Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 67 - 2014
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 67 – Nr. 7 - Juli-Augustus 2014
 
ISSN 1372-6501
THEMANUMMER REGENBOOGVISSEN

Foto:Gilbert Maebe
Geschiedenis van de regenboogvissen in gevangenschap
Gilbert Maebe - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland / IRG België
234

Australische regenboogvissen worden verzorgd in huiskameraquaria sinds het begin van de vorige eeuw. In 1915 maakte Albert Gale in zijn boek “Aquarian Nature Studies & Economic Fish Farming” gewag over het houden van Australische zoetwatervissen. Dit boek behandelde verschillende aspecten van het in gevangenschap verzorgen van een aantal soorten.
Een hoofdstuk van het boek onderzoekt de mogelijkheden over het commercieel kweken van Australische regenboogvissen voor de aquaristiek. Albert Gale was lid van de “Royal Zoological Society of New South Wales” en schreef geregeld artikels over Australische zoetwatervissen voor Aquatic Life. Dit tijdschrift was uitgegeven door W. A. Poyser en gepubliceerd door Joseph E. Bausman in de VSA gedurende het begin van de laatste eeuw.
Gedurende de jaren 1920 en begin 1930 werden overal in de belangrijkste steden van de wereld grote aquariumverenigingen opgericht. Vissen verzenden gebeurde in ouderwetse Duitse metalen kannen met een smalle nek en een zeer breed lichaam om een zo groot mogelijk oppervlak te hebben. Zeereizen duurden lang en zonder zuurstofvoorziening arriveerden de vissen vaak in slechte conditie. Sommige overleefden de reis en werden nagekweekt door ervaren liefhebbers.
Gedurende deze vroege periode kende men regenboogvissen onder de naam “Sunfish”. Wanneer juist deze groep de naam “regenboogvissen” werd toebedeeld, weet niemand precies. In 1934 publiceerde “National Geographic Magazine” een artikel van Walter H. Chute, toen directeur van het Shedd Aquarium in Chicago, VSA “Tropical Fish Immigrants Reveal Nature Wonders” waarin er sprake was van de Australische regenboogvis. De vroegste vermelding die is teruggevonden staat in het Duitse aquariumtijdschrift “Wochenschrift für Aquarien und Terrarienkunde” in september 1931. Hierin schreef Erich Henzelmann een artikel over de “regenbogenfish” Melanotaenia nigrans (die was in werkelijkheid Melanotaenia duboulayi).
De vroegste referentie naar de naam regenboogvis die werd gevonden in Australië, komt uit een excursierapport van de Aquarium- en Terrarium-vereniging uit Queensland. Het werd geschreven door de toenmalige secretaris Amandus Rudel die verwijst naar een verzameltrip op 6 maart 1932. Na deze datum verwijzen alle verzamelrapporten in ’t algemeen naar de naam “regenboogvis”. De naam “Sunfish” was bestemd voor Rhadinocentrus ornatus.
Amandus Rudel was medestichter van de Aquarium- en Terrariumvereniging van Queensland. In 1927 introduceerde hij de Australische regenboogvis in de internationale aquariumhobby toen hij enkele exemplaren van Melanotaenia duboulayi per stoomschip verzond naar Duitsland, waar ze door het Berlijns aquarium werden verder gekweekt. Sprekend over Melanotaenia duboulayi, zei Amandus: “Ik was verbaasd over de schoonheid van deze vis toen ik hem voor het eerst zag. Als een levende regenboog, er is geen andere vis die kan wedijveren met zijn schoonheid. Natuurlijk is hij voor altijd mijn favoriet sindsdien”. Men neemt aan dat deze eerste zending van Melanotaenia duboulayi er voor gezorgd heeft dat zij werden verdeeld over heel Europa en later naar Noord-Amerika. Zij zijn waarschijnlijk de soort waarop de hedendaagse naam “regenboogvis” is gebaseerd. In 1930 werden drie Melanotaenia duboulayi gevangen in de Mississippi rivier. Dit was één van de eerste meldingen van een geïntroduceerde siervis, gevonden in de VSA (O’ Donnel 1935). 
Amandus Rudel was ook verantwoordelijk voor de introductie van een andere regenboogvis in de internationale aquariumhobby. In 1934 zond hij twaalf stuks van Melanotaenia maccullochi, die hij verzameld had nabij Cairns in Noord-Australië, naar Fritz Mayer in Hamburg, Duitsland. Vier kwamen levend aan en bleken twee koppels te zijn. Het was één van de meest populaire aquariumvissen van Australië. In het Duitse aquariumtijdschrift “Wochenschrift für Aquarien und Terrarienkunde” van mei 1935 gaf Fritz Mayer de eerste melding van hun nakweek, dit was vertaald door F. H. Stoye in Innes “The Aquarium” in december 1936.
De hobby ging in reces gedurende de grote depressie en de erop volgende oorlogsjaren. Slechts zeer weinig aquariumexemplaren overleefden deze periode. De aquariumhobby herstelde zich slechts later, eind jaren vijftig, toen de verzending in plastic zakken met zuurstof en in geïsoleerde containers was ontwikkeld. Dit, samen met sneller luchttransport, maakte het mogelijk dat de aquaristiek heropleefde en één der meest populaire hobby’s werd van die periode.

