Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 68 - 2015
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 68 – Nr. 3 - Maart 2015
 
ISSN 1372-6501

Foto: Romain Van Lysebettens
Over een "gemeen" oud vrouwtje
Romain Van Lysebettens - Moerbeekse Aquariumvereniging
082
Waarom de lokale bevolking deze aanspreektitel gebruikt om Guianacara owroewefi aan te duiden is mij totaal onbekend, al zou het iets te maken hebben met het plaatselijk dialect.
Fervente  liefhebbers zullen al vrij snel vaststellen dat deze middelgrote cichlide nauw verwant is aan de familie der aardeters, nl. de genera Geophagus, Gymnogeophagus, Satanoperca, Retroculus, Acarichthys, Mazarunia, enz… Toch doen ze mij ook denken aan een “oldtimer” uit lang vervlogen jaren, een schitterende cichlide, eveneens afkomstig uit Zuid-Amerika, met name Cleitacara maroni … jawel, de fameuze sleutelgatcichlide.
Het genus Guianacara bestaat momenteel uit vier soorten uit Suriname en Frans-Guyana: Guianacara geayi, G. oelemariensis, G. sphenozona en G. owroewefi en twee soorten uit het Venezolaanse deel: G. stergiosi en G. cuyunii. Guianacara dacrya blijkt een nieuwe soort te zijn die gevonden is in de Rio Branco en het Essequibo drainagesysteem.
Guianacara owroewefi is dus een Zuid-Amerikaanse cichlide uit Frans-Guyana en Suriname. Ze leven voornamelijk in de helder-water-rivieren en in het stroomgebied van de twee hoofdstromen: de Marouini rivier en de Marowijne (deze stroom scheidt Frans-Guyana en Suriname en mondt uit in de Atlantische Oceaan).
Een zijdelings samengedrukt lichaam, een vrij sterk gebogen kopprofiel en een relatief kleine mond.
De borstvinnen zijn afgerond en transparant, de buikvinnen hebben puntige uiteinden en reiken verder dan het begin van de aarsvin.
De basiskleur is beige tot geel. Typerend zijn de twee verticale zwarte strepen waarbij de ene door het oog en de kop loopt, en de andere halverwege het lichaam (in stresstoestand lopen er duidelijk meerdere maar dan minder geaccentueerde zwarte strepen).
Op zijn lijf lopen horizontale rijen schubben met goudgele en blauwe glitters.
Bij G. owroewefi (zie fig. f) zijn de eerste drie harde rugvinstralen zwart gekleurd. Een zwarte oogvlek op beide zijflanken waardoor de tweede, soms verdwijnende streep loopt, is een duidelijk verschil met G. geayi (zie fig. e) waarmee hij soms verward kan worden.
Het sekseverschil is vooral te zien aan de grootte: mannetjes zijn 14 cm en de vrouwtjes blijven opmerkelijk kleiner. Het kopprofiel bij de mannetjes verloopt ook iets steiler dan bij de vrouwtjes.

 



Foto: Marten Salossa

Video
Vergeten schatten van de Ayamaru meren
Marten Luter Salossa
088
Sinds zijn introductie in de aquaristiek is de populariteit van Melanotaenia boesemani gestaag toegenomen. Vandaag de dag kan hij worden beschouwd als de meest populaire regenboogvis in de hobby. Tegen 1989 waren Ayamaru dorpelingen zoveel levende vissen voor de aquariumhandel aan het vangen, dat de soort op de rand van “bedreigde soort” kwam. Naar schatting 60.000 mannelijke boesemani’s werden elke maand gevangen voor verzending naar exporteurs in Jakarta. Uiteindelijk vaardigde de Indonesische regering  bepaalde controles uit op deze industrie (Polhemus 2004).
Het leefgebied van deze soort is onderworpen aan grote schommelingen in het waterpeil. Men denkt dat deze schommelingen in de afgelopen jaren ernstiger zijn geworden, maar de belangrijkste bedreiging voor de soort is het vangen van individuen (voornamelijk mannen) voor de internationale aquariumvishandel. Men schat dat soms tot één miljoen vissen per jaar werden gevangen. Er wordt aangenomen dat de aquariumhandel ertoe heeft bijgedragen dat het aantal vissen in het wild is afgenomen. Ze worden momenteel vermeld als “bedreigd” op de IUCN Rode Lijst.
Lokale mensen hebben in de Maybrat taal verschillende namen voor de boesemani: "SEKIAK", ook "KASKATER" en soms ook de meer populaire "IKAN HIAS", wat in het Indonesisch "decoratieve vis" betekent. Toen ik drie dorpelingen van Ayamaru interviewde, die ongeveer drie decennia geleden betrokken waren bij de aquariumvishandel, vertelden ze me over hun ervaringen bij het vangen en transport van de vissen. De enige toegang tot Sorong (de stad waar deze markt was gevestigd) is per vliegtuig via Kambuaya Airport in die regio. Gezien Ayamaru een afgelegen gebied was, duurde het, met het vliegtuig, ongeveer twintig minuten naar Sorong. Dit terwijl ze op één dag te voet naar de haven van Teminabuan konden lopen, waarbij de levende vissen in een gesloten box, met een op een batterij werkende beluchter, werden vervoerd. Eenmaal in Teminabuan werd deze box vol mannelijke regenbogen verscheept naar Sorong. De lokale bevolking verkocht de vissen aan de kopers voor 1000 Indonesische Rupiah (IDR) of € 0,07 per mannelijke regenboogvis; ze wisten niet waar de vissen naartoe zouden worden gestuurd en waarvoor ze gebruikt werden. In feite werden deze vissen verpakt voor verzending naar exporteurs in Jakarta.

