Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 67 - 2014
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 67 – Nr. 4 - April 2014
 
ISSN 1372-6501

Foto:Guido Lurquin
Pseudorasbora parva, de blauwbandgrondel
Guido Lurquin - Siervis Leuven vzw
114

De blauwbandgrondel is een visje met een ongelukkige Nederlandse naam, want het is helemaal geen grondelachtige maar wel een karperachtige. Daarom is het beter hem gewoon blauwband te noemen. Het is een opportunist die helemaal niet veeleisend is en dus gemakkelijk te houden en te verzorgen is ... maar ook een gevaar vormt voor onze inheemse visfauna.

De blauwband is een visje dat maximaal slechts 11 cm lang wordt. Zijn lichaam is torpedovormig en doet ergens wat denken aan de vorm van een vrouwelijke guppy. Uitzonderlijk bij een karperachtige is dat het mannetje groter wordt dan het vrouwtje. Hun staartvin is diep ingesneden en hun bek is bovenstandig. De vrij grote ogen zijn iets naar voor en naar boven gericht. Er zijn geen baarddraden. De basiskleur van het lichaam is groenig grijs. De kleur wordt donkerder en bruiner naar de rug toe. De zijlijn loopt over het midden van het lichaam. De schubben van het forellenvisje zijn vrij groot en hebben een donkere rand. Hierdoor ontstaat een soort netvormige tekening die we ook bij de kopvoorn zien. De blauwband doet zijn naam eer aan door de aanwezigheid van een horizontale donkere band. Deze loopt van de muil door het oog over het midden van de flanken naar de staartwortel. Bij vrouwtjes en jonge exemplaren is deze band het meest uitgesproken, terwijl hij bij de mannetjes kan verdwijnen. De oudere mannetjes zijn het donkerst gekleurd, terwijl de zilverachtige glans het duidelijkst te zien is bij jongere dieren. De vinnen van de blauwband zijn doorzichtig en geelachtig.

 

Foto: Frans Vermeulen
Een nieuwe dwergcichlide, Apistogramma helkeri
Patrick Loosveldt - Wagtail Aalst
120