 

Foto:
ANGFA - Australian New Guinea Fishes Association
Gilbert Maebe - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland / IRG België
240

We gaan naar de andere kant van de wereld (Down Under) om jullie te vertellen dat daar in 1983 enkele aquariumliefhebbers, die vooral geïnteresseerd waren in de lokale zoetwatervissen, de koppen bijeen staken om een vereniging te stichten. Natuurlijk diende er een middel te worden gevonden om te communiceren met elkaar. Dit middel werd een tijdschrift “Fishes of Sahul”. “Sahul” slaat terug op de landmassa die bestond tot ongeveer 10.000 jaar geleden toen landbruggen Tasmanië en Nieuw-Guinea nog verbonden met Australië.
In Australië is ANGFA onderverdeeld in groepen per deelstaat. Zo zijn er afdelingen in Queensland, New South Wales, Victoria, South Australia, West Australia en The Northern Territory.  
Het tijdschrift “Fishes of Sahul” is de communicatie tussen mensen met een gemeenschappelijke interesse: het vangen in de natuur; documenteren; bestuderen; verzorgen; nakweken en het onderhouden van de vele soorten uit deze regio. Zij vormden de leden van de “Australian New Guinea Fishes Association”. Mensen die elkaar nooit ontmoetten in dit enorme Sahul land, maar via de bladzijden van dit magazine kennis en ervaring konden uitwisselen. “Fishes of Sahul” stelde tot doel een naslagwerk te maken van 48 bladzijden per jaar. “Het moet zich ontwikkelen tot een geschiedenis van de ontdekking, ontwikkeling en onderhoud van de plaatselijke vissoorten en een verslag van de mensen die hier bij betrokken zijn.
Publicaties als: ANGFA bezoekt … een kijk bij de aquariaan – de verzameling – de methodes – Trouble shooting with ANGFA – een uitwisseling van vragen en commentaren van alle leden op het houden van de Sahul vissen – verzamelen en onderhoudsproblemen. ANGFA kijkt ook uit voor een kort artikel over observaties van iets wat toepasselijk is voor onze interesse. Het succes en de opwinding van de evolutie van dit tijdschrift zal afhangen van het enthousiasme en actie van onze leden – artikels – brieven – foto’s – vragen en verslagen van observaties door ons allen en het zal garant staan voor een verzameld werk van onschatbare waarde.
Ondertussen is “Fishes of Sahul” volgens mij het meest waardevolle tijdschrift over de vissen van het Sahul gebied waar onze regenboogvissen een zeer groot deel van uitmaken. Zelf ben ik de gelukkige bezitter van alle uitgegeven nummers van “Fishes of Sahul” sinds het begin. Geregeld ga ik er nog in op zoek naar informatie over één of andere soort. Ik was het eerste Europese lid van ANGFA en wereldwijd het derde niet Australische lid.

