Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 67 - 2014
vorige maand  
   

 

Jaargang 67 – Nr. 12 - December 2014
 
ISSN 1372-6501

Foto:Walter Van der Jeught
Triops, kopschildkreeftjes uit de prehistorie
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw
402

Triops, aquasaurs of kopschildkreeftjes zijn kleine kreeftachtigen die behoren tot de orde Notostraca en zijn al ca. 351 miljoen jaar oud. Het zijn dus levende fossielen kun je gerust stellen en hebben zolang kunnen overleven doordat de eitjes tegen alle weersomstandigheden bestand zijn. Triops komen bijna overal ter wereld voor.
Ze overleefden natuurrampen, ijstijden en zagen diersoorten ontstaan en ook weer verdwijnen. Hun unieke vermogen om eitjes te leggen die tegen alle weersomstandigheden (warm, koud of droog) bestand zijn en pas uitkomen als ze met water in aanraking komen, had als gevolg toen na de ijstijd het ijs begon te smelten en er weer water bij de eitjes kwam, deze binnen de 24 à 48 uur uitkwamen. Daardoor waren de kreeftjes dus zelfs in staat om de ijstijden te overleven! De eitjes wachten als het ware het geschikte moment af en komen pas uit als de juiste omstandigheden er zijn.
Echter … Triops hebben “maar” een levensduur van gemiddeld tussen de 20 en 80 dagen. Hoe groot zij in die periode worden, hangt af van het klimaat waarin ze leven, maar dit kan tot 6 cm worden. Afhankelijk van de grootte hebben ze tussen de 35 en de 72 pootjes, telkens 4 tot 6 pootjes aan ongeveer 13 segmenten. Met die kleine pootjes bewegen ze zich voort, maar ze werken er ook het voedsel mee naar binnen. Hun naam Triops heeft te maken met de drie ogen die deze fossiele wezentjes hebben. Voor het schild van de Triops (ze hebben een schild dat een beetje aan een degenkrab doet denken) zitten twee kleine, zwarte ogen met daarachter een piepklein derde oogje in het midden.
Ze leven meestal in riviertjes die in de zomer droog liggen. De unieke eigenschap van deze kreeften, om jarenlange droogte te overleven en pas bij gunstige omstandigheden uit te komen, is niet alleen verantwoordelijk voor hun extreme ouderdom op de aarde. Het is ook een van de redenen dat liefhebbers over de gehele wereld dit “wonder” met hun eigen ogen willen zien. Ze zijn bovendien ook gemakkelijk in een aquarium te houden en daar trof ik ze ook aan, bij mijn nonkel Etienne, een aquariumliefhebber pur sang, die ze in een apart bakje in de huiskamer grootbracht. Hij kocht ze trouwens in een winkel aan als complete “Triassic Triops startset”.
Het blijkt trouwens eenvoudig om deze kopschildkreeften zelf te doen ontluiken en groot te brengen.

 

Foto: Wilfried Van der Elst
Nog wat prinsesjes...
Wilfried Van der Elst - Kardinaal Kapellen
406

