Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 68 - 2015
Volgende maand
   

 

Jaargang 68 – Nr. 1 - Januari 2015
 
ISSN 1372-6501

Foto: Robert Van Mossevelde
Cichliden houden is cool
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw
004

Toen ik enkele maanden geleden – momenteel als bezitter van een plantenaquarium – in het clublokaal over mijn onverwachte, maar enorme problemen met algen in mijn huiskameraquarium begon, kreeg ik van enkelen meteen te horen: "Als je geen plantenaquarium kunt houden, dan kun je nog altijd een cichlidenaquarium beginnen hé voorzitter" (nu ex-voorzitter in alle vriendschap). Maar is dat wel zo? Ik ben geneigd te stellen dat veeleer het tegengestelde het geval is... Pas als je in staat bent om een plantenaquarium goed in evenwicht te brengen en te houden (!) heb je de ervaring om je op cichliden te storten.
33 jaar geleden, toen ik me bij De Minor Rupel-Vaartland vzw (toen nog Minor Boom) aansloot, werden bezitters van een cichlidenaquarium er steevast bestempeld als keienboer of cichlidioot. Toen ik dit jaar dus over mijn algenproblemen begon, bleek aan die neerbuigende mening eigenlijk nog niet veel veranderd.
Laat ik maar meteen bekennen: vroeger, voor ik mij aan planten waagde, was ik inderdaad een cichlidofiel. Van de eerste dag eigenlijk al. Fiel, zoals bij Anglofiel. Die houden ergens van, in dit geval van cichliden, wat mij een veel respectabeler naam lijkt. Een plantenaquarium moet je meer onderhouden dan verzorgen, zoals een tuintje eigenlijk. Cichliden moet je echter echt verzorgen, soms voor vele jaren (!), daar draait alles om de vissen, minder om een mooi plantenbestand. Echter ... iets waarvan je houdt, wil (moet) je graag verzorgen en daarvoor zal je minimaal moeten weten waar je dieren vandaan komen en op welke wijze je hen in je aquarium de beste leefomgeving kunt aanbieden. Een echte cichlidenliefhebber zal daarom nooit cichliden uit verschillende biotopen bij elkaar in een aquarium onder brengen.
Daardoor komt plotseling een heel nieuwe dimensie van het aquariumhouden om de hoek kijken. Je zal je moeten gaan verdiepen in de herkomst en plaatselijke leefomstandigheden in de natuur van de cichliden die je wil houden. Eer we echter daar aan toe zijn, zal er nog het nodige opzoekwerk verricht dienen te worden om vast te stellen wat voor biotoop we willen. Dat woord “biotoop” brengt ons meteen bij het (voor mij toch) belangrijkste kenmerk van een cichlidenaquarium. Het is in nagenoeg alle gevallen een biotoopaquarium en dat zal het aantal mogelijkheden beperken.

 