 

Foto: Gilbert Maebe
Regenboogvissen houden en verzorgen
Gilbert Maebe - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland / IRG België
244

Regenboogvissen houden en verzorgen in gevangenschap is relatief eenvoudig, in zoverre dat, wat de algemene aquariumcondities betreft, ze één van de gemakkelijkste vissen zijn om te verzorgen. Niettemin stellen regenboogvissen een aantal eisen waaraan moet worden voldaan om dagdagelijks te overleven en zich voort te planten over een langere periode. Ze verlangen een geschikt aquarium, het juiste voedsel en een stressvrij bestaan om te groeien en gezond te blijven.
Om succesvol regenboogvissen te houden, moet je beschikken over een aantal basis aquariumprincipes. Bij vele liefhebbers lukt het niet omwille van het gebrek aan deze basiskennis. Praktische ervaring wordt enkel bereikt na verloop van tijd, door zich in te leven in het aquariumgebeuren. Zo’n leerproces is vandaag relatief gemakkelijk en de beloning des te groter.
Om een aan de vereisten geschikt aquarium in te richten, is het belangrijk om wat verstand te hebben van de biologie en ecologie van de te houden vissoorten en vooral over hun natuurlijke biotoop. De verscheidenheid aan biotopen is zeer groot, sommige soorten moeten overleven in zeer barre omstandigheden. Biotopen zijn bezaaid met rotsen, boomstronken, takken, water- en oeverplanten. Bij vele aquaria ontbreekt enige structuur dikwijls volledig. Ze zijn saai, monotoon en houden geen rekening met enige opportuniteit voor de bewoners i.v.m. hun natuurlijk gedrag. Zij geven niet in het minst om waar de vis in zijn natuurlijke omgeving vertoefde. De bevolkingsdichtheid is soms 100 maal groter dan in de natuur. Kleinere populaties resulteren in een betere viskwaliteit. Tegemoetkoming in filterkwaliteit, een donkere bodem, natuurlijke materialen als subtraat zoals kienhout, drijf- en waterplanten verbeteren in hoge mate de leefbaarheid in het aquarium.
Regenboogvissen die gedurende de zomermaanden enige tijd in een vijver verblijven, groeien beter, hebben meer kleur en betere overlevingskansen. Ze hebben er ook de beschikking over een verscheidenheid aan levend voedsel. Bij de keuze van een aquarium voor regenboogvissen is een minimumvolume van 100 l vereist. Het is een vaststaand feit dat een klein volume vlugger en gemakkelijker verstoord en ongeschikt wordt, dan een groot watervolume.
Regenboogvissen bevolken de middelste waterlagen tot de oppervlakte en houden van een flinke zwemruimte. Zij vertonen een sociaal gedrag en scholen vaak samen. Daarom is de inrichting van het aquarium zo belangrijk. De beschikbare oppervlakte is belangrijker dan de hoogte. Deze laatste moet wel voldoende zijn voor een goede plantengroei. Tussen 30 en 60 cm is veel mogelijk. De diepte van het wateroppervlak moet vooral bij de grotere soorten minimum 45 cm zijn. Vergeet ook niet om je aquarium te voorzien van dekruiten, regenboogvissen durven wel eens springen.

 

Foto: Gilbert Maebe
Melanotaenia gracilis
Gilbert Maebe - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland / IRG België
250