Na mijn vorige tekst over de prinsesjes voor de special over het Tanganyikameer (Aquariumwereld 61/07-08:170) kwam ik onze toenmalige voorzitter, Ludo Segal, tegen en die zei: “Waarom staat er niets in over Neolamprologus ’walteri‘?” en inderdaad, ik heb het er even over gehad, maar was dit voor de rest vergeten.
Het is ook moeilijk als je nu nog iets wilt zoeken over deze vis. Hij is bij weinig liefhebbers terug te vinden en werd dan nog eens van een andere naam voorzien. Hij gaat voortaan door het leven (en de boeken) als Neolamprologus falcicula. Daarbij vermoed ik dat we bovendien heel geregeld een andere vis hebben gehouden die we als N. “walteri” bestempelden. Hier kom ik echter nog op terug.
Jammer eigenlijk, want nu zitten er bij de soort Neolamprologus falcicula wel een aantal vissen die nogal van elkaar verschillen. De naam “walteri” werd gegeven door Verburg en Bills in 2007. Dit was een eerbetoon aan Walter Dieckhof die deze vissen voor het eerst had waargenomen. Allé, volgens mij zullen er wel een heel deel Afrikanen deze vissen daarvoor al gezien hebben en onder de liefhebbers hun ogen gebracht. Hij komt voor aan de kust van Tanzania en is echt een timide prinsesje. Ikzelf zag ze de eerste maal op onze tentoonstelling (Cichlidae) van 1985. Ze zaten daar samen met een, toentertijd, andere primeur: N. buescheri “Kachese”.
Die vond ik toen veel spectaculairder, zodat het lange tijd duurde eer er toch enkele in mijn aquaria verzeilden. Meestal moesten ze het aquarium dan nog met andere soorten delen, met het gevolg dat er niet veel jongen overbleven. Als je ze echt wilt kweken, moeten ze in een apart aquarium. Ze hebben een veel zachter temperament dan de bekende N. brichardi en ze zijn ook een pak kleiner. Met een 6 cm heb je al behoorlijke vissen. Echt kleurrijk zijn ze ook niet, maar ze moeten het meer hebben van hun tekening. Tot in de vinnen toe hebben ze een fijne nettekening die ze, zoals echte prinsesjes, heel fier altijd laten zien. In de rugvin zit ook nog een iriserende streep, net onder de donkere aflijning bovenaan de vin. Natuurlijk bezitten ze ook dat fel iriserende oog. Zeker als je het aquarium niet te fel belicht, valt dit enorm op. Je kunt ze best huisvesten in een rustig aquarium, want in tegenstelling tot de prinses van Burundi (N. brichardi) zijn ze niet echt gemotiveerd om hard te knokken voor hun plaatsje, ze laten zich nogal snel wegdringen. Het beste is dat je een speciaal aquarium voor hen inricht. Een aquarium van 60 x 40 x 40 cm is al perfect. Vooral het bodemoppervlak is belangrijk, maar dit is bij zowat elke cichlide zo. In de natuur speelt het leven van N. walteri zich hoofdzakelijk af op de bodem. Hij komt hoogstens een tiental centimeter boven die bodem en deze kan dan best ingericht worden met stenen. Kienhout kun je er best uitlaten omdat de kans op aanzuren dan enkel maar vergroot en in hun natuurlijke biotoop zal dit niet echt veel voorkomen. Zelf gebruikte ik voor deze soort graag leisteen. Deze komt ook wel niet echt in hun biotoop voor, maar je kunt dan wel op een kleine oppervlakte veel schuilplaatsen creëren. In hun natuurlijke biotoop blijken ze vooral te leven in lege slakkenhuizen van de slak Pleiodon speckii die slakkenhuizen heeft van dik 10 cm diameter. Deze slakkenhuizen zijn door het zeer kalkhoudende water als het ware aan elkaar gecementeerd. Stenen voldoen echter even goed, het is niet zo’n echte slakkenhuiscichlide waarmee broeden staat of valt met slakkenhuizen. Al heel snel zullen ze zelf wat schuilplaatsen gaan uitgraven en dan is het wachten tot er een stel gevormd wordt. Niet te snel de moed opgeven en zeker niet gaan denken dat ze niet willen kweken. Het is best mogelijk dat je de eerste jongen pas opmerkt als ze al bijna een centimeter groot zijn. Ik zelf controleer, “CSI-gewijs”, geregeld met een zaklamp tussen de spleten en in de holen naar eventuele jongen. Want ze moeten natuurlijk wel aan voedsel geraken. Nu geef ik sowieso bij al mijn kweekdieren altijd wat Artemia-nauplieën. Ik ben ervan overtuigd dat dit de kweek stimuleert en als er eens onontdekte jongen zijn, hebben ze alvast wat te bikken.
De nesten zijn wel wat aan de kleine kant, waardoor ze al meteen voor veel liefHEBBERS niet interessant genoeg waren. Toch kun je ze na wat zoeken hier en daar wel vinden. Op de Limbeurs vind je ze meestal wel in het assortiment van “Aquabeek”. Deze handelaar heeft altijd wel leuke dingen bij die je bij de meer commercieel ingestelde handelaar niet vindt. Dit is als tip bedoeld en niet als reclame.

