Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 67 - 2014
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 67 – Nr. 3 - Maart 2014
 
ISSN 1372-6501

Foto:Guido Lurquin
Myxocyprinus asiaticus sinensis, de Chinese zuigkarper
Guido Lurquin - Siervis Leuven vzw
074
Over deze “vaandeldragers” is weinig informatie te vinden in de meeste boeken en dat is begrijpelijk als men weet dat eerste exemplaren pas in 1990 ingevoerd werden in het Westen. Courant verkrijgbaar zijn ze ook niet, deze echt opvallend gevormde en gekleurde vissen.
Als men ze zo in een aquarium ziet rusten op hun vinnen, zou men kunnen denken dat het hier gaat om een of andere vorm van “genetische manipulatie”. Toch is dat niet het geval. Ze komen wel degelijk in het wild voor in het Verre Oosten. Deze meest verkochte ondersoort leeft in het wild in meren in Japan. Andere ondersoorten leven in China. Het zijn Myxocyprinus asiaticus asiaticus en Myxocyprinus asiaticus fukiensis.
(Nvdr: samen met Myxocyprinus asiaticus sinensis blijken deze namen allemaal synoniemen te zijn van Myxocyprinus asiaticus.)


Zuigkarpers worden in het noordelijke deel van China “vetgemest” net als varkens. Dat gebeurt in netten die onder de in rivieren staande paalwoningen hangen.

Chinese zuigkarpers hebben een erg ongewoon profiel. Hun gekromde ruglijn draagt een grote driehoekige rugvin. De buik is bijna plat. Terwijl de grondkleur van de soort zelf goudbruin is, kan men bij deze ondersoort die wordt gecommercialiseerd spreken van rozeachtig roestbruin. Drie brede, donkere dwarsbanden tekenen zich af. De achterste bedekt de korte staartwortel en de staartvin. Deze laatste is goed gespreid. De kop is klein, rozeachtig roestbruin en valt weg tegen de rest van het lichaam. Het geslachtsonderscheid is niet te zien bij jonge dieren. Paarrijpe mannetjes hebben rode zijden.

 

Foto: Arend van den Nieuwenhuizen
De familie der Poeciliidae
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw
078
Tot de familie Poecilliidae behoren een zeer groot aantal genera waarvan de meest gekende: Belonesox; Cnesterodon; Gambusia; Girardinus; Heterandria; Hylopanchax; Hypsopanchax; Lacustricola; Lamprichthys; Limia; Micropanchax; Micropoecilia; Pantanodon; Phallichthys; Phalloceros; Plataplochilus; Poecilia; Poeciliopsis; Poropanchax; Priapella; Procatopus en Xiphophorus. Het verschijningsbeeld van de vele genera is bij nagenoeg elk genus anders en dan binnen het genus is elke soort soms ook nog erg verschillend, wat deze familie meteen ook zo interessant maakt. Laten we ze eens even bekijken…
Men noemt deze visjes ook wel tandkarpers. Ze ontlenen die naam aan het feit dat zij uiterlijk wel op de karperachtigen lijken (in het klein dan) maar, in tegenstelling tot deze orde, kleine tandjes op de kaakranden dragen. Ze hebben alle ook nog de eigenschap gemeen dat ze één rugvin hebben die geen harde vinstralen heeft. Meestal is deze rugvin ook steeds voorbij het midden van de rug geplaatst.
Een andere eigenschap is dat de aarsvin van de mannetjes zich heeft ontwikkeld tot een copulatieorgaan (gonopodium), waarmee de vrouwtjes inwendig bevrucht worden. Een beetje zoals bij de mensen dus. Of het bij hen even leuk is, weet ik niet, maar de Nederlandse naam van eentje laat toch zo een en ander vermoeden. De bevruchte eieren ontwikkelen zich in de eierstokholte die bij bevruchte vrouwtjes tot de duidelijk herkenbare drachtigheidsvlek leidt die eigenlijk, eens ontstaan, bijna nooit meer verdwijnt. De jongen komen vlak voor, tijdens of vlak na de geboorte uit het ei. Het heet dan dat deze visjes ovovivipaar zijn, of dus ei-levendbarend. De term “levendbarend” is dus misleidend, want de jongen verlaten immers als ei het moederlichaam. Tijdens de geboorte echter, gaat dit ei onmiddellijk open en laat een volgroeid jong vrij. Dit laatste is zeker dan weer geen hulpeloze vislarve, maar meteen een echt klein tandkarpertje.
Bekijken we even de twee bekendste genera…

