Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 67 - 2014
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 67 – Nr. 9 - September 2014
 
ISSN 1372-6501

Foto:M. Karlsonn
Chalinochromis cyanophleps, een nieuwe Tanganyika cichlide
Patrick Loosveldt - Wagtail Aalst
282

In het mei-2014-nummer van dit tijdschrift verscheen een artikel van Romain Van Lysebettens over Chalinochromis brichardi uit het Tanganyikameer, overigens geïllustreerd met unieke biotoopbeelden van de auteur zelf. Het toeval wil dat de maand ervoor een nieuwe soort uit hetzelfde genus werd beschreven, namelijk Chalinochromiscyanophleps.
De cichliden uit het genus Chalinochromis komen endemisch voor in het Tanganyika-meer. Tot voordien bestonden er slechts twee officieel beschreven soorten, zijnde Chalinochromis brichardi Poll (1974) en Chalinochromis popelini Brichard (1989). Deze worden aangevuld met twee vormen die in aquariummiddens gekend zijn onder de namen “C. bifrenatus” en “C. ndobhoi". Van beide is het echter niet duidelijk of het aparte soorten zijn, dan wel kleurvarianten van bestaande soorten.
Maar er was nog een andere soort die al in 1991 werd ontdekt aan Ulwike Island, gelegen in het Tanganyikameer aan de kust van Tanzania. Het was een donkere cichlide met een blauwe streep onder de ogen en met felblauwe vinnen. In de daarop volgende jaren werd deze cichlide meermaals, maar slechts in kleine aantallen, geëxporteerd naar Europa en Amerika, onder de benaming Chalinochromis sp. “Blue vein” en Chalinochromis sp. “Purple vein”. Het viel van in den beginne op dat volwassen exemplaren met hun lengte van ongeveer 18 cm, groter waren dan de toen gekende Chalinochromis-soorten. Ook de kleuren verschilden danig om zomaar te spreken van een kleurvariant. In mei 2012 werd door Karlsson en Karlsson een artikel over de sp. “Blue vein” gepubliceerd in “The Journal of the Nordic Cichlid Association”, geïllustreerd met foto’s van de vissen op zeer grote diepte in hun natuurlijke biotoop. Deze soort stond dus op de wachtlijst om officieel onderzocht te worden, wat uiteindelijk gebeurde in 2014 door de wetenschapper Sven O. Kullander, verbonden aan het Swedish Museum of Natural History.
Uiterlijke kenmerken zijn het donkere lichaam en de blauwe glans op de vinnen, waarbij de rugvin een felblauwe rand heeft die helemaal doorloopt tot op de bovenzijde van de staartvin. De randen van de ogen zijn geel tot oranje gekleurd, met daaronder een iriserende blauwe lijn. Dit laatste komt ook wel voor bij andere soorten, maar ze is breder en net iets opvallender. De soortnaam cyanophleps komt overigens uit het Grieks en betekent “met blauwe aders”. Dit is een rechtstreekse verwijzing naar die blauwe streep onder de ogen. Voor het overige is er uiterlijk niet echt een verschil tussen mannetjes en vrouwtjes.

 

Foto: BBAT-archief
Kan iedereen visjes kweken?
Willy Versavele - Exotica Roeselare
286