Apistogramma’s zijn populaire Zuid-Amerikaanse dwergcichliden. Het genus Apistogramma omvat heel veel soorten: 84 wetenschappelijk beschreven soorten (op het ogenblik dat deze tekst werd geschreven) met daarnaast heel wat exemplaren die nog te onderzoeken zijn. Naarmate men meer lokale rivieren, beken, poelen, enz. gaat onderzoeken, is het niet ondenkbaar dat het aantal Apistogramma-soorten in de toekomst nog fors zal toenemen. In december 2013 voegden Ingo Schindler en Wolfgang Staeck er nog eentje toe aan de lijst: Apistogramma helkeri.
Pakweg een tiental Apistogramma’s zijn via de handel verkrijgbaar, de ene al wat couranter dan de andere. Voor de meer aparte soorten gaat men best te rade bij de kleine kring van gespecialiseerde liefhebbers. Sommigen onder hen houden en kweken zelfs soorten waarop nog geen wetenschappelijke naam geplakt werd. Op wereldwijde schaal schat men het aantal nog te onderzoeken soorten die in de liefhebberij aanwezig zijn, op een 30-tal. Hiervan zijn er mogelijks lokale varianten van reeds bestaande soorten, al zullen er vast ook nieuwe soorten bij zijn. Als we dan de som maken, betekent dit dat er momenteel zeker meer dan 100 soorten Apistogramma’s bestaan! Dichter bij huis kan men vooral op ruilbeurzen al eens een zeldzame of zelfs recent ontdekte soort scoren.
Veel van die Apistogramma-soorten komen in de wilde natuur slechts zeer lokaal voor. Bepaalde soorten hebben een verspreidingsgebied dat niet groter is dan enkele tientallen vierkante meters, of komen slechts voor in één welbepaalde beek of rivier. Als liefhebber stel ik mij dan toch de vraag waar men uiteindelijk de lijn zal trekken tussen lokale variëteit enerzijds en nieuwe soortnaam anderzijds. Want vaak blijken de nieuw beschreven soorten toch een zekere verwantschap te vertonen met één of meerdere gekende soorten.
Apistogramma helkeri werd in 2009 door Oliver Helker gevangen in de Rio Cuao, gelegen in de Estado Amazonas in Venezuela. De type-exemplaren die de wetenschappers gebruikten voor het onderzoek, ving hij ongeveer 500 meter stroomopwaarts van het plaatsje Danto. De nieuwe soort werd overigens genoemd naar Oliver Helker. Dankzij hem weten we ook dat ze leven in zwartwater en dat er in hun biotoop ook Nannostomus marginatus, Nannostomus trifasciatus, Carnegiella strigata, Laetacara fulvipinnis en Apistogramma uaupesi rondzwemmen. Enkele van deze soorten zijn trouwens gekende en succesvolle aquariumvissen.
Bij elke Apistogramma-soort is er steeds een duidelijk onderscheid tussen mannetjes en vrouwtjes. Soorten onderling worden vooral herkend aan het uiterlijk van de mannetjes, terwijl de vrouwtjes van verschillende soorten vaak zeer gelijkend zijn (lees: weinig kleur). Dit is overigens ook de reden waarom je nooit twee verschillende soorten in hetzelfde aquarium mag houden. Het risico op kruisingen is dan zeer groot, terwijl je het mogelijks niet eens merkt. Ook bij Apistogramma helkeri zijn de vrouwtjes onopvallend van kleur. De mannetjes daarentegen pronken met hun kleuren. Op hun lichaam zijn er drie oranje langse strepen. De kieuwdeksels zijn bezaaid met iriserende blauwe vlekken, aangevuld met rode vlekken en strepen. De borstvinnen zijn doorschijnend. De buikvinnen hebben iets meer kleur door de geel gekleurde uiteinden. Verdere kenmerken van A. helkeri zijn de ronde staartvin, de strak afgelijnde rugvin die geen verlengingen heeft, een grote vlek aan de staartbasis, een vlekje bovenaan de borstvinnen en de zijlijn die zigzagsgewijs over het lichaam loopt. Deze zijlijn reikt echter niet tot aan de staartvin.
Deze nieuwe soort is het meest verwant met de onder liefhebbers populaire Apistogramma hongsloi Kullander, 1979. Ze hebben namelijk een aantal gemeenschappelijke kenmerken. Echter zijn er ook een aantal verschilpunten, zoals de vorm van de rugvin en het ontbreken van de rode kleuren die zeer typisch zijn bij A. hongsloi. Uiteindelijk vond men dat er voldoende verschillen waren om deze vissen uit te roepen tot een nieuwe soort.
Ook met A. alacrina uit de Rio Guaviare en de Rio Orteguaza in Colombia, zijn er zekere gelijkenissen. Overeenkomsten zijn de ronde staartvin zonder vlekken, de rugvin en de zigzag lopende zijlijn. A. alacrina onderscheidt zich echter door de donkere vlek op de borstvinnen en het ontbreken van de strepen op de buikzijde.
Verder zijn er beperkte overeenkomsten met A. macmasteri, A. hoignei, A. viejita, A. guttata, A. nonorientalis, A. caudomaculata en A. pedunculata. Deze soorten behoren tot wat men de “macmasteri-groep” noemt. De mannetjes van A. helkeri verschillen duidelijk door de korte eerste stekels in de rugvin.

Onze speciale dank gaat uit naar de heer Frans Vermeulen, die ons een foto van een wildvang mannetje ter beschikking stelde en die erbij was toen deze nieuwe soort werd gevangen, en naar Oliver Helker, naar wie de vis genoemd werd, die ons enkele biotoopfoto's bezorgde.