 

Foto: BBAT-archief
Zeoliet
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw
082

Toen ik met een algen- en fosfaatprobleem zat, raadde iemand mij aan “zeoliet” te gebruiken in mijn filter. Ik kende het niet en hiermee begon een zoektocht op het internet, waarvan ik jullie de resultaten niet wil onthouden. Temeer omdat ik het steeds meer hoor vernoemen in aquaristieke middens. Als ik dan telkens de vraag stel wat dit is, kwam daar nooit een bevredigend antwoord op. Op de vraag waar het dan goed voor is, wist iedereen wel iets op te sommen.
Zeoliet is een, 100% natuurlijk, vulkanisch mineraal. Dit mineraal is honderdduizenden jaren geleden ontstaan, doordat vulkanische aswolken terecht kwamen in zouthoudend water uit zeeën en meren. Door de interactie tussen het zout en het vulkanische as ontstond op de bodem van deze waters een soort kleilaag. Onder invloed van heet water, dat door de thermische activiteit van de aarde ontstond, veranderde deze kleilaag in een zacht poreus gesteente: zeoliet.
Natuurlijke zeolieten zijn er in vele soorten en kwaliteiten en worden op uitgebreide schaal gedolven op de vele vulkanische plaatsen ter wereld. Ze worden als ruw gewonnen grondstof gedolven en in diverse korrelgroottes "vermalen".
Er zijn, nu komt het, circa 45 verschillende soorten natuurlijke zeolieten erkend, waarvan de eigenschappen voor een groot deel afhankelijk zijn van de vindplaats, die de samenstelling en de kwaliteit bepaalt. Van alle natuurlijke zeolieten beschikt uitsluitend de soort clinoptiloliet-zeoliet die specifieke combinatie van eigenschappen, die er voor zorgen dat clinoptiloliet-zeoliet in een zéér breed gebied kan worden toegepast. Voor de aquaristiek is het dit dat je dus zou moeten hebben, omdat je van de andere de zeer specifieke eigenschappen zou moeten kennen om te weten of dat zeoliet bruikbaar is.
Er bestaan echter ook "synthetische" soorten zeoliet (gemodificeerd natuurlijk zeoliet), welke al jaren op commerciële basis worden vervaardigd voor speciale doeleinden. Ze worden gebruikt met name in de petrochemische industrie als katalysator en in de wasmiddelenindustrie als waterontharder, ter vervanging voor de milieu onvriendelijke fosfaten. Voor deze, op zeer grote schaal toegepaste, "synthetische-" zeolieten zijn dagelijks vele wetenschappers bezig met het optimaliseren van de specifieke eigenschappen. Of deze echter toepasbaar zijn in het aquarium is zeer de vraag en hangt dus van die specifieke eigenschappen af.
Natuurlijk zeoliet, ik heb het nu over clinoptiloliet-zeoliet, heeft haar zeer specifieke eigenschappen te danken aan haar driedimensionale kristallijne structuur. De driedimensionale kristallijne structuur is te vergelijken met een “honingraat”-structuur met vele “kanalen” en “holtes”. De inwendige oppervlakte van zeoliet is daardoor enorm en kan wel oplopen tot 450 m2/g! Weeral: iedere soort natuurlijk zeoliet heeft zijn eigen, karakteristieke, honingraatstructuur.
De "honingraat"-structuur van zeoliet bestaat uit een ruimtelijk rooster van siliciumionen en op sommige plaatsen aluminiumionen, die onderling door zuurstofatomen zijn verbonden. Aan de silicium- en de aluminiumionen heeft het kristal z'n hoge negatieve lading te danken. De verhouding Si/Al bepaalt de negatieve lading van het mineraal. Hoe meer siliciumionen (Si4+) vervangen zijn door aluminiumionen (Al3+) hoe hoger de negatieve lading van het kristal. Deze negatieve lading wordt geneutraliseerd door positieve ionen, die geen deel uitmaken van het kristal.
In natuurlijke zeolieten komen onder andere de mineralen Na+, Ca2+, K+, Mg2+ in de holtes voor om deze negatieve lading te neutraliseren. Bij clinoptiloliet is er K+, Na+, en Ca2+ geadsorbeerd. Doordat ze geen deel uitmaken van het kristalrooster, laten ze zich gemakkelijk vervangen door andere positieve ionen, bijvoorbeeld NH4+, Pb2+, Cd2+, Cu2+, Cs+.  Clinoptiloliet heeft een sterke affiniteit voor NH4+  (ammonium) en zal dit ammonium adsorberen en Na+, K+ en Ca2+  in de plaats afgeven.
Door de unieke samenstelling en structuur van clinoptiloliet heeft dit natuurlijk zeoliet dan ook zeer specifieke eigenschappen onder andere:

  • zeoliet werkt als een ionenwisselaar, een moleculaire zeef, een katalysator en een adsorbeerder;
  • zeoliet kan tot wel 70% van haar gewicht aan vloeistof (water, olie, e.d.) adsorberen (sponseffect);
  • Zeoliet bestaat voor circa 70% uit SiO2, ook wel bekend als kwarts;
  • zeoliet heeft het vermogen om allerlei onaangename (organische) geuren te adsorberen en te binden;
  • zeoliet heeft het vermogen om zware metalen (onder andere lood, zink, ijzer, mangaan, cadmium, nikkel) uit bodem, water en lucht te absorberen en te binden.
  • zeoliet heeft het vermogen om giftige- en schadelijke organische stoffen zoals fosfaten, nitraten, ammoniak, etc. uit bodem, water en lucht te adsorberen en te binden. Hier ligt dus eigenschap en de reden tot een mogelijke toepassing in het filterproces van de aquaristiek.
  • natuurlijke zeolieten blijken veilig te zijn voor mens, dier en milieu en zijn 100% natuurlijk.
de adsorberende werking van zeolieten is beperkt, meestal is de werking als ionenwisselaar na een maand gedaan. Het product moet dan vervangen of geregenereerd.
 

Foto: Germain Leys
Wat eten onze anemonen?
Germain Leys - Tanichthys Hasselt vzw
086

De meesten onder ons, zeeaquarianen, hebben wel één of andere anemoon in het aquarium, al of niet bewoond door anemoonvissen of symbiosekrabben. Welk voedsel moeten we deze dieren echter aanbieden om ze gezond en in optimale conditie te houden?
Jammer genoeg is het dieet van tropische zeeanemonen niet precies gekend, maar het onderzoek naar zeeanemonen die in gematigde wateren leven, kan ons aanwijzingen geven hoe we deze prachtige dieren in gevangenschap moeten voederen.
Onderzoekers aan de westkust van Amerika hebben de voedselvoorkeur voor een aantal lokale anemonen ontdekt: Urticina columbiana eet kwallen terwijl zijn neef, U. piscivora vissen eet en U. grebelnyi  zee-egels en manteldieren verkiest.
Een andere grote anemoon in het gebied, Cribrinopsis fernaldi eet zwemmende kammosselen, terwijl de grotere soort Metridium farcimen klein plankton verkiest. De soort Anthopleura elegantissima specialiseert zich op eendenmossellarven in de lente, maar zal ook plankton eten. Zijn grotere aanverwant, A. xanthogrammica eet mosselen die losgekomen zijn van hun vaste standplaats.
De meeste soorten, met uitzonderingen zoals Metridium farcimen, zullen vaak ander voedsel eten als zij iets anders in zee kunnen vangen of als hen een alternatief in het aquarium aangeboden wordt.
In tegenstelling met de gematigde zeewateranemonen is er vrijwel niets gekend over de natuurlijke diëten van tropische anemonen. Dit kan gedeeltelijk op twee misvattingen worden gebaseerd: de heldere waters van het koraalrif bevatten weinig voedsel of de aanwezigheid van Zoöxanthellae in het weefsel van de anemonen betekent dat gevangen voedsel niet echt noodzakelijk is. Een belangrijke reden voor het gebrek aan gegevens is de relatieve schaarste aan deze anemonen.

