros et al., 2005; Sonnenberg, 2000, 2007a,b; Völker, 2006). Agnèse et al. (2006) en Collier (2006) toonden aan dat Chromaphyosemion een monophyletische groep is, maar nog steeds dient beschouwd te worden als een subgenus van Aphyosemion tot een volledige revisie van het genus heeft plaatsgevonden.
Binnen Chromaphyosemion is het niet altijd gemakkelijk de soorten te onderscheiden, omdat tussen hen geen telbare verschillen bestaan in de structuren. Soorten worden enkel onderscheiden door de kleuren van de mannetjes en soms ook bij de vrouwtjes. Recent gebruik van DNA-onderzoek heeft ertoe bijgedragen vele taxonomische vragen op te lossen.
Vissen uit het subgenus Chromaphyosemion zijn verspreid van Togo tot Gabon, maar de meeste soorten (12 van de 18) worden in Kameroen gevonden.
Aphyosemion
(Chromaphyosemion) pamaense, sp. nov.

Aphyosemion pamaense sp. nov. is beschreven van de Pama rivier, een kleine zijrivier van de Nyong, in de omgeving van Pama, Kameroen. De nieuwe soort behoort tot het subgenus Chromaphyosemion, Radda, 1971 en onderscheidt zich van de andere soorten in deze groep door een combinatie van typische kenmerken: oranje; onpare vinnen; een anale vin zonder stippen; een oranje keel en purperen tot blauw-grijze flanken. De nieuwe soort onderscheidt zich ook op genetisch vlak van de andere Chromaphyosemion-soorten.
De vissen werden ontdekt in Kameroen door Agnèse, Brummet en Kornobis op 22 januari 2007 ten oosten van Pama, op de weg van Bela die leidt naar Kribi (station ABK 07-163), in een beekje dat de piste dwarst. De populatie ABK 07-163 werd verdeeld onder de verkeerde benaming "Bela ADK 07-163" omdat de verzamelaars dachten dat de locatie zich in de omgeving van Bela bevond. De GPS-gegevens lieten echter toe om het station te situeren net ten oosten van Pama en deze stam had dus "Pama ABK 07-163" moeten genoemd worden.
Het vangstation, ontdekt in 2007, werd bezocht door Agnèse, Brummett en Lambert in 2008 (ABL 08-200), door Agnèse, Dening en Kornobis in 2009 (ADK 09-295), door Agnèse, Dening en Kayoum in 2010 (ADK 10 - 323) om exemplaren te verzamelen uit de standaard serie, en door Aubin, Dening, Gimenez en Penaud in 2011 (ADGP 11-18).
Beschrijving
De kleur wordt perfect weergegeven in de foto’s van Rudolf Pohlmann.
De mannetjes worden ca. 4,5 cm groot. Het voorste deel van het lichaam is, van de onderkaak tot de buikvinnen, oranje. Deze verkleuring vervaagt aan het begin van de anale vin. De onderlip is blauwachtig, het gebied onder de ogen is blauwpaars met een dunne, rode horizontale lijn. De kieuwvlek is nauwelijks zichtbaar, omdat door drie schuine en golvende, rode lijnen, net achter het oog. De flanken zijn blauwgrijs, blauw of paars, afhankelijk van de stemming van de vis of de lichtintensiteit.