 

Foto: Eddy Vanvoorden
Sierguppen kweken, de juiste wijfjeskeuze
Eddy Vanvoorden - Tanichthys Hasselt & Guppyclub.be
124

Bij het kweken van sierguppen worden de wijfjes vaak (excuseer me voor de uitdrukking) "stiefmoederlijk" behandeld. Vermoedelijk is dat te wijten aan het feit dat ze er nogal onopvallend uitzien en niet die bonte kleuren- en vormenpracht van de mannetjes vertonen. Vele aquariumhouders willen natuurlijk met adembenemende vissen uitpakken en dan passen saai ogende wijfjes niet in het plaatje. Ook guppytentoonstellingen waren in het verleden voornamelijk gericht op mannetjestrio’s, met hun wonderlijke kleurpatronen en mooi in standaards gegoten vinvormen. De laatste jaren is daar stilaan verandering in gekomen en zijn de "paartjestentoonstellingen" van langsom meer aan belangstelling gaan winnen.
Maar zelfs wie zich uitsluitend wil toespitsen op het kweken van mooie guppenmannetjes, is ermee gebaat om de juiste partnerkeuze te maken. Diverse karakteristieken, die het verschil maken tussen een mooi mannetje en een topmannetje, worden via de wijfjes vererfd.

“Charmant en elegant”
Een joods gezegde luidt: “Trouw in ieder geval; als u een goede vrouw krijgt, wordt u gelukkig; als u een slechte vrouw krijgt, wordt u wijsgeer.” Als sierguppenkweker ben je echter niet geïnteresseerd in filosofie, maar wil je mooie en gezonde guppen op de wereld zetten. Dan zit er dus maar één ding op en dat is “een goede vrouw krijgen”. Maar waaraan herken je een goed guppenwijfje? Met de internationale keuringsregels die tot einde 2013 van toepassing waren, kom je niet erg ver. Die stellen dat het guppenwijfje “charmant en elegant” dient te zijn en dat ze “zo dicht mogelijk bij de standaard van het mannetje” moet aanleunen.
Een omschrijving die (eerlijk gezegd) naast de kwestie is. Mijn idee is dat de keuringsregels het belang van het wijfje in het (lees: in elk) kweekprogramma moeten verwoorden. Daarom heb ik mij het voorbije jaar op een herziening van de keuringsregels voor wijfjes gefocust, met als uitgangspunt de fenotypische kenmerken die door de wijfjes aan de mannetjes worden doorgegeven. Het keuren gebeurt immers op fenotype en niet op genotype.

Om de nieuwe keuringsregels voor wijfjes op te stellen, heb ik honderden foto’s bekeken zowel van kweekvormen als van wildvang guppy’s. Niet alleen van de wijfjes, maar ook van de daarbij horende mannetjes uit die stammen/populaties. Daarnaast heb ik op een aantal videofilmpjes de zwemdynamiek van guppy’s bestudeerd (Youtube was hierbij een grote hulp) en ben ik in artikelen over guppygenetica gaan snuisteren. Op die manier slaagde ik erin een lijstje op te stellen met vererfbare kenmerken, dat als basis en leidraad kon dienen.
 

Foto: Freddy Haerens
Een passie voor killi's
Freddy Haerens - Aquatropica Kortrijk
130

