Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 67 - 2014
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 67 – Nr. 5 - Mei 2014
 
ISSN 1372-6501

Foto:Els Van Den Borre
De tong-etende parasiet, Cymothoa exigua
Germain Leys - Tanichthys Hasselt
154
Binnen de stam van de geleedpotigen of de Arthropoda en de onderstam van de kreeftachtigen of Crustacea bevindt zich de klasse van de Malacostraca of de hogere kreeftachtigen. Dalen we dan verder af naar de orde van de Isopoda en de familie van de Cymothoidae dan vinden we het genus Cymothoa en de soort exigua.De wetenschappelijke naam van de soort is voor het eerst geldig gepubliceerd in 1884 door Schioedte & Meinert. Deze parasiet zet zich vast in de tong van zijn gastheer, waarna hij bloed opneemt uit de nog levende tong. De tong sterft vervolgens af, waarna de parasiet de functie overneemt van de tong.
De Cymothoa exigua zou het goed doen als kwaadaardig buitenaards wezen in een sciencefiction film, maar in werkelijkheid is deze pissebed net zo eng. Het is de enige parasiet die we kennen die een compleet orgaan vervangt: in dit geval de tong.
De pissebed wordt geboren als nimf (een soort larve) en zwemt bij een vis door de kieuwen naar binnen.
Het vrouwtje hecht zich aan de tong en het mannetje hecht zich aan de kieuwbogen onder en achter het vrouwtje. Vrouwtjes zijn 8-29 mm lang en 4-14 mm maximale breedte. De mannetjes zijn ongeveer 7,5-15 mm lang en 3-7 mm breed.
Cymothoa exigua zuigt bloed op uit de nog levende tong door de klauwen aan de voorzijde. Daar zuigt hij bloed, waardoor de parasiet groeit en groeit, net zo lang tot de tong afsterft (=atrofie van de tong door gebrek aan bloed). De parasiet vervangt vervolgens de tong van de vis door het eigen lichaam te hechten aan de spieren van de tongstomp. Zodra C. exigua de tong vervangen heeft, voedt hij zich met het bloed van de gastheer. Sommige voeden zich met het slijm van de vis.
Vastgezet aan het stompje van de tong is de vis in staat de pissebed als zijn eigen tong te gebruiken, maar deelt met de parasiet alles wat hij eet. Het blijkt dat de parasiet geen andere schade aan de gastheer (vis) veroorzaakt. Er zijn vele soorten Cymothoa, maar C. exigua is de enige die bekend staat om de tong van zijn gastheer te consumeren en te vervangen.
 

Foto: Romain Van Lysebettens
Chalinochromus brichardi
Romain Van Lysebettens - Moerbeekse A.V.
158