In de rugzone zijn er twee rijen rode schubben van het kieuwdeksel tot de staartwortel, op een gele, helder oranje achtergrond. Op de flanken lopen twee andere, minder zichtbare, rode lijnen vanuit het kieuwdeksel naar het midden van het lichaam. De buikzijde dicht bij de staartwortel wordt onderstreept met twaalf of dertien rode stippen. De rugvin heeft een oranje centrum op een groenachtige achtergrond. Er zijn rijen van karmijnrode vlekken tussen de vinstralen, dicht bij de randen, vooral zichtbaar bij de top van de achterzijde. De aarsvin is intens oranje zonder vlekken, met een blauwe marginale band en een rode submarginale band, afgezoomd met een zeer fijne, geelgroene rand. De achtergrond van de staart is geelgroen, soms blauw. Bij de volwassen exemplaren zijn de bovenste en onderste staartlobben oranje. Zeer lange, rode, kleine strepen zijn zichtbaar vanaf de staartvinbasis tot de randen. Vier tot vijf rode vlekken zijn nauwelijks zichtbaar aan de staartwortel. Een submarginale rode band en een blauwe marginale band zijn aanwezig op de lagere zijkant. De toppen van de verlengde ongepaarde vinnen zijn oranjegeel. De borstvinnen zijn doorzichtig met blauwwitte reflecties op de randen. Het kleurpatroon van de borstvinnen is identiek aan die van de anaalvinnen, een oranje achtergrond met een rode submarginale band en een blauwe marginale band. De twee donkere laterale strepen, typisch voor het genus, worden zelden gezien bij mannen van deze soort. De vrouwtjes zijn iets kleiner en worden 3,5 à 4 cm groot. Het lichaam is bruinachtig met vijf of zes rijen rode stippen van achter het kieuwdeksel tot de staartwortel. De buikzone is oranjeroze met blauwgrijze reflecties aan de zijkanten. Drie rode en schuine golvende lijnen zijn zichtbaar bij het kieuwdeksel. De onderkaak is blauwgrijs. Er is een rode lijn onder het oog. De rugvin is geelgroen met lijnen van rode stippen tussen de stralen. De aarsvin is blauwachtig met geelgroene reflecties in het voorste deel, drie à vier rode puntjes zijn nauwelijks zichtbaar. De staartvin is grijsblauw met zes of zeven kleine, rode strepen op het middelste gedeelte van de vin, van de staartvinbasis naar de randen. Het dorsale gedeelte heeft zes rijen rode vlekken tussen de stralen. Het ventrale deel, is geelachtig en zonder vlekken. De borstvinnen zijn doorzichtig, met blauwe, witte reflecties op de randen.


 

Foto:Romain Van Lysebettens
Thysochromis ansorgii
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
352
Zoals dikwijls liep de naamgeving van deze vis niet van een leien dakje. Boulenger beet in 1901 de spits af met Pelmatochromis ansorgii. Thys van den Oudenaerde reviseerde het genus en stelde vast dat Pelmatochromis arnoldi en Pelmatochromis annectens juniorsynoniemen waren. Bij een volgende revisie in 1972 oordeelde Loiselle dat de soort niet meer in Pelmatochromis thuishoorde maar in het nieuwe, door hen ter ere van Thys van den Oudenaerde opgestelde, genus Thysia. Nog was de kous niet af want in 1988 stelde de Fransman Jacques Daget vast dat deze naam al toebehoorde aan een genus kevers. Dus stelde hij in vervanging Thysochromis voor.
De betekenis van Thysochromis is mijns inziens in de voorgaande alinea al verklaard. De soortnaam ansorgii verwijst naar Ansorge.
Nu is het tijd om eens te gaan kijken naar de heimat van de soort. Zoals u merkt op de kaart, betreft het hier de kustgebieden van tropisch West-Afrika en daarin dan voornamelijk de plaatselijke wouden van het midden van de Ivoorkust tot West-Ghana en Zuidwest–Dahomey, tot Oost-Nigeria. Naast de wouden komen ook de ondiepe kustlagunes in aanmerking. Uit het laatste blijkt dat ze niet bang zijn voor brak water.
Sommige liefhebbers doen daarom een weinig zout in het aquarium. In de natuur blijkt hun verblijf in de lagunes veeleer tijdelijk en om te paren zullen ze het zoet water opzoeken. Laat dus beter de zoutbus maar in de keuken of gebruik ze om sneeuw te ruimen.