Van Donald Samyn, secretaris van Aquatropica Kortrijk, vernam ik dat hun lid, Thierry Callewaert, op het jongste internationaal congres van de BKV (Belgische Killifish Vereniging) weer een prijs had behaald, deze keer met Laimosemion agilae, vroeger beter gekend als Rivulus agilae, en dit in een strijd met verschillende landen, waaronder Japan.
Toen dacht ik dat het echt tijd werd om met deze stadsgenoot nader kennis te maken.
Niettegenstaande hij op dat moment last had van een pijnlijke rug, werd ik door Thierry zeer hartelijk ontvangen. Het viel meteen op dat de man, naast een liefde voor killi’s, ook een getalenteerd schilder is. Het huis hangt letterlijk vol met schilderijen, waarop niet zelden koi voorkomen. Ook dat is altijd een grote liefde geweest, zegt hij. Een zeer veelzijdig man dus.
Bij de vraag wat hij voor de kost deed, verschijnt een glimlach op zijn gezicht en als hij begint op te sommen wat hem in zijn leven allemaal heeft bezig gehouden, dan is het moeilijk te geloven dat een mens dat in één leven allemaal kan: beroepsmilitair, politieman bij de Brusselse politie, race-piloot en race-fotograaf voor het Mazda Racing Team, aquariumwinkelier, winkel in inlijstingen en kunstmateriaal, artiest schilder, journalist, fotograaf… Ondertussen werkt hij ook een studie rechtswetenschappen af, wordt illustrator/reporter voor drie koi magazines in Nederland, Groot-Brittannië, Duitsland en drie verenigingsmagazines in België. Om dat alles te staven, haalt Thierry er een map bij waarin hij de bewijsstukken van zijn levensactiviteiten bij houdt. Ik kijk het ongelovig in, en … het klopt allemaal.
En nu, sinds 2001 “op rust”! Al blijkt deze laatste term niet echt te kloppen, want het huis bruist van de bedrijvigheid.
Wat ons natuurlijk het meest interesseert, is zijn aquaristieke loopbaan. Deze begon reeds in 1951 toen hij, op 14-jarige leeftijd, van zijn moeder zijn eerste aquarium kreeg. Zeer vlug werd hij door de microbe gebeten en experimenteerde met diverse soorten om hen tot kweek aan te zetten. Hij wordt meteen stichtend lid van de toenmalige vereniging Aquaterra in Kortrijk. Alles wat met de hobby te maken heeft, interesseert hem en hij verdiept zich in alle aspecten ervan. Zo verwerft hij een kennis die het hobbyisme overstijgt.
In zijn kelderruimte in Brussel bouwt hij een labo/kwekerij uit ter bestudering van Afrikaanse killi-soorten en hun voortplanting. Op deze wijze verwerft Thierry ook een erkenning en een naam in de wereld van de killi-liefhebbers. Dat leidt ertoe dat Prof. Max Poll, conservator emeritus van het Museum voor Midden-Afrika in Tervuren, hem om zijn medewerking verzoekt bij het onderzoek van de collectie van het museum en nieuw meegebrachte soorten.
In de veeleer beperkte stadstuin van zijn Brusselse woning legt hij een vijver aan van zo’n 15.000 l, later uitgebreid tot 30.000 l. De vijver wordt een oase van rust en een onderkomen voor prachtige koi. Ook hier verdiept hij zich in de verzorging van deze mooie vissen en wordt hij een specialist in de kweek ervan, met een vermaardheid tot in Japan. Het schilderen heeft hem ook nooit losgelaten en hij combineert beide door de prachtvissen in tal van zijn schilderijen op te nemen. Een schilderij, “Smachten naar Liefde” sierde ooit de cover van het Duitse blad “Koi Kurier”.
Het schilderen leerde hij al op jeugdige leeftijd aan de Academie van Menen, later studeerde hij aan de Academie voor Schone Kunsten in Sint-Joost-ten-Node en vervolmaakte zich aan de ABC school van Parijs. Het behalen van de gouden medaille “Filmart 1966” betekent de start van zijn artistieke loopbaan en erkenning met exposities over geheel Europa, zelfs tot in het verre Pakistan.
Sinds zijn “pensionering” woont Thierry opnieuw in Kortrijk, zijn geboortestad. Nu heeft hij alle tijd om zich volop bezig te houden met zijn twee grote passies: schilderen en killi’s.
Al bij het binnenkomen worden we aangetrokken door een mooi paludarium waar in het watergedeelte kardinaaltetra’s zich thuis voelen in een natuurgetrouwe biotoop. Het terrariumgedeelte wordt bevolkt door enkele pijlgifkikkers, o.a. Dendrobates leucomelas.
Het meubilair in de woonkamer is door hemzelf bedacht en gemaakt, er rust zelfs een patent op.
Na de woonkamer komen we via een doorgang langs de keuken in zijn atelier. Zoals het een kunstenaar betaamt, ligt het er gezellig “vol” bij. “Scheiden doet lijden” moet Thierry denken, en dus houdt hij alles bij. Overal vind je kleine dingetjes, door hem gemaakt om een of andere taak lichter en efficiënter te maken. Onze aandacht wordt echter meteen getrokken door een groot aquarium (120 x 50 x 40 cm). Het is geen “top” aquarium waar keurmeesters meteen een bondsdiploma voor zouden uitreiken, het staat zowat volledig toegegroeid met planten. Uiteraard vinden de erin aanwezige killi’s er een veilig onderkomen. Om ze te lokken, haalt Thierry meteen wat levende muggenlarven uit de koelkast. Tussen al dat groen ontwaren we ook wat jongbroed, een teken dat de vissen het er naar hun zin hebben.
We vinden een plaatsje in de erbij staande fauteuils om verder te praten.
In de achter het atelier gelegen serre vinden we het walhalla van de killi’s. Ooit was deze serre ook een kweekplaats voor orchideeën, een andere passie die Thierry nu op een laag pitje heeft gezet, maar waar in zijn schilderijen ook de sporen van terug te vinden zijn.
Links en rechts staan aquariumstellingen, goed voor zo’n 100 aquaria en kweekbakken. De meeste aquaria hebben een inhoud van 20 tot 30 l en worden afzonderlijk gefilterd door kleine binnenfiltertjes, meestal met alleen maar watten. Eén stelling bevat iets grotere aquaria van 50 l, die ook afzonderlijk gefilterd worden, maar door een eigen ontwikkeld bio-filtersysteem, gebaseerd op de druppelmethode.
Voor de kweekaquaria gebruikt Thierry gefilterd regenwater met een pH van 6 à 7 en een geleidbaarheid van 100 µS. De andere aquaria zijn gevuld met stadswater. De temperatuur van de aquaria wordt per soort geregeld op 20 à 22 °C. Als de temperatuur in de serre te hoog oploopt, dan heeft hij een verplaatsbaar airco-toestel, dat moet helpen een warme zomer door te komen.
In totaal verzorgt en kweekt Thierry een 40-tal soorten die hij verwerft via zijn contacten binnen de nationale en internationale killi-wereld. Hij is lid van o.a. de BKV (Belgische Killifish Vereniging); KFN (Killi Fish Nederland) en bestuurslid van het AKFB (Association Killiphile Francophone de Belgique). Als hij zijn zinnen heeft gezet op een soort die hij nog niet had of waarvan hij weet dat de kweek een uitdaging is, dan kent hij geen rust vooraleer hij de soort te pakken heeft. Soms dient hiervoor diep in de geldbeugel geschoten te worden.