Het Tanganyikameer is het oudste van de Grote Afrikaanse Slenk en bevat ongeveer 250 beschreven endemische soorten cichliden die een grote diversiteit vertonen op het gebied van vorm en gedrag.
Toen we in 2007 onze reis naar het Tanganyikameer planden, was Chalinochromis brichardi een van die cichliden die ik wilde ontmoeten in zijn natuurlijke omgeving (op mijn verlanglijst stonden nog héél wat cichliden, maar een andere keer meer daarover).
Hij was niet voor niets mijn eerste Tanganyika-cichlide, waar ik zelfs mijn Malawiperiode voor afsloot en het blijft nu nog steeds één van mijn topfavorieten.
Deze soort werd ontdekt door de Belg Pierre Brichard in de buurt van Nyanza in 1971.
Het is een prachtige vis met een langgerekt lichaam zoals de Julidochromis-soorten. De algemene kleur is beige tot crèmekleurig. Het meest opvallend zijn echter de drie zwarte strepen op de kop. In dit “zwarte masker” lopen dan nog eens blauw iriserende lijnen om het geheel nog meer te accentueren. Rug- en anaalvinnen zijn afgezet met een blauwe en een gele rand. De staartvin is lichtblauw dat donkerblauw oploopt naar de rand toe. De buikvinnen zijn oranjegeel.
Volwassen exemplaren zijn ongeveer 12 cm en oudere dieren hebben daarbij ook een lichte (vet)bult op het voorhoofd. Sommige geografische varianten (o.a. deze van Zambia) hebben een of meerdere zwarte vlekken op de zachte vinstralen van de rugvin.
Het onderscheid tussen de geslachten is vrij moeilijk te bepalen. Mijn persoonlijke waarnemingen zouden mij veeleer in de richting sturen van de mannetjes door hun iets grotere en plompere lichaamsvorm. Sommigen beweren dat bij volwassen mannelijke exemplaren de genitale papil zichtbaar is… Het kan zijn dat ik mijn ogen moet laten nakijken, maar ik heb dat niet kunnen waarnemen.
Er zijn nog twee andere soorten in dit genus, met name Chalinochromis popelini en Chalinochromis sp. "Ndobhoi". We gaan om hybridisatie tegen te gaan daarom de verschillende soorten Chalinochromis zeker niet onderbrengen in één en hetzelfde aquarium. Ook lijkt het mij zinvol om ze niet samen te houden met Julidochromis-soorten die zich toch zeer dicht bij het ​​gedrag en de vorm van de ons besproken cichlide bevindt.
Chalinochromis brichardi zul je weinig of niet tegenkomen in de open watergebieden. Het  is een cichlide die leeft in de ruige rotsachtige kustbiotopen van het meer, waar hij de talrijke spleten en holen bevolkt. In elke positie kun je hem tegenkomen, zelfs ondersteboven, nieuwsgierig rondkijkend, met alleen de gemaskerde kop die van tussen de rotsen steekt ... typisch Julidochromis gedrag.
De bek is voorzien van vlezige, verdikte lippen waarmee ze hun prooien grijpen. Hun voedsel bestaat uit ongewervelde dieren. Het blijkt echter dat ze in hun leefgebied een voorkeur hebben voor zoetwater sponzen!
In gevangenschap accepteren ze droogvoer (gebruik hoogwaardige producten a.u.b.) en met veel genoegen nemen ze het levend en bevroren aangeboden voedsel zoals Daphnia, Artemia, Mysis en dergelijke.
Volgens mij houd je ze best in aquaria van min. 300 l en meer, want ze zijn vrij onverdraagzaam en dit niet enkel naar soortgenoten.

 

Foto:
Procambarus clarkii, de rode rivierkreeft
Fernand Verbeeck
162
Het betreft hier enkel één vertegenwoordiger van één der talrijke ondersoorten die elk nog een waslijst aan variëteiten omvatten.
Nu is “rode rivierkreeft” wel eens misleidend, want er bestaan zowel witte als blauwe varianten. Het is verbazend, maar de prachtige blauwe exemplaren willen na een vervelling wel eens de wildkleur aannemen.
Dikwijls wordt voor hen ook de naam “Amerikaanse rivierkreeft” gebruikt, wat vooral verwarrend is doordat Orconectes limosus en ook andere soorten uit het genus Procambarus, in populaire artikels zo genoemd worden.
Deze rode rivierkreeft wordt ook wel eens “moeraskreeft” genoemd. Hun biotopen vinden we vooral in de zuidoostelijke Verenigde Staten en Mexico. De wilde soort is gemakkelijk te herkennen aan hun bloedrode en zwarte kleur. Heel de lichaamsoppervlakte is bezaaid met kleurige knobbels. De carapax (kop & borst) wordt gevormd uit een stevig pantser bestaande uit ettelijke lagen chitine met kalkinsluitsels. Dit pantser groeit niet mee, zodat de kreeft het oude moet uittrekken of eruit kruipen. Zodra deze periode aanvangt, stopt het dier met eten want de kalk wordt in hoopjes ondergebracht in de maag. Deze hoopjes worden wel eens “kreeftogen” genoemd. Eens uit het pantser gekropen, gaat het dier zich verstoppen want het is nu voor elke predator een zacht hapje. Populair worden ze daarom nu “boterkreeft” genoemd. Eens het pantser verhard hoeven ze nog maar één zaak te doen. Ze scheppen fijn zand op en werpen dit over hun kop want bovenaan zit een kuiltje met zintuigharen en de steentjes doen dienst om de positie ten opzichte van het horizontale vlak te bepalen. Vergelijk de werking maar met onze gehoorsteentjes in het orgaan van Corti.
Voeg daarbij vijf paar poten (decapoda) waarvan het eerste paar omgevormd is tot krachtige scharen, waarmee zij hun voedsel grijpen en hun territorium verdedigen.
Over voedsel gesproken, het zijn alleseters. In de vrije natuur is dat voornamelijk viskuit, blaadjes van zachte planten, zelfs in het water gevallen blaadjes (eiken-, beuken- en elsenbladeren) worden hierbij niet versmaad. Zoals het merendeel van de kreeften zijn het gelegenheidsrovers. In het aquarium spelen ze vuilnisopruimer, maar lusten ook wel een visje dat te dicht in hun buurt komt, al “zouden” ze gezonde vissen wel met rust laten. Tubifex, grof droogvoer en zelfs kattenbrokken worden ook als voedsel vermeld.
 

