Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 67 - 2014
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 67 – Nr. 10 - Oktober 2014
 
ISSN 1372-6501

Foto:Romain Van Lysebettens
Een zandbewoner met een "bult"
Romain Van Lysebettens - Moerbeekse A.V.
322
Van alle leefgebieden uit het Malawimeer in Afrika bieden de bewoners uit de rotsbiotopen de aquariumliefhebber de grootste diversiteit aan kleurrijke vissen! De veel minder in de aandacht gebrachte zandhabitat biedt nochtans ook heel wat interessante soorten aan. Daarvan is Cyrtocara moorii zeker een van de meest gehouden onder de utaka’s. Hij is ook de enige vertegenwoordiger uit het genus Cyrtocara.
Vindplaats(en)/habitat
Komt bijna in het gehele meer voor waar ze leven boven zanderige bodems op dieptes van 3 tot 15 m. Blijkbaar zouden de grootste populaties te vinden zijn tussen Nkhata Bay en Chilumba.
Beschrijving
Vanwege de enorme toegankelijkheid van het gebied, waarbinnen er zo goed als géén schuilplaatsen te vinden zijn, hebben bijna alle soorten die hier voorkomen een lichte, zilverachtige kleur die een prima camouflage vormt. Cyrtocara moorii behoort evenwel tot een groep cichliden die opvallend blauw is. Ook Placidochromis electra, Protomelas annectens, Otopharynx selenurus en Placidochromis phenochilus behoren hiertoe.
De volwassen exemplaren van onze “malawidolfijn” zijn rond de 23 cm groot. Mannelijke exemplaren zijn te herkennen aan hun voorhoofdbult die vergroot bij het ouder worden en een soort vetreserve is. Vrouwtjes zijn iets kleiner en de “bult” is ook minder opvallend.
Gedomineerde individuen vertonen drie min of meer donkere vlekken op de flanken en zijn niet zo fel blauw gekleurd.
Opmerkelijk gedrag en eetgewoonte in de natuur
Eerst eventjes het volgende toelichten: het voedsel van de meeste zandbewonende cichliden bestaat uit ongewervelden die zich onder het zand bevinden. Nu worden er verschillende manieren toegepast om deze prooidieren te bemachtigen. Aulonocara’s gaan boven het zand staan “luisteren” en duiken als het ware achter hun prooi (zie om meer uitleg AQW jg. 66 n°10). Lethrinops-soorten graven in het zand en zeven dit door hun kieuwen. Dan heb je ook nog andere die de bovenste laag zand wegblazen om zodoende hun prooien te bemachtigen.
Soorten zoals Taeniolethrinops praeorbitalis en Fossorochromis rostratus, die werkelijk als bulldozers graafwerken uitvoeren, behoren tot de grote cichliden die we bij de categorie en onder de noemer van “zanddoorkauwers” kunnen plaatsen.
Bij al deze werkzaamheden komt heel wat opdwarrelend materiaal in het water terecht en daar profiteert  C. moorii van. Hij laat als het ware de anderen het werk voor hem fiksen. Hij is steeds in de onmiddellijke omgeving van die zanddoorkauwers. Hij interesseert zich in die vrijgekomen, doorploegde wolk zand, waar hij de resterende prooidiertjes uitzift.
Ik beweer niet dat het de reinste profiteur is. Het is veeleer een vorm van duurzame samenleving: twee partijen genieten van dezelfde voedselbron, waarbij de ene voordeel haalt zonder de andere te schaden. Tijdens dit foerageren over de zandvlaktes is C. moorii tevens niet vies om zijn “gastheer” bij te staan om de voedingszone te helpen verdedigen tegen al te opdringerige vissen.
In het aquarium
In het aquarium kan zijn gedrag als zeer sociaal worden beschouwd. Een groot aquarium met een ruime zandvlakte is aan te bevelen. Zijn speels gedrag is hierbij snel waarneembaar indien we hem de gepaste medebewoners geven en hierbij mag de prachtig gekleurde Fossorochromis rostratus zeker niet ontbreken. Als we daarentegen C. moorii plaatsen in een aquarium met al te drukke medebewoners zal hij vrij snel wegkwijnen, vermageren en de prachtig blauwe kleur wordt flets… Dus hen samen plaatsen met mbuna’s is géén goed idee!
In het aquarium leren ze zeer snel allerlei voedsel met gulzigheid te aanvaarden!
Voortplanting
Bij heel wat utaka’s komen de prachtige kleurpatronen pas tot hun volle recht eens de broedtijd aanbreekt; C. moorii blijft echter zijn mooie blauwe kleur handhaven.
In de natuur vindt de paring plaats op de open zandvlakte zonder de aanmaak van een of ander graafwerk.
In het aquarium kun je twee wijzen van afzetten waarnemen: in een hol of op een platte steen en dit laatste dan ook wel op een zandvlakte. Het vrouwtje zet in verscheidene keren een aantal eitjes af die door de man telkens worden bevrucht en dan pas in de muil worden genomen door het vrouwtje. Bij 24 °C en na 22 à 23 dagen lost het vrouwtje voor het eerst een 30-tal jongen van ongeveer 10 mm groot. Ten slotte wil ik nogmaals herhalen dat een combinatie met mbuna’s niet aan te raden valt. Cyrtocara moorii behoort in een zandbiotoop en als goeie MalawiLIEFhebber kan dit géén moeilijke opdracht zijn. Door hun staalblauwe kleur wordt u gegarandeerd met een schouwspel voor het oog beloond.
 