Foto: Germain Leys
Zeoliet in het zeeaquarium
Germain Leys - Tanichthys Hasselt
136

In onze vorige editie van Aquariumwereld beschreef Walter Van der Jeught de werking van zeoliet in een zoet water aquariumfilter. Ook in onze zeewateraquaria is zeoliet geen onbekende meer.
Filteren over zeolieten werd bij zeeaquarianen enkele jaren geleden populair in Duitsland en sinds enige tijd over de hele wereld. Vanaf het begin heeft dit nogal wat discussies losgemaakt onder hobbyisten. Sommige zeeaquarianen zweren bij deze toepassing, terwijl anderen de techniek met net zoveel enthousiasme veroordelen.
In hun gebruiksaanwijzingen doen de fabrikanten van zeoliet in zeeaquariumtoepassingen nogal geheimzinnig over welk soort zeoliet er gebruikt wordt in hun producten en welke principes er achter zitten. Gebruiken ze natuurlijke zeolieten of synthetische? De klant wordt in het ongewisse gelaten, waarschijnlijk om te verhinderen dat hij op zoek gaat naar goedkopere oplossingen.
In de begindagen, toen deze techniek nog gloednieuw was, zijn verschillende aquaria naar de haaien gegaan bij het omschakelen naar deze techniek, zelfs bij gevorderde liefhebbers.
Tegenwoordig zijn er veel mooie aquaria die over zeoliet filteren. Er is ook voldoende bewijs dat de methode goed werkt bij het houden van mooi gekleurde SPS koralen.