In tegenstelling tot vertegenwoordigers uit dezelfde familie, hebben we hier te maken met een veeleer rustige en vreedzame cichlide. Tijdens de paartijd willen ze wel eens de bodem omwoelen. Daarbij ontzien zij meestal wel de planten. Indien de planten het uitzicht vanuit hun territorium of het graven van nestkuilen belemmeren, dan worden ze wel even geruimd. Oudere exemplaren willen wel eens zonder kleerscheuren een partijtje trekkebekken. De geslachten zijn vrij gemakkelijk te onderscheiden. De man bereikt een lengte tot 13 cm terwijl zijn eega met 10 cm tevreden moet zijn. Haar rug- en aarsvin zijn minder lang en afgerond. Volwassen vrouwtjes bezitten juist voor de genitale opening enkele glinsterende schubben die wellicht een signaal vormen voor bereidheid tot paren. Haar kleuren zijn minder intensief buiten de paartijd al is de buikpartij steeds roze tot rood. Beide hun basiskleur verloopt van geelgroen tot geelgrijs. In de lengte vertonen ze zes zwarte vlekken en op de kieuwdeksels een gouden.
Dat de biotoop van herkomst en het er voorkomend voedselaanbod bij hun kleur een rol speelt, is wel duidelijk. Ook hun stemming en het soort lampen in de lichtkap zijn een belangrijke factor.
Ze voelen zich thuis in een groot aquarium (minstens 1,20 m) met een weelderige rand- en achtergrondbeplanting.
 

Foto: Arend van den Nieuwenhuizen
Marisa cornuarietis
Johan Keulemans - Pristella Schoten
356
Slakken in het aquarium, wie heeft ze niet? Meestal heb je ze “gratis” meegekregen met de planten in de winkel, op een beurs of van een liefhebber. Het gaat dan gewoonlijk om de meest gekende soorten, de posthoornslak (Planorbarius corneus), de poelslak (Lymnaea sp.) en de torenslak (Melanoides tuberculata). De meeste liefhebbers kunnen er mee leven, anderen vinden het een plaag en enkelen zijn er door gecharmeerd, gefascineerd en vinden het wel eens iets anders. Als je dan al eens gaat kijken welke slakken je kunt kopen, is de keuze spijtig genoeg beperkt. Meestal blijft het bij de bekende appelslakken.
De appelslakken behoren tot de familie van de Ampullariidae. Deze familie bestaat uit 8 genera. De genera Afropomus, Lanistes en Saulea vinden we terug in Afrika. Het genus Pila treft men zowel in Afrika als in Azië aan. Uit Zuid- en Centraal-Amerika komen de genera Asolene, Felipponea, Marisa en Pomacea. Zoals je ziet komt de naam van Ampullarius niet voor, doordat deze naam, door de herziening van de Ampullariidae, als ongeldig wordt beschouwd.
De meest bekende en bewust gehouden is de “gewone” appelslak Pomacea bridgesii, de vroegere Ampullarius. Waarvan de gouden vorm dan weer op meer waardering kan rekenen dan de wildvorm.
Af en toe ziet men in de aquariumwinkels ook wel eens een waterslak die wat betreft vorm zeer sterk lijkt op een grote posthoornslak. Door haar vorm wordt ze meestal ook niet als een appelslak aanzien, ondanks dat ze tot de familie behoort. Als men deze dieren echter iets beter bestudeert, ziet men dat ook deze slak de zo typische sifon heeft, zoals de bekende appelslak, als ze lucht komt halen. Het gaat hier dan over Marisa cornuarietis.
Marisa cornuarietis is oorspronkelijk afkomstig uit Zuid-Amerika, maar zijn door hun mooie uiterlijk op verschillende plaatsen uitgezet, zodat ze nu ook voorkomen in het zuiden van de Verenigde Staten. Het slakkenhuis heeft een diameter van ongeveer 5 cm en is donkergeel met donkerbruine banden. Het aantal bruine banden kan variëren van 3 tot 6. Er bestaat ook al een gouden vorm waarbij de bruine banden volledig afwezig zijn. Het slakkenhuis kan afgesloten worden met een klep, het zogenaamde operculum. De voet van het slakkenlichaam is mooi getekend met een zachte marmertekening.