Foto: Ian Fuller
Corydoras gryphus, een nieuwe pantsermeerval
Patrick Loosveldt - Wagtail Aalst
326

De familie der Callichthyidae of pantsermeervallen, bestaat uit een aantal bodembewonende vissoorten, waarbij de genera Corydoras en Aspidoras de hoofdbrok vormen. Het genus Corydoras omvat ongeveer 160 soorten, waarvan er al bij al veel soorten in het aquarium worden gehouden. Publiekslievelingen zijn Corydoras panda en C. sterbai. Klassiekers zijn C. paleatus en C. aeneus. Daarnaast kun je geregeld andere attractieve soorten in de handel aantreffen. In maart 2014 werd een nieuwe en zeer interessante Corydoras-soort beschreven: Corydoras gryphus.
Wat Corydoras gryphus zo bijzonder maakt, is het uiterlijk verschil tussen mannetjes en vrouwtjes! Dit is zeer ongewoon bij corydorassen. Bij de mannetjes zijn de eerste en tweede rugvinstraal namelijk sterk verlengd. Bij sommige mannetjes reiken ze zelfs bijna tot aan de staart. Ook de eerste vinstraal van de borstvin is bij de mannetjes verlengd. Er is dus een duidelijk visueel waarneembaar verschil tussen de geslachten, een fenomeen dat voordien enkel werd waargenomen bij Corydoras longipinnis en C. tukano. De tekening van de vlekken op het lichaam is echter verschillend met deze twee soorten. Wat betreft kleurpatroon zijn er meer gelijkenissen met Corydoras diphyes en C. flaveolus, maar het uiterlijk verschil tussen mannetjes en vrouwtjes is hoe dan ook een onoverbrugbaar kenmerk ten aanzien van andere soorten.
De type exemplaren van Corydoras gryphus werden reeds op 15 oktober 1982 gevangen in de rio Paraná, in de buurt van de Itaipu-stuwdam, nabij “Ponte da Amizade”. Het Itaipu meer ligt op de grens van Brazilië met Paraguay. De type vindplaats ligt nog net op het grondgebied van Brazilië. In de zeer lange rio Paraná komen al twaalf soorten Corydoras voor, zijnde Corydoras aeneus, C. carlae, C. difluviatilis, C. diphyes, C. ehrhardti, C. flaveolus, C. gladysae, C. longipinnis, C. micracanthus, C. paleatus, C. petracinii en C. undulatus. De onbekende soort werd onderzocht en op naam gebracht door Tencatt, Britto en Pavanelli. Zij deden hun studie op de klassieke manier, zonder DNA-toestanden, en ontleedden de vissen zeer minutieus met metingen tot op een tiende van een millimeter.
De rio Paraná is een zeer lange rivier in Zuid-Amerika en het stroomgebied werd van oudsher opgesplitst in twee ichthyologische delen, vanwege de natuurlijke barrière “Cachoeira de Sete Quedas". Later werd daar door de mensheid de Itaipu dam gebouwd, zodat er nog steeds een fysieke afscheiding is tussen de vispopulaties aan weerszijden van deze dam. Echter, door het aanleggen van kanalen her en der, is er door menselijk toedoen een verbinding ontstaan tussen de twee delen, met vismigratie tot gevolg. Niettegenstaande de nieuwe Corydoras-soort stroomafwaarts van de Itaipu dam werd aangetroffen, valt dus niet uit te sluiten dat de vissen ook hogerop voorkomen.
Verschillende wetenschappers – en ook liefhebbers – hebben in de loop der tijd al vaak geprobeerd om de vele Corydoras-soorten wat te ordenen door ze in groepen onder te verdelen. Dit gebeurde de ene keer op basis van uiterlijke kenmerken, de andere keer op basis van diepgaander wetenschappelijk onderzoek. Echter bestaat er tot op vandaag hierover nog geen consensus, en dat zal ondanks de moderne DNA-technieken allicht niet snel veranderen. Deze nieuwe soort kan dus helaas (nog) niet bij één of andere groep worden ondergebracht.