 

Foto: Arend van den Nieuwenhuizen
Varens in het aquarium
Jacques Roelandts - Siervis Geraardsbergen
096
Het eikenblad- of de sumatravaren is zeker een van de meest voorkomende waterplanten in het aquarium. Evenzo wordt de javavaren, een moerasplant, in vele aquaria en paludaria gebruikt, in toepassingen variërend van koud water tot tropisch water, maar evengoed in brak water.
Varens verschenen op onze planeet ongeveer 390 miljoen jaar geleden en zijn de eerste echte bladplanten. Door chemische veranderingen liggen de oerbossen van reusachtige varens aan de basis van de steenkool (eind Paleozoïcum). Deze bossen bestaan ​​niet meer, maar men vindt een aantal boomvarens of epifyten in warmere gebieden zoals bv. op Hawaï. Andere varens zijn aquatisch, maar vooral terrestrisch. Er zouden 10.000 soorten wereldwijd bekend zijn, waarvan 2.000 in Nieuw-Caledonië en slechts 88 in Frankrijk. We vinden ze in het struikgewas en als sierplant in onze appartementen. Bovendien vormt een tiental soorten aquatische varens het geluk van vele aquarianen en liefhebbers van paludaria en vijvers.
Varens behoren tot de klasse der Pteropsida of vasculaire sporenplanten (vaatcryptogamen). In de literatuur worden voor deze groep ook andere namen gebruikt, zoals "Pteridophyta", "Pterophyta" of "vaatcryptogamen". Sporenplanten zijn meercellige planten die geen bloemen, vruchten of zaden dragen. Maar, de Pteropsida – met inbegrip van de varens en de paardenstaarten – zijn vasculaire sporenplanten, omdat ze wortels hebben en sapgeleidende vaten, wat hen enerzijds onderscheidt van de mossen, de veen- en levermossen en anderzijds van de thallophyten waartoe de algen, de korstmossen en de schimmels behoren.
Binnen de Pteropsida onderscheiden varens zich door hun biseksuele prothallus en door de sporenhoopjes, gedragen op de onderzijde van de bladeren. De sporenhoopjes zijn kleine zakjes met daarin de sporen, dat wil zeggen, de vruchtlichamen die worden gebruikt voor de seksuele vermeerdering.
Als de sporendoosjes rijp zijn, barsten ze open en laten de sporen vrij. Uit zo'n kleine spore ontstaat niet direct een varenplant. Eerst komt er een prothallium (voorkiem), een hartvormig blaadje. Hierop worden de voortplantingsorganen gevormd. Onder vochtige omstandigheden vindt bevruchting plaats. Op de bevruchte eicel groeit een varenplant. Deze zit eerst op de voorkiem, maar vormt later zelf wortels. Sommige soorten kennen ook nog een vegetatieve voortplanting door middel van knoppen op de bladen. Uit die knoppen ontstaan jonge plantjes, die later afvallen en zelfstandig verder groeien.
 