Foto: Freddy Haerens

Video
Amazonas 2012 - Meeting of the waters
Freddy Haerens - Aquatropica Kortrijk
012
Al vele jaren droomde ik ervan om ooit eens een “expeditie” naar een land van herkomst van onze visjes mee te maken, in de Paasvakantie 2012 was het dan zo ver en had ik het geluk een reis te kunnen maken naar de Amazone. De periode was wel niet de meest geschikte om aquariumvissen in hun natuurlijke biotoop te kunnen zien, het was nl. midden in het regenseizoen, maar kennis maken met die machtige rivier en het echte regenwoud was al reden genoeg om de reis mee te maken.
De uitvalsbasis is Manaus, gelegen midden in het oerwoud, aan de samenvloeiing van de Rio Negro en de Amazone.
Maandag 02 april 2012 schepen we in aan boord van de IRACEMA, de jongste hotelboot van Amazonia Expeditions, voor een 10-daagse tocht op de Amazone en de Rio Negro.
Nadat de kajuiten verdeeld zijn worden we, bij een eerste “caipiriña”, welkom geheten door kapitein Moasir Jr. en worden het reisgezelschap en de crew aan elkaar voorgesteld. De crew bestaat naast de kapitein uit acht mensen waarvan twee vrouwelijke koks, één stewardess, één stuurman en vier “deck-man” die ook dienst doen als rangers in de kano’s. We maken ook al meteen kennis met de kookkunsten van Eugénia en Ilza, waarna de rangers drie grote kano’s ophalen, aan de boot vastmaken en we de steiger bij Hotel Tropical verlaten.
Ons eerste doel voor deze namiddag is uitvaren, stroomafwaarts, even voorbij Manaus, naar de samenvloeiing van de Rio Solimões en de Rio Negro. Het is pas vanaf dit punt dat de rivier “Amazone” wordt genoemd.
Deze plaats staat algemeen bekend als de “Meeting of the Waters” en is toch wel iets speciaals. Tijdens de tocht ernaartoe genieten we van Manaus, gezien vanop de Rio Negro, passeren de favelas (sloppenwijken), de handelshaven en de militaire haven. Ondertussen hebben we tijd om uitgebreid met de faciliteiten en iedereen aan boord kennis te maken.
Na een paar uren bereiken we de plaats waar de zandkleurige Rio Solimões en de bijna zwart gekleurde Rio Negro elkaar ontmoeten. Over ca. 6 km vloeien beide rivieren naast elkaar vooraleer zich met elkaar te vermengen.
Dit fenomeen is toe te schrijven aan het temperatuurverschil en de verschillende snelheid van beide rivieren. De Rio Negro heeft een temperatuur van ca. 28 °C bij een snelheid van bijna 2 km/h, terwijl de Rio Solimões een temperatuur heeft van ca. 22 °C en een snelheid van 4 à 6 km/h.
In tegenstelling tot wat wij dachten, is de zandkleur van de Rio Solimões niet toe te schrijven aan het meegevoerde sediment, als gevolg van de ontbossing, maar aan zijn veeleer zanderige bedding, terwijl de Rio Negro een vastere, meer rotsachtige bodem heeft. De zwarte kleur van de Rio Negro is te wijten aan de onvolledige afbraak van vergane vegetatie. Alles wordt ons piekfijn uitgelegd door kapitein Mo en hij stelt voor om de kano’s in te zetten om in beide waters te gaan zwemmen om het verschil in temperatuur en stroming aan den lijve te ondervinden.

 

Foto: Patrick Loosveldt
Brachyrhaphis roswithae
Patrick Loosveldt - Wagtail aalst
018
Onder de wildvormen van ei-levendbarenden zitten soms pareltjes. Brachyrhaphis roswithae is er zo eentje. Ze hebben blauw iriserende ogen en rode vlekken in de rug- en staartvin. Brachyrhaphis roswithae is afkomstig uit Panama (Centraal-Amerika) en werd op het einde van de vorige eeuw (1998) wetenschappelijk beschreven door M.K. Meyer en V. Etzel. Na een artikel gelezen te hebben over deze vis, wilde ik die soort absoluut eens uitproberen. Gemakkelijker gezegd dan gedaan, want in België waren geen liefhebbers te vinden die deze vissen hadden. Uiteindelijk heb ik ze kunnen bemachtigen op de Vivariumbeurs van 2010 in Nieuwegein (Nederland), waar een liefhebber van ei-levendbarenden de nakweek van enkele niet alledaagse soorten aanbood.
De prijs was 10 euro voor een zakje met vijf halfwas vissen. Dat was relatief duur voor die tijd (in vergelijking met standaard vissen), maar spotgoedkoop gezien de zeldzaamheid. Het waren nog jonge vissen. Pas thuis in het aquarium kon ik zien dat het ging om vier vrouwtjes en één mannetje. Dat was een lichte tegenvaller, want dit betekende dat alle nakomelingen zouden afstammen van één enkel mannetje. En dan moet je maar hopen dat de vijf vissen niet van dezelfde ouders afkomstig zijn. Het groot aantal vrouwtjes heeft dan weer wel als voordeel dat je meteen veel nakomelingen verwerft.
Ze werden ondergebracht in een groot en goed beplant aquarium. Niet door het zakje met de vissen over te gieten, neen, wèl door het zakje in een emmer te doen en er om de vijf minuten een scheutje aquariumwater aan toe te voegen. Pas na enige tijd, als de emmer halfvol was, werden de vissen overgeschept. Misschien wat overdreven, maar ik wilde met deze vissen echt geen risico’s nemen.
Eens gewend aan de nieuwe omgeving, was de situatie dat de vier vrouwtjes continu te zien waren in het aquarium, maar dat het mannetje zich verstopte tussen de beplanting. Hij kwam enkel tevoorschijn bij het voederen. Blijkbaar werd hij weggejaagd door de vrouwtjes die groter zijn en bovendien in de meerderheid.
De vissen kregen een menu voorgeschoteld van verschillende soorten diepvriesvoedsel, zoals rode en zwarte muggenlarven, Artemia en watervlooien, afgewisseld met vlokkenvoer. Ook de wekelijkse waterverversing droeg ertoe bij dat de vissen goed groeiden en kerngezond waren. Zo gezond dat ik enkele maanden na de aanschaf al de eerste jongen tussen de beplanting kon waarnemen. Die waren tamelijk groot en lichtgrijs van kleur, met een zwarte stip ter hoogte van de aarsvin. Ze zwommen aan het wateroppervlak tussen de drijfplanten. Bij de oudere vissen was het mannetje ondertussen assertiever geworden en joeg zijn harem voortdurend achterna. Het valt hierbij op dat het zeer snelle zwemmers zijn! Als ze de ruimte krijgen, groeien de vrouwtjes uit tot grote, volle exemplaren van 6 à 7 cm. De mannetjes blijven met hun 4 à 5 cm veel kleiner. Het zijn ook nog eens zwemlustige vissen. Dus om Brachyrhaphis roswithae visvriendelijk te houden, is een groot aquarium aangewezen. In de natuur worden ze aangetroffen in grote groepen, hetgeen erop wijst dat je ze zeker niet per koppel moet gaan houden. Hoe groter de groep en hoe ruimer het aquarium, hoe beter!
 