Een bedenking…
Het tamelijk recent – C. tukano werd pas in 2003 beschreven – onderkennen van vinverlengingen bij wildvormen, deed een belletje rinkelen. Er waren vroeger al gekweekte sluiervin-vormen van Corydoras cf. paleatus bekend, met als summum de albino sluiervin-corydoras. Zouden deze aquariumvormen op één of andere manier afstammen van wildvormen? … Helaas niet … Uit een onderzoek in 2007 is gebleken dat deze gedrochten het resultaat zijn van gemanipuleerde, selectieve en (in)kruisingskweek, en totaal niets te maken hebben met de recent beschreven wildvormen met vinverlengingen.

Nog een bedenking…
In 2011 maakten Fuller & Evers melding van een onbeschreven Corydoras-soort uit de regio Misiones in Argentinië. In het liefhebbers-circuit vind je deze soort onder de code “C07” of onder de benaming Corydoras sp. “Misiones”. Ook de mannetjes van Corydoras sp. “Misiones” hebben verlengde rugvinstralen. Ze hebben gelijksoortige zwarte, ietwat vertikaal gerekte vlekken op de middellijn van de flanken. Anderzijds heeft Corydoras sp. “Misiones” onregelmatige zwarte vlekken op de snuit en de bovenzijde van de kop, welke ontbreken bij C. gryphus. Opmerkelijk is wel dat de type vindplaats van C. gryphus relatief dicht bij Misiones ligt. Er zijn bijgevolg sterke argumenten om aan te nemen dat het hier over dezelfde soort gaat, of op zijn minst sterk verwant, al kan zoiets enkel en alleen bevestigd worden door een analyse uit te voeren op wildvang exemplaren van de corydorassen uit Misiones. Er is dus nog wat werk aan de winkel voor de wetenschappers!