Foto: Patrick Scholberg
Het nano-zeewateraquarium (deel 2)
Patrick Scholberg - Tanichthys Hasselt
104
In het 2de deel van dit artikel bekijken we de inrichting en meer specifiek de structuur van het aquarium.
Wie graag knutselt en bezig is met zijn aquarium weet dit deel meestal wel te waarderen. Meer nog dan bij grote aquaria, is het opzetten van het kader bij een nano-aquarium nog belangrijker omwille van de invloed op het latere finale beeld van het aquarium door ruimtegebrek. In eerste instantie moet de inrichting zo gebeuren dat de scape direct al mooi oogt zonder meer. Zelfs zonder de koralen erin en dat aan de behoeften van de toekomstige bewoners voldaan wordt, opdat zij zoveel mogelijk natuurlijk gedrag tentoon kunnen spreiden en dat alles met zo veel mogelijk vrije ruimte. Een hele boterham dus en beslist niet altijd gemakkelijk te realiseren. Prop in den beginne de nano dus zeker niet te vol met levend steen of decoratiemateriaal en laat voldoende ruimte over voor koraalgroei.
Welke materialen kunnen we nu gebruiken?
Voor de bodem nemen we zand. Bare bottom vind ik persoonlijk niet mooi en zeker voor een nano voegen we een bodem toe omdat we juist hier behoefte hebben aan extra biologische buffer en bacteriecultuur. Mijn voorkeur gaat uit naar levend zand, dat weliswaar duurder is, maar juist omdat we slechts een beperkte hoeveelheid gebruiken, valt dit heus wel te verdedigen. We hebben de keuze uit verschillende korrelgroottes, het hoeft zeker niet ultrafijn te zijn, maar minder dan 2 mm is naar mijn smaak zeer mooi. Als bovengrens stel ik 2 mm omdat anders nitraat zeer snel de kop zal opsteken, want grovere korrelgroottes slibben zeer snel dicht met detritus. Indien sommige dieren het nodig hebben, kunnen we er zeker wat grover materiaal (beperkt) onder mengen om het opstuiven door te krachtige stroming (plaatselijk) tegen te gaan of om materiaal te voorzien om holletjes of nestjes te bouwen. Garnaaltjes en grondeltjes zullen dit zeker weten te appreciëren.
De kleur van het zand is een persoonlijke keuze, met slechts één bemerking: een lichtere bodem weerkaatst meer licht en zorgt ook zo voor een voller koraal en voor een koraal dat in de kern ook meer op kleur is bij gelijke waterwaardes. Voor de verdere aankleding van de nano kan levend steen gebruikt worden. Dit heeft zowel voor- als nadelen. Levend steen van goede kwaliteit heeft zeker zijn prijs, maar nogmaals: in een nano weegt dit veel minder door. Een ander nadeel kan het meeliften van plaagdieren zijn. Als oplossing zou ik hier willen voorstellen om het levend steen in een bak of dergelijke te plaatsen NAAST elkaar en niet op elkaar, met de lichtzijde naar boven. Op dit geheel plaatsen we stroming, licht én een eiwitafschuimer zodat zoveel mogelijk leven gevrijwaard blijft. Plaagdieren kunnen in principe zo gemakkelijk(er) verwijderd worden en we belasten de nano op die manier veel minder.

Foto: Rob D'heu
Nephurus amyae, de ruwe knopstaartgekko
Rob D'heu - Aquatom vzw
108
Nephrurus amyae heeft geen ondersoorten, er zijn echter wel twee soorten nauw verwant aan Nephrurus amyae nl.: Nephrurus asper en Nephrurus sheai. N. amyae is de grootste Nephrurus-soort en wordt ongeveer 15 cm groot, mannetjes blijven doorgaans 1 à 2 cm kleiner.
Nephrurus amyae vind je enkel in Centraal-Australië, op rotsvlaktes.
Nephrurus amyae heeft een zeer forse kop t.o.v. het lichaam, wat door de zeer korte staart een raar uiterlijk geeft. De staart is zeer kort (ong. 2 cm) en bestaat uit een verdikking met daaraan de knobbel (vandaar dus ook de naam knopstaartgekko).
De kleur kan variëren van bruin, geel, oranje tot soms een perzikachtige tint. Over heel het lichaam zijn witte stippen verspreid. De schubben zijn ruw, stekelig en variabel in grootte.
Huisvesting
Ik houd mijn trio (1.2) in een terrarium van  140 (L) x 60 (B) x 50 (H) cm; dit vind ik een mooie afmeting voor deze toch wel actieve gekko's. Deze soort heeft geen heel dikke zandbodem nodig zoals bv. N. levis maar een bodem van ong. 5 cm wordt wel op prijs gesteld, omdat ze toch wel graven.
Het terrarium is verder ingericht met wat stukken hout, enkele stenen, stukken kurk en een legbak.
De legbak is een plastic doos van ongeveer 25 (L) x 20 (B) x 10 (H) cm en is gevuld met een turf/zand mengsel (1:1) en wordt altijd vochtig gehouden.
Deze wordt door de dieren ook gebruikt als ze gaan vervellen.
Ter decoratie heb ik er ook wat stukken siergras in gebruikt, omdat dit in de natuur ook voorkomt (uiteraard wel een andere soort). Als bodembedekking gebruik ik rijnzand.
Verwarming & Verlichting
Ik verlicht mijn terrarium met een 2.0 tl-lamp en een spot van 75 W. Dit zorgt voor een temperatuur van 35 °C aan de warme kant en zo'n 25 °C aan de koude kant. 's Nachts zakt de temperatuur tot kamertemperatuur.
De lichtduur in de zomer en lente is bij mij 13 uur.
Vermits de dieren in de natuur een winterrust houden, is het dus ook in het terrarium nodig ze dit te geven (vooral met het oog op de kweek). Om de vrouwen genoeg rust te geven, is het nu de moment om de man van de vrouwtjes te scheiden.
Half oktober breng je de lichtduur langzaam terug tot negen uur licht per dag, hierbij laat je tevens de temperatuur zakken (langzaam!) tot 20 °C in de dag en 15 °C 's nachts. Voeder de dieren in deze periode niet veel. Rond februari breng je de lichtduur en temperatuur weer terug op een optimaal niveau.
  BBAT-informatief 114
  VOEDSELGIDS Weekdieren, Mossels (3)  
Top