 

Foto: Guido Lurquin
Sarcocheilichthys sinensis
Guido Lurquin - De Siervis Leuven
412

De Sarcocheilichthys sinensis heeft een langwerpig lichaam en een afgeplatte buik omdat hij vooral op de bodem verblijft. Dwars over het lichaam lopen vier brede donkere banden waarvan de randen vaag zijn. Sporadisch wordt hij te koop aangeboden in gespecialiseerde zaken. Het is een mooie en grappige vis die zeker meer aandacht verdient dan dat tot nu toe het geval is.
Sarcocheilichthys sinensis is vuilgeel met vijf verticale bruine dwarsbanden. Een van de banden is fijn en gaat door het oog. De geelachtige vinnen zijn zwaar getekend met bruin of zwart. Wat betreft het uitzicht lijkt deze vis wat op een Labeo (voor degenen die deze aquariumvis kennen). In het Engels noemt men hem “Chinese Lake Gudgeon”, “Amur Sucker”, “Scarlet Carp” of “Tiger Shark”. In het Frans luistert hij naar de naam “Goujon de Chine”.

Gezellige dieren
Deze vissen begeven zich in de natuur in de zomer stroomopwaarts en zoeken er keienbodems op. In de winter dalen ze af en houden zich voornamelijk op in de grotere rivieren en stromen. Het zijn gezellige dieren die graag in groep leven. Het mannetje ontwikkelt in de paartijd een witte paaiuitslag op de kop. De vrouwtjes hebben lange legbuizen. Deze vis legt in de natuur driemaal per jaar eieren, in de periode tussen eind mei en juli. Er worden 5.000 tot 10.000 eitjes afgezet met een doormeter van 5 mm. Na 4 dagen kippen deze en de larven meten 7,5 mm. Ze leiden vanaf hun geboorte een pelagisch leven. Dit is een duur woord om aan te geven dat ze “zwevend” leven. Echt zwemmen doen ze niet, maar ze bewegen zich veeleer “springerig” voort. Een groot deel van de tijd vertoeven ze op de bodem, rustend op hun grote borstvinnen. Ze zoeken de bodem af naar ongewervelden, vooral larven van insecten en kleine kreeftachtigen.

In aquarium en vijver
Een aquarium met een bodem van rijnzand of kiezel en een aantal stenen en/of stukken kienhout om er zich tussen te verstoppen is aangewezen. Een paar grotere stenen dienen als schuilplaats. Het aquarium is beplant met voldoende open zwemruimte. De planten moet goed verankerd staan, anders worden ze uitgegraven door de vissen. Het aquarium moet minstens 100 cm en liefst 250 cm lang zijn. Het water dient helder en zuiver te zijn met een neutrale pH tussen 6,5 en 7,5 en een GH van ongeveer 15 à 20 °dH. Dit met een temperatuur tussen 10 en 22 °C. Een degelijk filtersysteem is een noodzaak omdat deze vis voortdurend de aquariumbodem omwoelt op zoek naar voedsel. Als voedsel moet zoveel mogelijk levend voedsel worden gegeven zoals bodem bewonende insectenlarven, muggenlarven, enchytreeën en dergelijke. Het is een levendige vredelievende vis die best niet samen met agressieve soorten wordt gehouden.
Ook in een tuinvijver is deze vis op zijn plaats, zeker tijdens de zomermaanden. Sarcocheilichthys sinensis kan gemakkelijk samen gehouden worden met onze inheemse vissen.

Hij kent zijn oorspronkelijk verspreidingsgebied in China, het noordoosten van Korea en het zuiden van de voormalige USSR. Hij leeft daar in stromende waters. In deze streken varieert de temperatuur van het water 16 tot 22 °C naargelang het seizoen. Bij ons koelt het water in de vijver in de winter dieper af. Men zou dus kunnen stellen dat deze vis in de herfst best uit de buitenvijver gevangen wordt om binnen te overwinteren. Toch zijn er meldingen dat hij in onze streken in de winter ook buiten kan overleven. Het is aangeraden enkele exemplaren (minstens drie) te kopen omdat deze vis graag in de buurt van soortgenoten vertoeft.
 