Vanaf het moment ik Melanotaenia gracilis in mijn bezit kreeg, nam deze een speciale plaats in mijn viskamer en in mijn gehechtheid aan regenboogvissen in.
Na een eerste mislukte zending van regenboogviseitjes in 1985 volgde een tweede zending die vertrok in Australië op 17 maart 1986. Het was Ron Bowman, een ANGFA lid uit de omgeving van de stad Melbourne in Australië, die zich destijds bezig hield met het versturen van visseneitjes. Het was enorm belangrijk dat er geen weekend zat tussen het versturen en afleveren bij de bestemmeling. De eerste maal werd dit over het hoofd gezien en waren de eitjes negen dagen onderweg geweest. Aangezien de incubatietijd ongeveer zes à acht dagen bedraagt, was dit fataal. Ze waren tevens alle beschimmeld. De tweede zending werd gepost op een maandagmorgen en bereikte mij dezelfde week op vrijdag, een winst van vier dagen. Eén der soorten van deze zending was Melanortaenia gracilis.
Ik had onmiddellijk gezien dat er bevruchte eitjes bij waren die direct werden ondergebracht in een klaarstaand klein aquarium van 12 l. Je moet ook weten dat de correspondentie met Australië destijds verliep via de telefoon, per brief of zelfs per telegram. Pionierswerk in vergelijking met nu.
Na enkele maanden bleek dat ik geluk had met mijn gracilissen, want ik had zowel mannetjes als vrouwtjes. Deze werden verder zorgvuldig grootgebracht tot ze voldoende oud waren om voor nakomelingen te zorgen. Tot op de dag van heden, al 28 jaar, heb ik steeds M. gracilis in mijn bestand gehad.
Toen in het IRG een oproep werd gelanceerd om peterschappen te aanvaarden voor bepaalde vissen, heb ik geen ogenblik getwijfeld en heb ik mij aangemeld als peter van M. gracilis en M. monticola, een tweede soort die me nauw aan het hart ligt, maar daarover op een andere keer.
Ik ben fier op het feit dat ik M. gracilis heb geïntroduceerd in de aquariumhobby en meer bepaald binnen het IRG.


Foto: Gilbert Maebe
Pseudomugil gertrudae
Diane Buyle - Siervis Wetteren
254

Toen ik op een dag, samen met onze voorzitter Marc Houtman, op bezoek was in Mechelen bij Gilbert, gingen we zoals gewoonlijk in zijn kweekruimte de vissen bekijken. Plots stond ik met open mond bewonderend te kijken naar wat voor mij de mooiste visjes waren die ik ooit zag. Het waren niet de meest kleurrijke vissen maar wat een vinnen! En baltsen dat die visjes deden! De borstvinnetjes staan hoog op de zijkant van het lichaam zodat de visjes meer lijken te fladderen dan te zwemmen, wat hen vaak de naam vlindertjes oplevert. De vinnen, vooral de rug- en staartvinnen zijn heel groot en bezaaid met veel stippen. Het gaat om Pseudomugil gertrudae. Een ongelooflijk prachtig visje. In die categorie = ”soort” zijn er nog meer prachtige exemplaren: o.m. Pseudomugil furcatus, P. tenellus en laatst bijgekomen: Pseudomugil ‘Red Neon’.
Pseudomugil gertrudae (grootte max. 3 à 4 cm) leeft in kreken, lagunen en billabongs in Australië, van Darwin over Kakadu en Arnhemland tot het schiereiland Cape York, de Aru-eilanden en in het Nieuw-Guineese verspreidingsgebied. Ook in moerasgebieden en kleine stromen in het regenwoud met dichte watervegetatie en meestal helder water, komt dit visje voor. De watersamenstelling is in het aquarium niet zo belangrijk, hoewel door rottende bladeren het water soms echt zuur kan zijn in hun biotoop (pH 3,9 tot 6,8) bij een lage hardheid. De temperatuur mag tussen 24 en 28 °C bedragen.
De grootte van de vinnen is wel afhankelijk van de vindplaats van de Pseudomugil gertrudae, maar toch zijn het allemaal juweeltjes. Ze kunnen best afzonderlijk gehouden worden of in een aquarium met soortgenoten. In tegenstelling tot de grote regenboogvissen, waar de eitjes zeer klein zijn en de jongen dus navenant, zijn de eitjes van de pseudomugils een stuk groter. Wie nog nooit visjes gekweekt heeft, zal de jonge larfjes van regenboogvissen nauwelijks zien in het aquarium, zo klein zijn ze. De eitjes van Pseudomugil zijn groter, maar de legsels zijn dan ook minder talrijk. De jongen kunnen meestal vlugger Artemia aan dan de larven van grote regenboogvissen. Waar men ook rekening moet mee houden, is dat die visjes veel minder lang leven, twee à drie jaar is al mooi. Het is daarom aangewezen om er geregeld mee te kweken als je ze wilt behouden. Pseudomugils zijn al na een maand of drie geslachtsrijp.
De “kweekmethode” is dezelfde als voor de grote regenboogvissen. We maken gebruik van javamos of de gekende aflegmop van breigaren. De eitjes kun je uitzoeken en overbrengen in een kweekbakje of de hele aflegmop verhuizen. Verder is veelvuldig vers water en een goede afwisselende voedering aanbevolen, maar dat doen we toch al als goede aquariaan, niet?
Vissen verzorgen is en blijft een interessante bezigheid en het kweken is het boeiendste van deze hobby.