Vele koraalrifgebieden hebben (of hadden, afhankelijk van of zij voor de aquariumhandel zijn geoogst) anemonen die in kleinere aantallen voorkomen dan anemonen in gematigde gebieden, zodat de onderzoekers niet geopteerd hebben om hen te onderzoeken. Bovendien zijn deze anemonen vaak zeer groot en hebben een serie van afleggers die hen omringen, hetgeen laboratorium- en veldwerk bemoeilijkt. Om welke reden dan ook, er werd weinig onderzoek naar gedaan.

Foto: Guido Lurquin
Gallotia galloti, de West-Canarische galloti
Guido Lurquin - De Siervis Leuven vzw
092

Wie de kans heeft gehad Tenerife te bezoeken kent dit reptiel zeker en vast. De Canarische hagedis is er immers een constante metgezel die we tegenkomen langs alle mogelijke wegen en paden. Zodra de zon schijnt, ziet men deze grote hagedissen overal op stenen en muren liggen om zich op te warmen.
De Canarische hagedis (Gallotia galloti) is een echte hagedis die voorkomt op de Canarische Eilanden. De hagedis wordt gevonden op Tenerife en de nabijgelegen kleinere eilanden en is geïntroduceerd op het eiland Madeira. De Canarische hagedis voelt zich zowel thuis op zeeniveau als op hoogten van meer dan 3.000 m langs de flanken van de Teide vulkaan. De soort wordt gevonden tot op een hoogte van 3.718 m boven zeeniveau.
Elk van de Canarische Eilanden is een thuis voor één of meer soorten galloti. De hagedis van de Canarische Eilanden is van de soorten op de archipel de meest algemene. Hij bewoont de westelijke en middelste eilanden van de archipel, namelijk Tenerife, La Gomera, La Palma en El Hierro. Het uiterlijk verschilt enigszins per geografische locatie. De populaties op de eilanden onderscheiden zich van elkaar wat betreft grootte, lichaamsverhoudingen en kleur. Ze worden beschouwd als ondersoorten. Over het algemeen zijn ze allemaal erg donker gekleurd. Op Tenerife hebben ze een groenachtige rugtekening, onderbroken door donkere dwarsbanden. Op La Palma zijn hun wangen mooi blauw gekleurd. Op het eiland La Gomera is hun kleur zeer donker. Op het kleine eiland El Hiero zijn de dieren erg klein.
Nauw verwant is de Atlantische hagedis (Gallotia atlantica), die leeft op Lanzarote, Fuerteventura en de bijhorende kleine eilanden. Deze soort is beduidend kleiner met een lengte van 9 tot 25 cm en heeft een gelijkaardige leef- en voedingswijze.
Een andere nauwe verwant werd “pas” ontdekt. Het is de gestippelde Tenerife hagedis, Gallotia intermedia. Het is de kleinste soort die voorkomt op deze eilandengroep. Hij werd ontdekt en beschreven in 1996 door de bioloog Efraín Hernández. Hij vond ze in Macizo de Teno, in het uiterste noordwesten van Tenerife, dus in de buurt van het bekende dorpje Masca. Hoewel men denkt dat deze soort vroeger wijdverbreid was over een groot deel van het eiland, vindt men hem nu enkel nog langs een smalle kuststrook in het uiterste westen en ook in Montana de Guaza in het uiterste zuiden van Tenerife. Gallotia intermedia komt dikwijls samen voor met Gallotia galloti. Maar Gallotia intermedia is slanker en ook minder robuust gebouwd. Ook de tekening is anders. Vrouwtjes van Gallotia intermedia hebben op de overgang van de rug naar de flank een rij blauwe oogvlekken.