Appelslakken hebben voor hun ademhaling een combinatie van een long en kieuwen. Als de waterconditie goed is, gebruiken ze hun kieuwen en indien er minder zuurstof in het water is, gebruiken ze hun long. Buiten de combinatie van de long en kieuwen beschikken zij ook over een uitstulpbare sifon of ademhalingsbuis. Deze ademhalingsbuis is bij Marisa echter veel korter dan bij de bekende appelslak. Deze ademhalingsbuis steken de slakken juist boven het wateroppervlak en zo verversen de slakken de lucht van de longen. Door dit te doen, moeten zij niet volledig tot aan het wateroppervlak komen en zo zijn ze beter beschermd tegen belagers van boven het water.
Voor het kweken van Marisa en andere appelslakken moet men er voor zorgen dat men een mannetje en een vrouwtje heeft. Ze zijn dus niet hermafrodiet zoals de meeste andere slakken. Het vaststellen van de geslachten is niet altijd zo eenvoudig. Men moet dan de slakkenvoet bekijken, de mannetjes hebben een spitsere voet dan de vrouwtjes dewelke een rondere voet hebben. Eenvoudiger is het om een groepje slakken bij elkaar te zetten. Zo heb je meer kans dat je beide geslachten bij elkaar hebt en dan is het afwachten tot de eieren afgezet worden. De voortplanting van deze slakken is anders dan bij Pomacea bridgesii. Marisa zet de eieren af onder water, op stenen, hout, luchtdarm, enz., in een geleiachtige substantie. Na een 2-tal weken komen de eieren uit. De jonge slakken zijn dan een 2 à 4 mm groot en gaan direct op zoek naar voedsel.
Het belangrijkste bij de waterkwaliteit is de hardheid, omdat ze hun schelp opbouwen uit calciumkristallen. Daarom moet men er voor zorgen dat de hardheid niet te laag is, anders krijgen de dieren een dunne schelp en, in de ergste gevallen, komen er gaten in de schelp. Voor de rest moet men natuurlijk op tijd en stond water verversen, zoals men dat in ieder aquarium doet. De temperatuur van het water kan men het best houden tussen 20 en 28 °C. Als je de slakken in een aquarium zet met vissen, moet je er wel opletten dat de vissen zich niet aan de slakken vergrijpen. Nogal wat vissen hebben de gewoonte om naar de voelsprieten of de ademhalingsbuis te bijten. Daardoor worden ze schuw en zullen ze zich in hun schelp terug trekken, zodat het lijkt alsof ze dood zijn. Een altijd stilliggende slak is nu ook niet direct iets dat aanspreekt. Dus het gezelschap zeker goed uitkiezen en in het begin in het oog houden. Slakkenetende vissen zoals botia’s en tetraodons moet je er natuurlijk sowieso niet bij zetten. Een alternatief is natuurlijk om ze in een speciaalaquarium te plaatsen.
Het enige probleem bij Marisa is dat ze waterplanten op hun menu staan hebben, waardoor je ze best niet in een beplant aquarium kunt zetten. Verder eten ze voedselresten, algen, voedseltabletten, dode vissen, komkommer, witloof, sla, enz...
Omdat ze geen visje kwaad doen, zijn het ideale dieren om in kweekbakken, als de eieren uitgekomen zijn, en uitzwemmers te plaatsen. Ze eten dan alle overtollige voedsel op, zodat dit niet kan rotten. Dus als je eens een andere slak in het aquarium wilt, weet je welke je kunt kiezen.

Foto: Ab Ras
Beauty or beast?
Ab Ras
360
Een aparte tekst zou u zeggen of gaat dit over een sprookje? Een sprookje is het zeker niet, veeleer een nachtmerrie in het Caribische gebied. Het is de inleiding van een workshop die wordt gegeven bij CIEE te Bonaire.