Ik denk van wel, maar … er zijn bepaalde omstandigheden waar men rekening mee moet houden.
Tijd, plaats en geduld, veel geduld. Voor zalmpjes een goede samenstelling van de visjes, ofwel in groep laten paren of per koppel. Mijn laatste kweek gaat over het mooie visje: Mikrogeophagus ramirezi ‘electric blue’ of de blauwe ramirezi.
Eerst was er de gewone, dan de gouden en nu de blauwe. In mei 2013 kocht ik vier stuks waarvan ik dacht twee mannen en twee vrouwen. Ze waren nog klein en niet helemaal op kleur, maar nu vijf maanden later zijn het blauwe juweeltjes. Mooi iriserend, ze kunnen via hun gemoedstoestand of een bepaalde lichtinval zo mooi van kleur veranderen. Ik bedoel blauw en zwart of lichtblauw met geel in de rugvin, de vonken spatten er zo vanaf. Vandaar dat de naam “electric” zo goed met hen samen gaat.
Ik had voor hen een 80 cm aquarium ingericht met veel planten. De temperatuur was ingesteld op 26 °C, een ph van 6,5 en een KH van 4 °dH. Als filter een binnenfilter met Siporax en perlonwatten. Ronde keien, maar niet eender welke. Amberkleurig moeten ze zijn, omdat men op witte of zwarte stenen de eitjes ziet liggen en die vermijden ze daarom.
Ik legde een tiental centimeter boven “hun” steen fijn kienhout en rond hun paaiplaats planten om zich af te schermen van eventuele pottenkijkers. Heteranthera zosterifolia is zo een van die plantjes waar ze al eens aan duwen, en ook eens makkelijk door kunnen “vlammen” als het nodig is. Heel de zomer kregen ze van mij veel levend voedsel; ik heb me uitgesloofd voor die vier.
En nu, vijf maanden later, na een wekelijkse waterverversing, startte ik een klein buitenfilter met turf om wat aan te zuren. En ja hoor, er kwam verandering in. Schijngevechten volgden elkaar op, als gekken achter elkaar zwemmen deden ze nu ook, er zat elektriciteit in de lucht. Sorry, elektriciteit in mijn aquarium zou hier meer op zijn plaats zijn.
Eén begon met veel overgave een steen te kuisen, loodrecht zoals een kopstaander. Dan kwam er een tweede erbij, honderden zoentjes, wat zeg ik, duizenden zoentjes gaven ze op die kei. Dan legde de ene de eitjes, die had geen schuine streep door het oog. De andere, iets feller van kleur, had wel een schuine oogstreep en die bevruchtte de eitjes. Bijna een uur, altijd op het zelfde ritme, deden ze zo verder. Af en toe schoot het mannetje even weg, om zijn medebewoners weg te jagen. Ze kunnen wel agressief overkomen, maar geen erg: alles koelt zonder blazen. Om tien uur ging het licht uit en ze bleven mooi zwemmen boven hun liefdesnestje. Heel zachtjes bewaaierden ze hun eitjes. Af en toe namen ze een onbevrucht eitje weg, dat was wat ik ‘s morgens zag, maar dat liefdevol tafereel moest ik storen.
Nu moest ik in actie komen.

 

Foto: Arend van den Nieuwenhuizen
Bacopa
Fernand Verbeeck
290

Bacopa amplexicaulis kwam al in de vijfde jaargang van Aquariumwereld aan bod via dhr. A. Borgns. Daarna was het wachten op teksten van Karl Rataj betreffende Bacopa amplexicaulis (1972) en Bacopa monnieri (1974) en in 1992 deed Peer Koppenaer de deur dicht met zijn artikel “Bacopa in het aquarium”.
Daar het hier wel een interessant genus betreft, hetwelk nog steeds vrij veel aangeboden wordt, vind ik het hoog tijd om het verleden aan te vullen met meer recente gegevens.
Bacopa of vetblad is slechts één van de 280 genera tellende familie der Scrophulariaceae welke dan weer tezamen ruim 3000 soorten tellen. Bacopa is met zijn 100-tal soorten dus beslist niet het minst talrijke geslacht. Bacopa-soorten zijn eerder lage kruidachtige planten welke zowel in tropische als subtropische gebieden voorkomen.
Soms wordt ook voor Bacopa het ongeldige Herpestis als genusnaam gebruikt.
Bij de beschrijving der soorten heb ik ook de overal bij elkaar gesprokkelde synoniemen weergegeven. Het is daarbij niet de bedoeling om te tonen dat ik mijn huiswerk goed heb gemaakt maar om aan te geven dat door gebrek aan communicatie – in vroegere tijden – en het niet teruggaan naar de eerstbeschrijving van een genus of soort verwarring sticht. Het feit dat daarenboven sommige auteurs een emerse vorm beschreven zonder de submerse of vice-versa te kennen heeft ook veel tot deze synoniemenrijkdom bijgedragen.

 

Foto: JBL
Catappa bladeren
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland
298