Waarom werkt het wel in het ene aquarium en in de andere niet?
Zeoliet is in de zoetwaterhobby al lang bekend. De capaciteit die ze hebben om nutriënten effectief te verminderen, verleidde al snel zoutwaterhobbyisten om het in zeewater te proberen. In bijna alle gevallen leidde dit tot een catastrofe. Dus: wat is het verschil tussen de “aquarium killers” van toen en de nieuwe generatie zeoliet filters? Het is absoluut niet het filter zelf, wat in feite niets meer is dan een lange buis met een pompje er op.
Allereerst is het de soort zeoliet die anders is. Ten tweede is het de manier om het zeoliet te gebruiken als een onderdeel van een concept. Blijkbaar komt er meer bij kijken dan gewoon zeoliet kopen en in een filter doen en draaien maar.
Wat zeolieten zijn, heeft Walter in vorige editie al uitgelegd. De gaten in de zeolieten, waarin een stof zich bindt, zijn niet leeg maar bevatten elementen zoals bijvoorbeeld natrium of kalium. Zodra een bepaalde stof beschikbaar is, worden deze elementen afgestoten en de stof zal worden geadsorbeerd. Deze reactie, de vervanging van het ene ion voor het andere, wordt ionenuitwisseling genoemd.
Dit ionenuitwisseling effect zelf is van beperkt belang bij het gebruik van zeoliet bij het filteren in zeewater. In zeewateraquaria zijn de effecten van het vrijkomen van kalium en natrium te verwaarlozen, omdat zij immers grote bestanddelen zijn in zeewater.
Waarom zijn zoveel experimenten met zeoliet dan mis gegaan in zeewater, terwijl die prima werkten in zoet water zal u zich nu afvragen? Het antwoord is eenvoudig: de zeolieten die gewoonlijk in zoet water gebruikt worden, adsorberen ammonium wat een welkome eigenschap is in zoet water en in zeewater. Deze zeolieten hebben echter een voorkeur voor calcium! Nu kunt u zich wellicht voorstellen wat er gebeurt in zeewater. Er is gewoonlijk weinig tot geen calcium in zoet water, zodat de zeolieten ammonium adsorberen. In zeewater zullen meteen de calciumwaarden gaan dalen omdat dit het best door het zeoliet word geadsorbeerd. Hobbyisten eindigden bij eerdere experimenten soms wel met calciumwaarden van 200 ppm ! (De normale waarde is 450 ppm)
De zeolieten die nu voor zeewater worden gebruikt, adsorberen bij voorkeur ammonium, maar dit is slechts de helft van het verhaal. Bij de andere helft komt een stukje biologie kijken.
Zoals eerder vermeld, hebben zeolieten een zeer poreuze structuur. Onder de microscoop lijken zij bijna op een spons. De grote gaten zijn duizend keer groter dan de kleine. Deze poreuze structuur leidt tot een zeer grote oppervlakte, waar bacteriën zich kunnen aan hechten. Aangezien ammonium door de kristalstructuur wordt geadsorbeerd, krijgen de bacteriën die op het zeoliet leven nu genoeg voedsel dat tot aan de drempel wordt geleverd. Om de filtratiecapaciteit te verbeteren, wordt een koolstofbron toegevoegd, in de meeste gevallen niet direct in het filter maar in het aquarium zelf. Aquaria zelf zijn beperkt in koolstof!
Door het toevoegen van een koolstofbron ontvangen alle bacteriën in het aquarium extra voedsel. Omdat de bacteriën die op het zeoliet leven veel gemakkelijker toegang hebben tot ammoniak, kunnen zij beter van de koolstofbron profiteren. Om de aanvang van deze filter te stimuleren zijn bacteriepreparaten op de markt om de opstartfase te versnellen, maar het nut hiervan is te betwisten.