 

Foto: Walter Van der Jeught
Caridina cf. cantonensis 'Crystal Red'
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw.
330

Deze bijzonder mooi gekleurde rood-witte kweekvorm van de bijengarnaal (?) waarbij wit, echt wit is en rood, echt rood zat oorspronkelijk op school in mijn bureau in een nano-aquarium en was voor elke bezoeker steeds dé locatie om aangenaam en op een totaal andere manier, kennis te maken. Deze zoetwatergarnaal is voor mij persoonlijk ook één van de mooiste garnaalsoorten die momenteel te koop is. Vandaag, als ik dit schrijf, is het schoolvakantie en zitten ze in een speciaal voor hen ingericht aquarium van 60 x 40 x 40 cm. Ook in mijn bureau, maar dan thuis, boven.
Ik schrijf nu wel “kweekvorm van de bijengarnaal”, maar het is nog niet helemaal duidelijk waar ze nu juist vandaan komen. De eerste rood-witte garnaaltjes doken naar het schijnt op in Japan. Blijkbaar zouden deze kristalrode dwerggarnaaltjes sinds 1996 gekweekt zijn door ene Hisayasu Suzuki en dit uit een klein aantal rode garnaaltjes. Intussen zijn er verschillende kweeksoorten van de ‘Crystal Red’. Ze onderscheiden zich van de rode door de aanwezigheid van een aantal witte lichaamsbanden. Bovendien, zo leerde ik, hoe meer wit er aanwezig is op dat (rode) garnaaltje, des te duurder ze zijn. In Japan betaalt men grote bedragen voor ‘Crystal Red’ garnalen die rijkelijk voorzien zijn van de witte kleur. Als je de foto’s van mijn garnaaltjes bekijkt, denk ik dat ik met € 2 niet te veel betaald heb. Al blijft het duur natuurlijk, 80 oude Belgische Frank voor één garnaaltje van ca. 8 mm groot bij aanschaf. Mannetjes worden ca. 20 mm, vrouwtjes 25 mm groot.
Zoals in de commerciële hobby dikwijls het geval is, worden ook deze garnaaltjes in verschillende gradaties ingedeeld. Men spreekt van “gradatie C” (geen of bijna geen wit) tot “gradatie A” (met drie of vier dikke witte banden). Bij deze laatste moet het witaandeel dekkend zijn en het rode deel moet zeer fel gekleurd zijn. Er zijn ook gradaties hoger dan A en hebben dan meer wit dan rood en worden met gradatie S, SS of SSS aangeduid. Een overzicht:
SSS                             bijna geheel wit;
SS                               middelste rode banden zijn iets korter;
S                                 vier witte heldere banden;
Grade A                       drie tot vier witte strepen, het ‘wit’ moet wel dekkend zijn;
Grade B                       aantal strepen, of niet dekkende ‘wit’ gedeelten;
Grade C                       geen of nauwelijks wit.
Welke ik heb, moet je als lezer zelf maar proberen te concluderen. Vormt zich bij deze garnalen een bepaald patroon, dan krijgen die vaak nog een toevoeging zoals "Hinomaru", "V-type" of "Tiger Tooth".
Door selectieve kweek en het inkruisen van hommel- en bijengarnalen is het mogelijk om de gradatie van de ‘Crystal Red’s’ te verbeteren. Zelf hoop ik gewoon met de garnalen die ik heb te kunnen verder kweken, want ze worden maar twee jaar oud. Andere Europese namen voor de kristalrode garnaal zijn: Kristallrote Zwerggarnele en Red Bee Shrimp.