Foto: Gilbert Maebe
Melanotaenia maccullochi 'Eubenangee Swamp'
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland
258

Het genus Melanotaenia beslaat 7 genera verdeeld over een 75-tal soorten. Ook vandaag nog worden geregeld weer nieuwe soorten en vormen van regenboogvissen ontdekt en beschreven. In  onze hobby kom je ze ook steeds vaker tegen, meer in het bijzonder bij gedreven liefhebbers, minder in de handel, waar je dikwijls enkel de genus- en soortnaam aantreft, zelden aangevuld door de vindplaats. Enkel als men de aanduiding van de vindplaats van de (onder)soort van deze vissen toevoegt, blijft het mogelijk een overzicht te houden van al deze soorten.
Zo kreeg (!) ik enkele koppels Melanotaenia maccullochi Eubenangee Swamp van Gilbert Maebe, lid van onze club en voorzitter van het IRG-België en dan wordt het weer even opzoeken om meer over deze soort te weten te komen. Steeds wel wat werk, maar ook net dat maakt onze hobby zo leuk. Het bleek echter moeilijk te zijn de schaarse informatie over deze vissen te verzamelen.
Eubenangee Swamp is een nationaal park in Queensland (Australië), 1332 km ten noordwesten van Brisbane. Het ligt op ongeveer 76 km van Cairns en is een van de belangrijkste wetlands tussen Ingham en Cairns. Het beschermt alle van de laatste 20 hectare van Australië’s bedreigde zoetwatermangroves en speelt een cruciale rol in het behoud van vogels en wilde dieren in de regio. Het park beschermt ook een aantal van de laatste overblijfselen van verschillende laagland vegetaties. Veel ervan is moerasgebied en is daardoor vooral een paradijs voor vogelaars, maar ons is het dus te doen om deze daar gevonden Melanotaenia maccullochi.  De "Eubenangee Swamp" maccullochi is vergelijkbaar (zeer rode vinnen) met zijn soortgenoot uit Harvey Creek.


Foto: Freddy Haerens
Melanotaenia parkinsoni
Freddy Haerens - Aquatropica Kortrijk
264

Bij een bezoek aan Aquariana 2013, de jubileumtentoonstelling van de Aquarianen Gent, viel mijn oog, en wellicht dat van meerdere bezoekers, op een aquarium met kleurrijke regenboogvissen. Het lijkt wel of Picasso hier met zijn penseel is voorbijgekomen. Ik weet zeker dat, mocht Jan Hoet ze gezien hebben, hij ze direct in het SMAK zou ondergebracht hebben. Pure kunst, en dan nog wel op natuurlijke wijze!
Na de neo- en andere lamprologussen uit het Tanganyikameer, heb ik in de aquariumliefhebberij mijn hart verloren aan regenboogvissen. In mijn aquaristieke loopbaan wisselen beide elkaar zo’n beetje af. Na 8 jaar Tanganyika’s is het aquarium nu weer “omgetuind” tot een aquarium met regenboogvissen. Hierbij gaat mijn voorliefde vooral naar de kleurrijke boesemani’s en glossolepis. Als die aan het pronken zijn, man, man, man, dan springen de kleuren bijna uit het aquarium.
Het vermelde aquarium in Gent genoot dan ook direct mijn aandacht. Een prachtige groep regenboogvissen die ik echter niet meteen kon thuisbrengen. Het naamkaartje gaf aan: “Melanotaenia parkinsoni”.
Hoe komen die nu aan hun naam, ze hangen daar toch niet te beven in dat aquarium? De interesse was meteen gewekt en thuis gekomen, wilde ik er wel wat meer over te weten komen.
Melanotaenia parkinsoni of Parkinson’s regenboogvis, zoals hij ook wel genoemd wordt, werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven door G.R. Allen in 1980 en werd genoemd naar Brian Parkinson, een vriend van Gerry Allen die geregeld met hem optrok bij zijn reizen in Papua Nieuw Guinea, en heeft dus niets met die vreselijke ziekte te maken, maar dat hadden jullie al wel door.