Foto: Freddy Haerens
Eublepharis macularius, de pantser- of luipaardgekko
Erik Vansteenkiste - Aquatropica Kortrijk

140

Levenswijze in de natuur
De soorten van de onderfamilie Eublepharinae zijn wereldwijd verbreid. Het areaal verdeelt zich over Noord- en Midden-Amerika, Insulinde, Voor- en Centraal-Azië, Oost- en West-Afrika.
Als levensruimte worden zowel zeer droge als dorre vastelandsgebieden met een halfwoestijn karakter aanvaard, als eilanden met een uitzonderlijk ”monsun” klimaat (met 2 regentijden).
Hoewel enkele soorten over goede klimeigenschappen beschikken, is het grootste deel bodembewonend.
’s Avonds kan men deze 22 tot 30 cm grote dieren tegenkomen in de straten van Kabul, Peshawar en andere Aziatische steden, waar ze jacht maken op kevers, spinnen en sprinkhanen.
De dieren bezitten een grote kop met beweegbare oogleden, waardoor deze gekko ook grotere prooien aankan, zoals bv. nestmuizen, schorpioenen en jonge hagedissen. Gekko’s hebben een scherp zicht en herkennen kleuren.
Tijdens de slaap worden de ogen gesloten. Hiervoor wordt het onderste lid omhoog geschoven. De pupil is loodrecht en bij invallend licht verandert de pupil in een smalle spleet.
Deze gekko-soort is er niet in geslaagd hechtlamellen te ontwikkelen aan de poten, hierdoor leeft de soort hoofdzakelijk op de bodem.

Gekko’s in terraria
Gekko’s leven in een veelheid van klimaten en biotopen, waaraan ze zich goed aangepast hebben. In vergelijking met andere reptielenfamilies kan men stellen dat gekko’s eenvoudig en gemakkelijk te houden dieren zijn. E. macularius behoort dan ook tot de groep van de meest gekweekte gekko’s. Hun leeftijd bedraagt ca. 22 jaar.
Het best houdt men een groep van één man met twee of meer vrouwtjes. Twee mannetjes verdragen elkaars gezelschap niet. De geslachtsbepaling van het mannetje is eenvoudig door de uitgesproken pre-anaalporiën.
Een tijdelijke vermindering van de temperatuur, van 30 of 25 °C overdag naar 15 °C ’s nachts, heeft een stimulerende werking op de paring.
Het afzetten van de eieren gebeurt 3 tot 4 weken na de paring. De vrouwtjes hebben een grote behoefte aan calcium! Bij het voederen zal men hiermee rekening houden.
De vrouwtjes verstoppen de 28 x 15 mm grote, zachtschalige eieren in een vochtig substraat tegen het uitdrogen. Hiervoor houdt men een deel van het terrarium altijd vochtig. Een beplante bloempot wordt eveneens graag gebruikt.
De eieren worden in een incubator uitgebroed, want de volwassen dieren doden de jongen en eten ze op als ze hiertoe de kans krijgen.
Bij de geboorte zijn de jongen ca. 85 mm groot. De broedtemperatuur bedraagt 28 °C en duurt 45 tot 53 dagen.
Bij het uitbroeden op hogere temperatuur, zullen meer mannelijke exemplaren geboren worden, bij lagere temperaturen meer vrouwtjes. (Warnes 1980, Ferguson en Joanen 1982 en 1983, Bull 1987).
Vrouwtjes die uitgebroed werden bij 32 °C en zo hun embryonale ontwikkeling voltooid hadden, waren duidelijk agressiever tegen soortgenoten, zowel tegenover mannetjes als tegenover vrouwtjes, dan deze uitgebroed bij 26 tot 29 °C.
Ook werd bij volwassen vrouwtjes, die uitgebroed waren bij hoge temperaturen, vastgesteld dat er geen paringen plaats hadden en dus geen eieren afgezet werden (Gutzke & Crews 1988).
Bij deze vrouwtjes kan een verhoogde androgeenspiegel in het bloed aangetoond worden. Wel werd vastgesteld dat in deze gevallen niet de normale waarde zoals bij de mannetjes bereikt werd.