Wetenschappelijke naam: Terminalia catappa
Algemene naam: Indische amandelbladeren, tropische amandelbladeren, zoete amandelbladeren, wilde amandelbladeren, zee amandelbladeren, Catappa bladeren, Java amandelbladeren, Ketapang bladeren.
Omschrijving
Terminalia catappa is een grote tropische boom uit de familie der Combretaceae. De herkomst van de boom is echter onduidelijk en men vermoedt dat het India, het Maleise schiereiland, Nieuw-Guinea of Australië kan zijn geweest. Andere algemene namen voor de boom zijn Indische amandel, Bengalen amandel, Singapore amandel, Malabar amandel, tropische amandel, zee amandel en parapluboom.
Hij groeit tot 35 m hoog, met een rechte, symmetrische kroon en horizontale takken. Als de boom ouder wordt, wordt de kroon meer afgevlakt en krijgt hij een vaasvorm. De bladeren zijn groot, 15-25 cm lang en 10-14 cm breed, eivormig, glanzend donkergroen en leerachtig. Het is een, in het droogseizoen, bladverliezende boom en voordat deze vallen, verkleuren ze naar rozerood of geelbruin. Dit ten gevolge van pigmenten zoals violaxanthine, luteïne, en zeaxanthine. Deze boom laat zijn bladeren pas een eerste keer vallen na 3 tot 4 jaar.
De bloemen zijn eenhuizig, met verschillende mannelijke en vrouwelijke bloemen op dezelfde boom. Beide zijn ±1 cm in diameter, wit tot groenachtig, onopvallend en zonder blaadjes. De vrucht is een steenvrucht van 5-7 cm lang en 3 à 5,5 cm breed, eerst groen, daarna geel en uiteindelijk rood eens ze rijp zijn, met één enkel zaad. Ze zijn eetbaar en de smaak lijkt op die van amandelnoten.
De bladeren worden hoofdzakelijk geoogst in Aziatische landen, vandaar ook hun soms controversiële exotische naam, afhankelijk van uit welk land ze komen. Deze die worden beschouwd als biologisch en/of voor aquariumgebruik, moeten evenwel 100% vrij zijn van verontreinigende stoffen en chemicaliën die de vissen kunnen schaden, zelfs doden. Ze mogen dus zeker niet afkomstig zijn van een locatie in de buurt van bebouwing en zelfs heel ver van elke industrie groeien. Enkel hiervandaan zullen de bladeren puur zijn en geen giftige stoffen bevatten.
Enkele leveranciers benadrukken in dit verband ook de ecologische verwerving en dito behandeling van de bladeren, waarbij bv. enkel deze worden gebruikt die van de boom afgevallen zijn. Deze bieden (volgens hen) dus geen bladeren aan die geplukt zijn. Hun bladeren zijn stuk voor stuk gewassen met schoon en zuiver water, dus niet met schoonmaak- of andere reinigingsmiddelen. Daarna werden de bladeren gedroogd in de zon, dus niet kunstmatig en stuk voor stuk (!) gestreken, zodat ze prima verzonden kunnen worden. Of deze laatste alinea marketingpraat is, laat ik over aan jou, lezer om te beoordelen…


Foto: Walter Dorriné
Kalkreactor: de theorie in praktijk
Walter Dorriné - Tanichthys Hasselt
302
Waarom een kalkreactor?
In een goed draaiend rifaquarium verbruiken kalkwieren en steenkoralen aanzienlijke hoeveelheden calcium (Ca) voor het bouwen van hun kalkskelet. Samen met het calcium wordt bicarbonaat (HCO3-) verbruikt om kalk (CaCO3) te vormen waardoor ook de alkaliniteit daalt. Alkaliniteit, ook wel carbonaathardheid (KH) of zuurbindend vermogen genoemd, is een maat voor het vermogen van het aquariumwater om zich te verzetten tegen verzuring. Een lage alkaliniteit betekent dat het water weinig gebufferd is en de pH dus snel te laag zal worden. In aquaria wordt de alkaliniteit grotendeels bepaald door de bicarbonaatconcentratie, vandaar dat ze samen met de calciumconcentratie zal dalen. Als we dus het calciumverbruik gaan compenseren doen we dat best met een methode die ook de alkaliniteit herstelt, de zogenaamde gebalanceerde methodes. Onder de gebalanceerde methodes vinden we o.a. calciumhydroxide (Ca(OH)2), de kalkreactor en sommige kant-en-klare additieven. Een voorbeeld van een niet-gebalanceerde methode is calciumchloride (CaCl2) omdat hier geen bicarbonaat toegevoegd wordt. Welke methode de beste is hangt af van de omstandigheden en het soort aquarium.
  • CaCl2 wordt meestal gebruikt om een ernstig calciumtekort snel te compenseren, het is niet geschikt om op lange termijn te gebruiken omdat de alkaliniteit niet wordt hersteld.
  • Commerciële gebalanceerde additieven, meestal bestaande uit 2 vloeistoffen, zijn uitstekend geschikt. Voor grotere systemen wordt dit echter snel een dure aangelegenheid.
  • Ca(OH)2 of kalkwater is waarschijnlijk de beste methode omdat het hydroxyl-ion (OH-) samen met het vrije CO2-gas bicarbonaat zal vormen. De methode is dus niet enkel gebalanceerd maar neutraliseert bovendien het overtollige CO2. Helaas is deze werkwijze beperkt door de hoeveelheid water die uit het systeem verdampt en dus voor aquaria met veel rifbouwende koralen ontoereikend. Bovendien is het kalkwater beperkt houdbaar en moet dus geregeld een nieuwe oplossing gemaakt worden, een onaangename en niet volledig ongevaarlijke karwei.
De kalkreactor is aanvankelijk weliswaar duurder, maar op termijn zeker het eenvoudigste systeem. Een goed afgeregelde reactor, van voldoende capaciteit, kan maandenlang draaien zonder enige interventie. Een nadeel van de kalkreactor is dat er altijd CO2 meegevoerd wordt naar het aquarium, wat vooral bij (te) kleine reactors wel eens voor problemen kan zorgen. In dit artikel wordt nagegaan hoe we dit probleem tot een minimum kunnen beperken.