Foto: Roger Lhoest
Op zoek naar... Rotala indica
Roger Lhoest - Aqua Fauna (ICAIF)
166
In de aquariumhandel blijft men maar planten verkopen onder de naam Rotala indica. Als ik ze boven water in bloei breng, blijkt het altijd te gaan om Rotala rotundifolia. De echte Rotala indica is niet in een winkel te vinden, je moet hem zoeken in zijn biotoop in Thailand. Dit artikel leert ons wat de verschillen zijn tussen de twee soorten en legt uit waarom Rotala indica nooit geïmporteerd werd. Het is namelijk geen geschikte aquariumplant. Rotala rotundifolia is dat juist wel.
Een van de redenen om dit artikel te schrijven, was een opmerking van Christel Kasselmann over Rotala indica. Zij bevestigde dat de plant niet werd verhandeld voor aquariumliefhebbers. Vreemd eigenlijk want er verschijnen veel artikels, zeker in de Franse taal, waarin geschreven wordt dat de plant gemakkelijk gehouden kan worden en zeer decoratief is.
Wanneer ze die opmerking maakte weet ik niet meer precies, maar wel dat ik toen Rotala rotundifolia in mijn aquarium had staan en ook al vele jaren in mijn tuinkas. In de cultuur boven water (emers) bloeiden deze planten ieder jaar in april en mei. Daardoor kon ik met zekerheid de soort vaststellen. Ik kan eraan toevoegen dat de roze-rode bloemen werkelijk heel mooi zijn en het aanzien van mijn kweekruimte bepaald opvrolijkten. Ik besloot de afwezigheid van R. indica in de handel te testen door steeds allerlei rotala's te kopen als ze onder die naam werden verkocht, of als hun uiterlijk wat afweek van wat we gewend zijn. Daarbij moet opgemerkt worden dat de kleur van R. rotundifolia nogal wat varieert, afhankelijk van de belichting, en dat er variëteiten zijn die veel roder zijn dan andere.

Foto: Guido Lurquin
Bontbladige planten in de vijver
Guido Lurquin - De Siervis Leuven
174