Foto: Gilbert Maebe
Onbekend is onbemind, Melanotaenia splendida, de oosterse regenboogvis
Gilbert Maebe - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland / IRG België
270

Samenvatting der soorten
Melanotaenia splendida is veruit de meest verspreide soort van de regenboogvissen. Ze komt voor zowel in westelijk en centraal Nieuw-Guinea als in Noord-Australië van de Adelaide river in Northern Territory, de oostkust van Queensland, Centraal-Australië en een aantal rivieren in New South Wales. De soort wordt onverdeeld in 4 ondersoorten:
Melanotaenia splendida inornata (Noordoost-Australië);
Melanotaenia splendida rubrostriata (Papua-Nieuw-Guinea);
Melanotaenia splendida splendida( Oost-Australië);
Melanotaenia splendida tatei (Centraal-Australië).
Aanvankelijk werd de soort verzameld in de Fitzroy river in Centraal-Queensland en in 1866 wetenschappelijk beschreven als Nematocentrus splendida. Dr. Gerald Allen plaatste ze, bij zijn revisie van de familie Melanotaeniidae in 1980, onder hun huidige naam.
De verschillende ondersoorten van M. splendida zijn niet eenvoudig van elkaar te onderscheiden door hun grote variatie in kleur en markeringen. Visuele verschillen zijn de lichaamshoogte en het kleurenpatroon. Dit is afhankelijk van de locatie en hun natuurlijke omgeving. Elk riviersysteem heeft zijn eigen variëteit, die afhankelijk is van het kleurenpatroon van de verschillende periodes van hun leven en is gerelateerd naar de leeftijd, geslacht, stress, biotoopcondities en de voortplantingsperiode. De geografische verspreiding is een zeer goed hulpmiddel. Indien je weet waar ze vandaan komen in de natuur, kun je in ’t algemeen een betrouwbare identificatie maken. Om populaties te identificeren is het dus wenselijk om de vindplaats te kennen en ook te vermelden, zoals bv. Melanotaenia splendida (Burdekin river). Zelfs de wetenschap is er nog niet uit om exact te bepalen over welke ondersoort het nu precies gaat.