Foto: Guido Lurquin
Cyperus involucratus, de papyrus of parapluplant
Fernand Verbeeck
308

Wat verklaart ons de wetenschappelijke naam? Kyperos is Oud Grieks en duidt aan dat de wortels van de plant een geur afgeven. Uit de taal van de Romeinen komt involucratus dat omhulsel betekent. Hierbij wordt de aandacht gevestigd op de schutbladeren. Dan vind ik de voormalige soortnaam alternifolius veel beter. Hij stamt uit het Latijn en is samengesteld uit alterni = afwisselend of verspreid en folius = blad. Dus hebben we te maken met een plant die geurende wortels bezit en afwisselend of verspreid staande bladeren. De Nederlandse naam parapluplant doet denken aan de ons uit het aquarium bekende Eleocharis vivipara. Ze behoren wel beide tot dezelfde plantenfamilie, maar verhouden zich ten opzichte van elkaar als David en Goliath. Zo teer ons aquarium plantje is, zo robuust is onze moerasplant. In de natuurlijke biotoop in Oost-Afrika, op Madagaskar en Mauritius kunnen ze een hoogte bereiken tot drie meter.
Als lid van de Cyperaceae onderscheidt hij zich van de grassen door de driehoekige doorsnede van zijn stengel. Deze van ribben voorziene stengels snijden bij het uittrekken flink in uw handen. Het vee laat deze cypergrassen daarom ook wijselijk met rust.
Het stekken van deze plant lijkt op het eerste zicht onwaarschijnlijk. Men gaat immers als volgt te werk. Men onthoofd enkele stengels tot één centimeter onder de kroon en kort de bladeren in tot twee à drie centimeter en plaatst de toppen daarna “omgekeerd” in het water tot er na een week wortels en kleine plantjes aan verschijnen. Twee maanden later worden ze dan voorzichtig opgepot. Indien er op de plant geknakte stengels voorkomen, knipt men deze gewoon af en gebruikt de kop als stek. Een potvulsel kan men best als volgt samenstellen: één derde Spagnum of veenmos om het water op te slorpen en vast te houden, één derde goede potgrond en als laatste derde scherp zand zoals rijnzand. Hieraan wordt per emmer van tien liter het volgende toegevoegd: vier afgestreken koffielepels tuinmestkorrels, dezelfde hoeveelheid superfosfaat en zes van dezelfde lepeltjes kalk. Goed mengen en handvochtig maken. Weldra vormt onze zegge flinke pollen of zoden.
Cypergrassen kan men ook vermeerderen door met een scherp mes de kluit te delen. Een goed mengsel om op te potten bestaat uit drie delen potgrond, twee delen klei en één deel verteerde koemest. Pas twee maanden later mag men bij het begieten weer kunstmest geven.
Laat de pot steeds in een met water gevulde plantenschotel staan, want zij houden van natte voetjes. Als u hem als kamerplant gebruikt, moet u er op letten dat de luchtvochtigheid hoog genoeg is of regelmatig sproeien. In de keuken en de badkamer komt hij via de damp wel automatisch aan zijn trekken.

  BBAT-informatief 314
  VOEDSELGIDS Voedselgids bijlage - Terrarium - Reptielenvoeding - Hagedissen (2)  
Top