Het voedsel
Het voedsel voor deze gekko’s bestaat uit krekels, wasmotlarven, meelwormen, Zophobas-larven, sprinkhanen en naakte (baby) muisjes.

De jongen hebben zeer contrastrijke tekeningen en mogen tot de mooiste jeugdtekeningen gerekend worden van alle nachtgekko’s. Het opkweken van de jongen is probleemloos.

Foto: Guido Lurquin
Primula vialii, de kaboutermuts
Guido Lurquin - De Siervis Leuven vzw
144

Deze plant uit de familie van de Primulaceae wordt tegenwoordig meer aangeboden dan voorheen. Staat de plant in bloei, dan bezwijk je zonder meer voor de intens roodpaarse bloemkleur. Toch zijn er wat kanttekeningen te plaatsen bij dit “vijver”-plantje.

Een mooi kleinood
Een klein rozet kortgesteelde langwerpige bladeren tot 12 cm lang en 4 cm breed. Bladeren bovenaan afgerond en naar de basis versmallend en met getande randen. De bladeren zijn breed lancetvormig en staan in rozetvorm. Die lijken sprekend op die van de in het voorjaar bloeiende Primula elatior. De bladeren worden wel 10 – 20 cm lang en zijn behaard. De hoogte ervan bedraagt niet meer dan 10 – 15 cm. De bladeren verschijnen pas in de maand mei, wat laat is voor een sleutelbloem.
De bloemen verschijnen vanaf juni tot en met augustus. Deze primula is daarmee een echte zomerbloeier. Per plantje zijn 2 à 3 bloemen mogelijk. De lengte van de steel met bloeiaar wordt zo'n 30 – 45 cm. Aan de top van de bloemsteel vormt zich de “bloeiaar”, die in lengte varieert van 8 – 13 cm. De krans van bloemen aan de aar bloeit van onder naar boven. Eerst zijn de bracteeën zichtbaar en die zijn karmijnrood. De bloem verkleurt van violetpaars naar crèmewit. De bloemen lijken helemaal niet op die van andere primula’s. Een bloeiende aar lijkt wel iets op een orchidee en trekt tijdens de bloei alle aandacht door de intense kleur ervan.
De maximale hoogte van deze plant bedraagt 30 tot 60 cm. De maximale breedte bedraagt 30 cm. De 12 cm lange dichtbloemige aar draagt witachtige, roze of zwak lila gekleurde bloemen. Vaak draagt de aar meer dan 100 kelkvormige bloempjes die dicht op elkaar gepakt staan. Dat doet wat aan een inheemse orchidee denken. De bloemen heb soms een goede geur. Ze houden lang en zijn geschikt als snijbloemen.

Het oorspronkelijk verspreidingsgebied van deze plant zijn de Chinese provincies Szechwan en Yunnan, berggebieden ten zuidoosten van Tibet. Daar leeft deze sleutelbloem tussen licht kreupelhout op 300 m hoogte. Daar in China groeit de primula in humusrijke, vochtige bossen, waarvan de ondergrond leemachtig is. Dit wijst er al op dat deze plant ook in de tuin een halfschaduwrijke standplaats moet krijgen.
  BBAT-informatief 148
  VOEDSELGIDS Voeding gerelateerde ziekten bij terrariumdieren (3)  
Top