Blijkbaar bereikte slechts één enkele oervorm van de echte hagedissen de Canarische Eilanden. Dat moet ongeveer 20 miljoen jaar geleden gebeurd zijn, toen de eerste van die eilanden werden gevormd in de Atlantische Oceaan. Deze oervorm splitste zich op de afzonderlijke eilanden in verschillende soorten, waarvan sommige met erg grote afmetingen, zoals de Gallotia simonyl, de reuzenhagedis van El Hierro die tot 60 cm lang wordt. Ook nu nog gaat deze evolutie voort. Dat kunnen we merken aan de ondersoorten op de verschillende eilanden. De populaties op de eilanden zijn volkomen geïsoleerd. Uitwisseling gebeurt niet meer, waardoor elke populatie onafhankelijk van de andere evolueert.


Foto: Guido Lurquin
Oppervlakte bedekkende planten in de vijver
Guido Lurquin - De Siervis Leuven vzw

100
Uit ondervinding weten wij dat de natuur er naar streeft oppervlaktes te bedekken. Wanneer wij onze tuingrond ongemoeid laten komen er gras en ‘on’-kruiden op groeien. Met een lege vijver is dat net hetzelfde: er komen algen die de waterplas koloniseren, nadien gaan zuurstofplanten hard groeien en palmen de bovenste waterlagen in. Veel mensen wensen dit niet en gaan hiertegen tekeer met allerlei hulpmiddelen. Toch is het eigenlijk normaal want de natuur wil bedekken. Met de natuur meewerken is wijzer. Daarom is het aanbevolen overvloedig gebruik te maken van oppervlakte bedekkende planten wanneer men een nieuwe vijver aanlegt of wanneer een vijver aanhoudend problemen vertoont. Oppervlakte bedekkende planten kunnen los drijven (watersla, waterhyacint, kroosvaren) of verankerd zijn in de bodem en met drijvende bladeren het water bedekken (waterlelie, watergentiaan, drijvend fonteinkruid). Het zijn vooral de waterlelies die op lange termijn zullen zorgen voor voldoende bedekking. Bovendien geven zij prachtige bloemen. Men dient te streven naar een waterbedekking die twee derde van het totale vijveroppervlak bedraagt in volle zomer.

Foto: Guido Lurquin
Van water naar land
Guido Lurquin - De Siervis Leuven vzw
102

Een dikkopje verandert in een kikker… Eerst verschijnen de achterpoten en dan de voorpoten. Vervolgens wordt de staart korter en kruipt het diertje aan land. “Niets bijzonders”, zullen sommigen zeggen, “dat leerden wij al in de lagere school”. Toch loont het zeker de moeite eens wat grondiger in te gaan op deze evolutie. Het is immers de compact samengebalde geschiedenis van de moeizame overgang van leven in het water naar leven op het land waarvan wij getuige kunnen zijn.
Deze overgang van waterleven naar landleven kunnen wij – zonder er veel moeite te hoeven voor doen – meemaken bij de meeste amfibieën, die de overgang maken in hun eigen levensloop. Het veranderen van ei in larve en de aanpassing van het visachtige wezentje tot een kruipend of springend landdier is een unieke ervaring voor volwassenen en zeker voor kinderen. Wie een vijvertje heeft, kan dit allemaal zelf meemaken. Men krijgt miljoenen jaar evolutie te zien, gebundeld in een luttele tijdsspanne van een aantal weken. De moeite toch, zoiets.
Het leven is ontstaan in water. De beweging van water naar land is misschien wel de meest dramatische gebeurtenis in de evolutie van het dierenleven op aarde. Het betekende de verovering van een leefgebied dat in vele opzichten moeilijker en gevaarlijker is voor levensvormen. Dieren bestaan voor een groot deel uit water en alle cellulaire activiteit grijpt plaats in water. Ondanks dat trokken organismen naar het land, hun waterige samenstelling met zich meedragend, als wandelende zakken water. Planten en insecten maakten de overgang naar het leven op het land veel vroeger dan gewervelde dieren. De longslakken van hun kant experimenteerden met het landleven ongeveer tezelfdertijd dat de eerste landvertebraten evolueerden.
Het veroveren van het land vereiste een aanpassing van bijna alle systemen in het lichaam van de gewervelde dieren (vertebraten). Toch behielden de op het land levende vertebraten vele structurele en functionele analogieën met de in het water levende.

  BBAT-informatief 108
  VOEDSELGIDS Voeding gerelateerde ziekten bij terrariumdieren (3)  
Top