Biologie en ecologie
De meeste informatie is beschikbaar door waarnemingen in het aquarium. Hun maximum lengte ligt rond 12 à 15 cm, maar ligt meestal tussen 8 à 12 cm. Mannetjes zijn veel kleurrijker, groter en hebben een veel hogere lichaamsbouw dan de vrouwtjes. De mannetjes hebben langere buitenste vinstralen van de tweede rug- en anaalvin. Vrouwtjes en jongen zijn volledig zilverachtig van kleur en vinstelsel. Dit laatste is lichtjes kleurrijker bij de mannetjes. De seksuele rijpheid begint bij 3 à 4 cm voor beide geslachten.
Hun natuurlijk voedsel bestaat uit algen, water- en landinsecten en micro-schaaldiertjes. Soms werd ook detritus van plantaardig materiaal gevonden in de ingewanden.
In de natuur gebeurt de voortplanting meestal dicht tegen het regenseizoen aan, men treft echter soms gedurende het hele jaar enkelingen in paaiconditie aan. Tijdens het regenseizoen, van november tot april, vergroot hun biotoop door overstromingen, waardoor een groter voedselaanbod ontstaat. Vaak gaat door een te krachtige stroming veel kuit of jongbroed verloren. In contrast hiermee staat een paaipiek in het droge seizoen van mei tot oktober. De larfjes worden dan geboren in een relatief rustiger omgeving, waardoor er een grotere overlevingskans is.
M. splendida paait over ’t algemeen wanneer de natuurlijke omstandigheden een optimale kans bieden op bevruchting van de eitjes en het overleven van de jongen. Die eitjes, van ongeveer 1 mm groot, worden afgezet tussen planten en andere objecten waaraan ze zich met een kleverig draadje vasthechten, waardoor ze beschermd zijn tegen predators. M. splendida is ook een “duurtelegger”, d.w.z. er wordt niet volledig afgepaaid in enkele uren. Dagelijks wordt een aantal eitjes afgezet zolang de omstandigheden gunstig zijn. Het aantal eitjes is afhankelijk van de grootte van de vrouwtjes en kan oplopen bij volwassen vrouwtjes tot meer dan 100 eitjes per dag. De incubatietijd is afhankelijk van de temperatuur van het water en ligt, bij 25 °C, rond zeven dagen. Na het uitkomen zwemmen de jongen onmiddellijk naar het wateroppervlak waar ze op jacht gaan naar voedsel. Het meest opmerkelijke gebeuren bij de voortplanting, is de veel intensere kleur van zowel de man als de vrouw, waarbij de man op de vrouw jaagt en haar aanstoot in de buikzone. Bij het paaien zelf zwemmen beide geslachten naast elkaar en wordt, onder hevig sidderen, de geslachtsproducten, kuit en homvocht, uitgestoten, terwijl de man met zijn staartvin de eitjes verspreidt in en over het substraat. Bij de geboorte hebben M. splendida jongen een lengte van 2 à 4 mm, ze zijn volledig ontwikkeld en kunnen goed zwemmen. Hun groei is afhankelijk van het voedselaanbod en verloopt traag gedurende ongeveer 2 weken. In die periode moet hun voeding bestaan uit voldoende klein voedsel – liefst levend aanbod– zoals fytoplankton (groen water) en zoöplankton (infusoriën). Naargelang hun groei waarbij temperatuur, waterkwaliteit en voeding een belangrijke rol spelen, dient de grootte van het voedsel te worden aangepast aan de grootte van hun muil. In volgorde kan men variëren met: Artemia; Cyclops; Daphnia; droogvoer; zwarte; witte en rode muggenlarven; Mysis en Krill. Ook zelfgekweekte azijnaaltjes, microwormpjes, grindalwormen en enchytraeën zijn, afhankelijk van de grootte van de vissen, een welgekomen afwisseling.
Zelf voeg ik vanaf een grootte van de jongen van 1,5 cm steeds ongeveer 15% plantaardig voedsel toe. Dit bestaat uit diepvriesspinazie, sla (gekookt en diepgevroren) en worteltjes eveneens gekookt en diepgevroren. Ik neem telkens een gelijke hoeveelheid van de drie groenten, laat ze ontdooien en maak ze met de staafmixer voldoende klein, waarna ik het vermeng met de rest van hun voedsel. In een later stadium komt ook eendenkroos in aanmerking als plantaardig snoepje.

Wees vooral streng bij de selectie van je kweekdieren en later bij de jongen. Het is bijzonder moeilijk om in een later stadium aan vers bloed voor je kweekdieren te komen. Enkel door zeer streng te selecteren kunnen we degeneratie zo lang mogelijk uitstellen.
  BBAT-informatief 276
  VOEDSELGIDS Voedselgids bijlage - Terrarium - Reptielenvoeding - Slangen (3)
Voedselgids bijlage - Terrarium - Reptielenvoeding - Hagedissen
 
Top