Foto: Patrick Scholberg
Het nano-zeewateraquarium (deel 1)
Patrick Scholberg - Tanichthys Hasselt
022
Naar mate de levensduurte stijgt, wordt een zeewateraquarium aankopen en vooral onderhouden, er niet echt goedkoper op. Ook voor wie in zoet water zijn sporen al verdiend heeft en de overstap naar zeewater wil maken, is dit vaak een onoverkomelijke barrière. Des te meer als er binnen het gezin nog andere prioriteiten gesteld moeten worden.
Met dit artikel wil ik meegeven hoe met beperktere middelen toch een mooi resultaat neergezet kan worden, zij het dan in miniformaat. Wie wilt, kan er nog een mooie som aan spenderen, maar voor het doorsnee aquarium is dit ook zeker te bekostigen.
Ook in een groter aquarium kan perfect de “nano-aanpak” geïntegreerd worden. Meer nog: er valt zelfs veel voor te zeggen, omdat op die manier een meer natuurlijke omgeving kan gerealiseerd worden. Door het beperkte formaat van de visjes zal vast en zeker de illusie van een uitgebouwde gemeenschap en biotoop veel beter gerealiseerd kunnen worden.
Bij een standaard nano-aquarium spreken we van een maximum formaat van 40 x 40 x 40 cm, maar hier kan de persoonlijke voorkeur van de aquariumliefhebber de doorslag geven.
Waar ik een lans voor wil breken is – als u de mogelijkheid heeft – dat u de diepte twee maal neemt ten opzichte van de hoogte, omdat u dan veel beter een mooie opbouw kunt realiseren. Enkel al door water in het bakje te doen, lijkt het geheel al veel ondieper wat betreft zicht.
Een bijkomend voordeel is dat u met veel minder levend steen al een veel natuurlijker geheel kunt verkrijgen, waardoor uw “scape” veel meer ruimte voor koraal over laat.
En diegenen die ooit een aquarium van 1000 l of meer van levend steen hebben mogen voorzien, weten wat de kosten, hieraan verbonden, zijn.