 

Foto: Rob D'heu
Een dinosauriër in huis... Chlamydosaurus kingii
Rob D'heu - Aquatom vzw.
338

Uiteraard gaat het hier niet over een echte dinosaurus, maar wel over Chlamydosaurus kingii of de kraaghagedis. Ik denk dat ik voor veel mensen mag spreken omdat ze bij de imposante aanblik van C. kingii, met de kraag en bek helemaal open, spontaan aan een draak of dinosaurus moeten denken. Mijn eerste herinnering aan deze hagedissen komt uit de Disney film: "De reddertjes in kangoeroeland".
10 jaar geleden kwam ik ze echter in vlees en bloed tegen in een reptielenwinkel in Antwerpen. Dit waren, zoals ze meestal aangeboden worden, wildvang of farmbred dieren. Toen was dit nog een vrij zeldzaam aangeboden en gehouden soort, kweken werd er vrijwel niet mee gedaan.
Ik twijfelde toen niet en nam een koppel van deze draakjes (toen maar 30 cm) mee naar huis. Wat volgt is een verslag van mijn ervaringen met deze geweldige reptielen.
Introductie
Van C. kingii zijn er tot hiertoe geen ondersoorten, maar wel 2 verschillende vormen bekend, namelijk de Australische (rode/oranje kraag) en de vorm van Papoea-Nieuw-Guinea (oranje/gele kraag).
C. kingii komt voor in het regenwoud, in droge bossen, maar ook op savannes worden ze terug gevonden. Ze bevinden zich vrijwel altijd verticaal op een boomstam op ongeveer 2 m van de grond. Het zijn vrij passieve dieren die hun favoriete plek vrijwel enkel verlaten om te eten.
Volwassen kraaghagedissen worden zo'n 60 à 90 cm groot waarvan meer dan de helft staart, vrouwen blijven meestal een stuk kleiner en slanker. De kraag kan bij sommige individuen meer dan 30 cm in doormeter zijn.
De bouw is typisch agame-achtig met een zware kop en lichaam. De staart is, zoals gezegd, groot en wordt ook gebruikt als zweep ter verdediging.
C. kingii zal zijn kraag enkel maar openen als hij zich bedreigd voelt, dan zal hij de kraag en bek helemaal opensperren en eventueel op zijn achterpoten gaan staan. Dit is vrijwel meestal slechts show, want meestal zullen ze hierna snel vluchten en in een boom kruipen. Als ze zich in een hoekje gedreven voelen, zullen ze echter wel aanvallen en bijten.


Foto: Germain Leys
De diadeem zee-egel, Diadema setosum
Germain Leys - Tanichthys Hasselt
346