Foto: Rik Verhulst
Limnophila indica, een apart plantje
Patrick Loosveldt - Wagtail Aalst.
416

Je hebt zo van die plantensoorten die in het ene aquarium woekeren en in het andere aquarium onmogelijk te houden zijn. Limnophila indica is er zo eentje. Deze soort is nauw verwant met de populaire Limnophila sessiliflora, maar stelt meer eisen. Eén van die eisen is licht, veel licht. Ook CO2-toediening aan het water bevordert de groei. Het is en blijft echter een onvoorspelbare plant: op de ene plaats in het aquarium kwijnt hij weg, op een andere plaats in datzelfde aquarium groeit hij weelderig uit.
Dankzij contacten met de Duitse plantenspecialist Heiko Muth, werd deze plantensoort verspreid onder Belgische en Nederlandse liefhebbers, onder de naam Limnophila indica sp. mini. De soortnaam “indica” betekent letterlijk “uit India”, niettegenstaande deze plant in haast alle tropische gebieden aangetroffen wordt: van Afrika tot in Azië en Australië. Deze kosmopoliet past dus in menig “biotoopaquarium”.
Waar die “mini” op slaat, is mij nooit duidelijk geweest aangezien het niet echt een klein blijvende soort is. Het is geweten dat plantensoorten, naargelang de vindplaats, ietwat verschillend kunnen zijn. Mogelijks is deze plant afkomstig uit een populatie die minder groot wordt dan de doorsnee Limnophila indica?
Ik had het geluk om ook enkele stekjes te verwerven. In mijn aquarium stond eveneens een grote groep L. sessiliflora, zodat beide soorten perfect konden vergeleken worden. Het was meteen duidelijk dat L. indica fragieler is, met dunnere stengels en fijnere blaadjes. Aan de frisgroene stengels groeien tal van zijstengels. Belangrijk is dat de plant niet overschaduwd wordt door naburige planten of door drijfplanten, zodat hij steeds in het volle licht staat. Ik heb de plant steeds gehouden in een aquarium met CO2-toediening en er wordt wekelijks een flinke dosis plantenvoeding aan het water toegevoegd. Oh ja, bij de start van het aquarium werd onder het grind een voedingsbodem voorzien.
Limnophila indica is een trage groeier en vraagt een relatief lange aanpassingsperiode na het inplanten. Dat is voor ongeduldige aquarianen niet altijd even gemakkelijk… Eens je er echter in geslaagd bent om een weelderige groep te vormen, is het een absolute meerwaarde voor het aquarium. Op een weloverwogen plaats in de middenzone en omringd door contrasterende laag-blijvende planten, komt deze plant prachtig uit.
De vermeerdering in het aquarium gebeurt op twee manieren. Enerzijds vormt de plant vanzelf uitlopers, daar hoef je niets voor te doen. Anderzijds kun je stekken nemen van de zijstengels. Door deze laatste methode verkrijg je na enige tijd en mits wat behendig snoeiwerk, uiteindelijk een goed gevulde en decoratieve groep.
In de natuur komt deze plant zowel onder- als bovenwater voor, maar ook gedeeltelijk onderwater in combinatie met emerse stengels. Dat het van origine een moerasplant is, merk je aan het uitgebreide wortelgestel als je de plant uit de bodem trekt. Ingeval je een voedingsbodem hebt, heb ik daar de nadelen van mogen ondervinden, omdat je dan een heel stuk bodem door elkaar haalt en ook nog eens het water sterk vertroebelt. Laten staan en enkel stekken nemen, is dus de boodschap. Na het stekken moeten de wortels in de bodem eerst nog langzaamaan gevormd worden, hetgeen mogelijks een verklaring kan zijn voor de trage aanvangsgroei.
Kortom: deze fraaie, maar helaas veeleisende plantensoort vraagt veel licht, voldoende voedingsstoffen, CO2-toediening, een gemiddelde temperatuur van 25 à 26°C en … wat geduld.
Beide soorten houden vermoedelijk een rustperiode bij grote droogte.


Foto: Germain Leys
Cyano's, de schrik van menig zeeaquariaan
Germain Leys - Tanichthys Hasselt.
420