Maar laten we aan het begin van mijn verhaal beginnen. Enkele jaren geleden was ik voor een duikvakantie in Egypte. Daar, meestal in de schemering, kwamen we de koraalduivel, Pterois volitans, tegen die op jacht was naar veelal kleine vissen. Vanuit het rif, waar ze zich overdag meestal schuil houden, komen ze geruisloos aanzwemmen en begeven zich tussen de scholen met o.a. het blauwgroen juffertje, Chromis viridis, en de rode vlagbaars, Pseudanthias squamipinnis. Ook andere juffertjes en/of kleine vissen bevinden zich tussen deze massa op het rif.
De koraalduivel is een stille killer en hier en daar zuigt hij een slachtoffer naar binnen. Dat gaat zo verbluffend snel dat de andere vissen dit amper in de gaten hebben en rustig blijven waar ze zijn.
De koraalduivel, voor sommigen beter bekend als “Lion Fish”, is werkelijk prachtig om te zien. Met zijn uitgestrekte vinstralen drijft hij zijn prooi langzaam voor zich uit, totdat die nergens anders meer heen kan, om vervolgens ten prooi te vallen. De koraalduivel staat ook bekend om zijn giftige stekels. Dit maakt het dat je de vissen weinig tegenkomt bij particulieren. De kans op een vervelende steek doet de meeste liefhebbers besluiten om toch maar af te zien van deze prachtige rover.
CIEE
De koraalduivel is endemisch voor de omgeving van de Rode Zee en de Indonesische archipel, maar niet voor het Caribische gebied. Tijdens de inmiddels vele duiken bij Bonaire ben ik ze geregeld tegengekomen. Vreemd, want ze horen hier helemaal niet thuis. Mijn nieuwsgierigheid zette mij er toe aan om wat onderzoek te doen naar deze ongewenste verschijning. Mijn oog viel vorig jaar al op een onderzoekslaboratorium genaamd CIEE (Council on International Education Exchange). De scepter wordt daar gezwaaid door Dr.  Rita Peachey. Ik heb een afspraak gemaakt en later die week werd ik ontvangen.
STINAPA
Het laboratorium wordt gebruikt door studenten afkomstig van verschillende universiteiten uit de gehele wereld. Daar lopen ze stage of voltooien ze hun studie d.m.v. een proefschrift. Ik werd door Dr. Peachey voorgesteld aan studente Fadilah Ali (Ph. D. student aan de universiteit van Southampton en afkomstig uit Trinidad, Tobago).  Zij heeft er een specialiteit van gemaakt om zich te verdiepen in de problematiek van de “Lion Fish” (koraalduivel). Samen met STINAPA (Stichting Nationaal Park) Bonaire proberen ze het probleem met de invasie van de Lion Fish een halt toe te roepen. STINAPA is de stichting die het natuurgebied in en rond Bonaire beschermt. Kort samengevat: Bonaire is een beschermd natuurgebied wat schitterend is zowel onder als boven water. Ze doen er alles aan om dit zo te houden.
Invasie
In 1995 is er iets misgegaan wat er voor heeft gezorgd dat de Lion Fish in het Caribische gebied is terecht gekomen. Verschillende scenario’s bestaan hierover. Zo zou het kunnen zijn dat een tornado flink wat schade heeft aangericht in de buurt van Miami, er een aquarium is lek geraakt en de vissen in zee terecht zijn gekomen. Een andere theorie is dat bevruchte eitjes zijn meegenomen in het ballastwater van schepen dat vervolgens in het Caribische gebied weer uit het schip zou zijn gepompt (iets wat bijvoorbeeld ook met de ons inmiddels bekende wolhandkrab zou zijn gebeurd). De honderden eitjes hebben zich ontwikkeld tot het nu huidige, bijna rampzalige, resultaat. Hoe het ook gebeurd is, het feit blijft dat het een serieuze bedreiging is voor het gehele ecosysteem van het eiland.
     
  BBAT-informatief 368
  VOEDSELGIDS Hoofdbestanddelen van de reptielenvoeding (2)
 
Top