Melanotaenia ericrobertsi
Foto: Gary Lange



Melanotaenia laticlavia
Foto: Hans-Georg Evers


Melanotaenia multiradiata
Foto: Hans-Georg Evers
Drie nieuwe regenboogvissen
Harro Hieronimus
028
Dat achter de naam "Melanotaenia irianjaya" meerdere soorten schuilgaan, bleek uit de voordrachten van Laurent Pouyaud* en Kadarusman** in Bad Salzdetfurth. Vooral de opmerkingen van deze laatste brachten Gerald Allen, Peter Unmack en Renny Hadiaty ertoe hun eerdere revisie nog eens te herbekijken. Ook andere vangsten, o.a. door IRG-lid Hans-Georg Evers, in 2013 verzameld, bleken nieuwe soorten.
Toen Gerald Allen en Heiko Bleher in de omgeving van Suswa regenboogvissen vingen, waren ze overtuigd Melanotaenia irianjaya, die eerst bij Desa Fruata gevonden werd, gevangen te hebben. Daardoor werden de exemplaren van Desa Suswa ook bij deze soort ingedeeld. In het IRG werden, sinds de eerste invoering, al exemplaren onder de naam Melanotaenia spec. ‘Desa Suswa’ gehouden en gekweekt.
Nu werd een exemplaar uit de typesoort tot holotype van de nieuwe soort Melanotaenia ericrobertsiaangeduid. De kleurbeschrijving wordt verduidelijkt met bijgevoegde foto’s.
Dat de door Allen en Bleher gevangen vissen voor M. irianjaya aanzien werden, is niet verwonderlijk. Zij hadden enkel vrouwtjes en jongen, waarbij de kleurverschillen klein zijn.
Voor de drie nieuwe, beschreven soorten, M. ericrobertsi, M. laticlavia en M. multiradiata,evenals voor M. arfakensis, M. ajamaruensis, M. boesemani, M. fasinensis, M. irianjaya, M. veoliae en M. wanoma creëerden de auteurs het begrip "Ayamaru-complex", omdat deze soorten zo nauw verwant zijn aan elkaar.
Hét onderscheid tussen M. ericrobertsi en M. irianjaya is, naast de kleur en de genetische verschillen, dat de laatste soort een meer afgeronde 2de rugvin heeft. Nog moeilijker is M. ericrobertsi, genoemd naar de inheemse missionaris, piloot én aquariaan Eric Roberts, van M. fasinensis te onderscheiden. Enkel de zwarte delen op het lichaam van M. ericrobertsi zijn duidelijk verschillend.
Zoals vorige soorten is ook de nieuwe soort Melanotaenia laticlaviabij ons al bekend als M. spec. "Aifuf". Deze vissen werden door Hans-Georg Evers en J. Christian in 2013 gevangen en via hun relaties geëxporteerd. Ook hier is weer de kleur het duidelijkste verschil tot de verwante soorten van dit complex. Bekijkt men deze soort in de muil, dan ziet men duidelijk nog een verschil.
M. laticlavia heeft op het gehemelte twee kleine getande gebieden die tot nu toe bij geen enkele andere soort waargenomen zijn. De naam "laticlavia" betekent "brede band" en heeft betrekking op de blauwzwarte band op de voorste lichaamshelft, bijzonder goed te zien bij volwassen mannen.
Een echte reus onder de regenboogvissen is de 3de nieuwe soort, Melanotaenia multiradiata. Het holotype, een man, meet 15 cm, het grootste vrouwtje uit de typeserie 12 cm. Of dit de maximum grootte is, moet nog blijken. Naast de duidelijke verschillen in kleur en generiek, is dit een belangrijk kenmerk. Daarbij komt nog dat bij deze soort een merkelijk groter aantal vinstralen in de borstvinnen aanwezig is, altijd 15 of meer. Op dit kenmerk is ook hun wetenschappelijke naam gebaseerd. Vindplaats is de beek Sisiah bij Moswaren. De genetische verschillen bij al deze soorten zijn gering. De basis voor de beschrijving als eigen soort zijn daardoor vooral de kleur en andere opgesomde verschillen. Belangrijk is ook dat al deze soorten geografisch geïsoleerd van elkaar voorkomen, de populaties hebben dus geen relatie tot elkaar. Dit alles is niet een 100% sluitend resultaat van de tot nu toe gedane verkenning van dit gebied. Nieuwe verkenningen kunnen tot nieuwe veranderingen leiden, maar tot bewijs van het tegendeel zijn deze soorten als geldig te beschouwen.en om hem te zien, anders heeft het weinig nut hem in je collectie op te nemen.
  De redactie bezocht... Pristella
032
  De redactie bezocht... Tropenweelde 2014 van A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw 034
  BBAT-informatief 036
  VOEDSELGIDS Oevervliegen
Weekdieren, Mossels (1)
 
Top