Met het risico om een open deur in te trappen, wil ik toch een tekst schrijven over mijn eigen bevindingen en de ervaringen die ik kon vinden in verschillende publicaties, zowel op het internet als in de andere media.
Groeit er een smerig slijm over de stenen en het substraat in uw aquarium? De kleur kan van zwart tot blauw, paars, rood en zelfs groen variëren, dan is de kans zeer groot dat je een uitbraak hebt van cyanobacteriën, b.v. Anabaena sphaerica.
Cyanobacteriën zijn een fotosynthetische levensvorm, door de wetenschap ergens tussen planten en bacteriën geplaatst. Het zijn ook de eerste levensvormen die zuurstof gingen produceren door middel van fotosynthese. Cyanobacteriën leven van licht, koolstofdioxide en in het water opgeloste voedingsstoffen, waaronder: nitraten, fosfaten, maar ook siliciumdioxide. Sommige soorten die speciale structuren (heterocyten) bevatten, kunnen zelfs stikstofgas (N2) omzetten tot ammonium (NH4+), nitriet (NO2-) en nitraat (NO3-).
De meeste soorten cyanobacteriën horen van nature in het water thuis. Daarnaast komen ze ook voor op het land en sommige soorten kunnen symbiotische interacties aangaan met dieren, planten en schimmels.
Zij vormen een veel voorkomende plaag in zowel zoet- als zoutwateraquaria. Mensen hebben het moeilijk bij het identificeren van deze levensvorm vanwege de verschillende kleuren van het slijm, dat trouwens niet de bacteriën zelf zijn, maar een een beschermende laag. Dit slijm is afkomstig van de cyanobacteriën en vormt samen met de cyanobacteriën zelf een gladde slijmerige biofilm. Ze kunnen de kop opsteken in een paar dagen of een week en weer verdwijnen als onderdeel van de veranderende levenscyclus in een ecosysteem met wisselende nutriëntengehalten.
Je hebt twee opties: ofwel behandeling van de symptomen (de cyanobacteriën zelf), of behandelen van de oorzaak. Behandelen van de symptomen zal de bacteriën doen verdwijnen maar niet verhinderen dat ze terug komen, als je echter de oorzaak kunt ontdekken en behandelen, dan heb je een goede kans dat ze niet meer terug komen!


Foto: BBAT-archhief
Stenodactylus sthenodactylus, de dunvingergekko
Eric Vansteenkiste - Aquatropica Kortrijk

424

Het genus Stenodactylus telt twaalf soorten, o.a. S. affinis; S. arabicus; S. doriae ; S. grandiceps ; S. khobarensis; S. petrii (tot 10 cm, levensduur één jaar) en S. sthenodactylus (tot 10 cm, levensduur vier jaar).
Stenodactylus-soorten worden tussen 8 en 14 cm lang. De bekendste soorten zijn S. petrii en S. sthenodactylus.
Van deze laatste zijn twee ondersoorten bekend, nl. S. sthenodactylus mauritanicus uit Mauritanië, Tunesië, Algerije en Marokko en S. sthenodactylus sthenodactylus met een verspreiding via Tunesië, Egypte, Syrië, Israël tot in Irak. Het is een bewoner van rotsachtige stenen bodems, waardoor deze dunvingergekko geen hechtschijven aan de poten nodig heeft. De tenen zijn aan het uiteinde voorzien van een nagel, zoals dit bij hagedissen het geval is.
De S. petrii is het meest te vinden in de oasen en wadi’s van zandwoestijnen, waar er een schaarse plantengroei is. Het is een nachtdier. Het is een leuk zicht deze dieren in het terrarium in rusthouding te zien. Ze liggen plat op de buik met de voorpoten langs het lichaam en de achterpoten naar achter gestrekt.
Aan de houding van de staart kan men de stemming van het dier aflezen. Als het dier zenuwachtig is, bv. bij de jacht naar voedsel, slaat het de staartpunt heen en weer in de lucht. Wanneer het dier op de vlucht is, wordt de staartpunt over de grond gesleept.
Bij de jacht naar voedsel wordt de prooi langzaam benaderd en plots besprongen, terwijl de staart trilt van opwinding. De prooi wordt heftig gekauwd en daarna ingeslikt. In de natuur leven de dieren van krekels, sprinkhanen, kevers, nachtvlinders, spinnen, vliegen en zelfs jonge schorpioenen.
Tijdens de dag zoeken de dieren een schuilplaats op in holen of onder stenen.
De noordelijke populaties van S. grandiceps worden gedwongen een winterrust te nemen.
De zuidelijk voorkomende soorten, zoals bv. S. sthenodactylus, nemen geen winterrust; deze gebieden hebben een temperatuur en vochtigheid welke voldoende activiteiten toelaten.

  BBAT-informatief 428
  VOEDSELGIDS Voedselgids bijlage - Voedselplanten - Giftige planten (2)  
    Moderne kweekmethode azijnaaltjes  
Top