Binnen de stam van de stekelhuidigen of Echinodermata en de onderstam Eleutherozoa, bevindt zich de klasse van de Echinoidea of de zee-egels. Dalen we dan verder af naar de orde van de Diadematoida en de familie van de Diadematidae, dan vinden we het genus Diadema en de soort setosum, die ik in deze tekst ga toelichten.
Diadema setosum werd in 1778 voor het eerst beschreven door Leske. De Nederlandstalige benaming is diadeemzee-egel. Een diadeem (Oudgrieks: διάδημα) is van oorsprong een band uit stof of metaal als teken van koninklijke waardigheid. Bij de liefhebber is hij het best bekend als de zwarte zee-egel. Het is wellicht één van de eerst beschreven zee-egels door de wetenschappers omwille van zijn leefwijze in ondiep zeewater en zijn reputatie als “vakantiebederver” wanneer je er per ongeluk op trapt.
Diadema setosum onderscheidt zich van andere Diadema-soorten door vijf karakteristieke witte stippen op het lichaam. Typisch is ook dat zich rondom de anus een oranje ring bevindt, de anale zak. Verder hebben ze enkele blauw iriserende vlekjes op het lichaam. Ze kunnen een leeftijd bereiken van vijf jaar.
Deze egel heeft een hard pantser met een diameter van 5 tot 9 cm, dat bedekt is met giftige stekels van 30 cm lengte. Het pantser bestaat uit kleine plaatjes waarop zich knobbels bevinden. Hij heeft een licht iriserend stervormig patroon aan de bovenkant. De stekels zijn vastgehecht door middel van een kogelgewricht. Deze stekels vormen een gevaar voor baders en duikers, die gewond kunnen raken door erop te stappen.
Ook de aquariaan die dit dier in zijn aquarium houdt is echter niet vrij van gevaar. Eén steek kan vele ziekenhuisbezoekjes opleveren indien je allergisch bent aan het gif. Op de stekels zitten minuscule weerhaakjes en in de stekel zelf een gif dat je weefsel aantast. Ben je gestoken? Houd dan het geraakte lichaamsdeel onder een waterstraal van 50 °C. De eiwitten van het gif zullen dan denatureren (uiteenvallen). Dezelfde behandeling is aangewezen indien je gestoken wordt door een koraalduivel. Houd dus rekening met deze giftige eigenschap indien je dit dier wilt aanschaffen. Verwittig ook de mensen die je aquarium onderhouden als je op vakantie bent! Mij is een geval bekend waarbij de hulpzame vriend gestoken werd toen hij het dier even wilde “jennen”, want het baasje was toch niet thuis! Een bezoek aan het ziekenhuis was het resultaat van deze onfortuinlijke daad!
Ze komen in alle tropische zeeën op aarde voor, vooral langs rotskusten en koraalformaties in beschutte gebieden waar ze schaduw zoeken gedurende de dag. Ze komen meestal in grote groepen voor van wel 15 tot 25 dieren per vierkante meter. Voornamelijk in de Rode Zee, het oostelijk deel van de Indische Oceaan en de Stille Oceaan tot in Polynesië, alsook van zuidelijk Japan tot Australië en Nieuw-Caledonië in lagunes, aan rotsoppervlakten, op het zand in de nabijheid van koraalriffen, soms tot 70 m diepte, maar meestal in zeer ondiepe waters van 1 tot 25 m diepte. Ook in wierbanken en verstoorde omgevingen met talrijke dode koralen komt hij voor. In 2006 werden enkele exemplaren in de natuur ontdekt in de omgeving van Kas in Turkije. Men vermoedt dat de egel in het larvale stadium is meegereisd aan de wand van een schip via het Suez-kanaal. Of werd het als ballast meegebracht via een buitenlands schip? Of werden enkele individuele exemplaren in het wild losgelaten door aquarianen die gestopt zijn met de hobby?


Foto: Gerald Bassleer
Visziektes zijn vaak niet zichtbaar
Dr. Gerald Bassleer

350

Het kweken van siervissen, gewoonlijk in tropische temperaturen, vraagt heel wat aandacht van de betrokken kwekerij en het personeel. Zij moeten steeds weloverwogen protocollen volgen zoals de dagelijkse controle van de waterkwaliteit en van het gedrag van de vissen. Daarbij wordt visueel gecheckt of er zich abnormaliteiten voordoen in het gedrag van de vissen. Abnormale gedragingen kunnen wijzen op ziektes en zijn vaak de enige direct zichtbare aanduiding dat vissen ongezond zijn. Visziektes zijn immers in de meeste gevallen niet zichtbaar met het blote oog.
Indien men bij het controleren van het gedrag van vissen bepaalde afwijkingen vaststelt zoals het aan het wateroppervlak hangen of op de bodem liggen, verkeerdelijk zwemmen, lusteloosheid en dergelijke, is het aangewezen om van dichterbij een kijkje te nemen en op zoek te gaan naar ziektesignalen. Als we zieke vissen analyseren, dan kunnen we in sommige gevallen typische ziektepatronen constateren, zoals de columnarisziekte, visluizen, ankerwormen en dergelijke. In veel gevallen heeft men echter geen idee wat de pijn veroorzaakt die de vis lijdt. Vaak wordt er ook gegist wat de geschikte behandeling is om de ziekte te genezen. Jammer genoeg leidt dat in meer dan de helft van de gevallen tot sterfte en verlies van de vis(sen).

  BBAT BONDSDAG 2014 352
  BBAT-informatief 356
  VOEDSELGIDS Voedselgids bijlage - Terrarium - Reptielenvoeding - Schildpadden  
Top