Bontvormen van vijverplanten hebben twee voordelen: ze groeien trager en brengen “straaltjes licht” in onze vaak te monotoon ogende vijverbegroeiing.
Wat betreft bladkleur zien veel vijverbeplantingen er nogal monotoon groen uit. Dat is begrijpelijk, want binnen het gamma van in ons klimaat toepasbare waterplanten zijn er bijna geen die andere bladkleuren tonen dan groen. Bij gekweekte tuinplanten vinden we bijvoorbeeld veel blauwgrijze en rode tinten die voor afwisseling zorgen, bij vijverplanten is dat niet het geval. Er is wel een mooi aanbod aan geel of roomwit gestreepte planten, de “panaché”-vormen van een aantal vijverbewoners. Het grote voordeel van al deze gestreepte “variegata”-gewassen is dat ze een straaltje licht brengen in de watertuin. Het saaie donkere groen wordt erdoor gebroken, wat zeker van belang is tijdens druilerige grijze dagen, waaraan ons land zo rijk is. De vijver wordt zo vrolijker, zonniger, warmer, meer zuiders.
“Variegata”-vormen van tuinplanten zijn meestal natuurlijke varianten. Ze zijn, in tegenstelling tot wat veel mensen denken, niet ziek. Het kleureffect is te wijten aan groepen cellen die geen bladgroen (chlorofyl) produceren. Het patroon van de gele tekening hangt af van de locatie van deze cellen in de zich ontwikkelende bladknop. Het patroon kan de vorm aannemen van lengtestrepen, dwarsstrepen of onregelmatige vlekken. “Panaché”-vormen kunnen voor mooie contrasten zorgen. Ze zijn zwakker en minder robuust dan hun volledig groene soortgenoten. Doordat de meeste waterplanten eigenlijk te snel groeien, is dat juist een voordeel. Bonte vijverplanten moeten minder teruggesnoeid worden en vragen dus minder onderhoud.


Foto: Guido Lurquin
Rutilus rutilus, de blankvoorn
Guido Lurquin - De Siervis Leuven

182
Tot de inheemse “voorns” of “witvissen” behoort een aantal soorten dat geschikt is voor de tuinvijver. De blankvoorn is met zijn zilverblinkend groen schemerend schubbendek en rode oogiris zeker de moeite waard. Bovendien eet hij draadalgen en houdt dus de vijver zuiver.
De blankvoorn leeft over heel Europa, met uitzondering van Spanje en Italië. In allerlei rustigere waters is hij te vinden: kanalen, meren, plassen, rivieren en beken. Hij komt ook in brak water voor, maar het afzetten van de eieren gebeurt altijd in zoet water. De lankvoorn is in de natuur veel algemener dan de rietvoorn. De blankvoorn vertoeft in dieper water dan de rietvoorn.


De ogen van een blankvoorn zijn opvallend rood en dit is een goed middel om hem te onderscheiden van vissen met een soortgelijk uiterlijk. De schubben zijn zilverkleurig en de vinnen zijn helder oranjerood. De bovenlip steekt uit. De blankvoorn is slanker dan de rietvoorn. Hoe beter de leefomstandigheden, hoe hoger de blankvoorn wordt. Komen er te veel voor dan blijven ze klein (10-15 cm). In goede omstandigheden worden ze na tien jaar ongeveer 25 cm en hebben dan een gewicht van 200 tot 250 g. Exemplaren van 37 cm en 750 g zijn een uitzondering en vertoeven ver van de oevers in dieper water. De blankvoorn kan verwisseld worden met de rietvoorn, maar bij de blankvoorn staan de rugvin en de buikvinnen recht boven elkaar. Bij de rietvoorn staan de buikvinnen meer naar voren ten opzichte van de rugvin.

Als scholenvis leeft de blankvoorn in grote groepen. De geslachtsrijpheid wordt bereikt na een 2 à 3-tal jaar. De mannetjes vertonen paaiuitslag. In mei worden de eitjes afgezet op stenen en boomwortels langs de oevers. Dit gebeurt onder luidruchtig “geplets”. Een vrouwtje kan tot 100000 eitjes afzetten. Het succes van de voortplanting is erg variabel en hangt in grote mate af van de weersomstandigheden tijdens de paring en de drie maanden die erop volgen. Het voedsel bestaat uit slakken, muggenlarven, kreeftjes en plantendelen. Er wordt geen grote schade toegebracht aan de planten. Draadalgen staan ook op het menu. In grotere vijvers hoeven de vissen niet noodzakelijk gevoederd te worden. Ze vinden er meestal voldoende eetbaars.
  BBAT-informatief 188
  VOEDSELGIDS Voeding gerelateerde ziekten bij terrariumdieren (4)
Voedselgids bijlage - Terrarium - Reptielenvoeding - Slangen
 
Top