Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 68 - 2015
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 68 – Nr. 4 - April 2015
 
ISSN 1372-6501

Foto: Sven O. Kullander
Een nieuwe Tanganyika-cichlide: Neolamprologus timidus
Romain Van Lysebettens - Moerbeekse Aquariumvereniging
118
De cichlidenstam Lamprologini vormt een belangrijke component van de endemische visfauna in het Tanganyikameer. Er zijn er ongeveer 80 soorten van verspreid over zeven (Poll, 1986), acht, of mogelijk negen (Stiassny, 1997) genera. Bijkomend zijn acht soorten bekend van het Congobekken en één soort van de Malagarasi rivier.
Wat Neolamprologus timidus betreft, gaat het hier om een totaal nieuwe soort. Ze werd waargenomen en verzameld op ongeveer 100 km van de kust van Kolwe Point, Cape Mpimbwe, ten zuiden naar Kisi Island langs de Tanzaniaanse kust. In april 2008 merkten duikers een schuwe vis op in de wonderbaarlijke onderwaterwereld van het meer. Het donkere leefgebied, op 18 m diepte, bestond uit spleten gevormd door enorme rotsblokken. Het exemplaar bleek veel overeenkomsten te vertonen met Neolamprologus furcifer.
Neolamprologus furcifer (Boulenger, 1898) is een weinig bestudeerde soort, voorkomend langs de gehele kust, vooral in rotsachtige habitats (Konings, 1998), maar tot nu toe enkel gerapporteerd uit verspreide locaties en relatief weinig exemplaren. Hij onderscheidt zich door zijn donkere, zwartachtige kleur, zijn slanke vorm, een kopuitstulping en grote ogen. Meestal is hij te zien ondersteboven zwemmend in spleten. We moeten er ook bij vermelden dat deze vis niet zo populair is bij de Tanganyika-liefhebber … maar wat niet is, kan nog komen uiteraard.
De lichaamskleur van Neolamprologus timidus daarentegen is donkerbruin met twee donkere horizontale strepen en heeft verlengde vinnen. De vis leek slanker en had een spitse kop. Men ging er van uit dat het hier om een jonge vis ging; het waargenomen exemplaar was slechts ca. 6 cm. Bij het naderen verdween deze vis snel tussen de rotsen. Echter, in de buurt van Musi Point bij Ulwile Island, gelegen op slechts 5 km ten zuidoosten van Mvuna Island, kon men meerdere exemplaren waarnemen en vangen om geanalyseerd te worden, om daarna vast te stellen dat men wel degelijk met een nieuwe soort te maken had.
Er is ondertussen, door de verschillende duiksessies, een formele beschrijving van deze nieuwe soort – door o.a. Sven O. Kullander, Michael Norén, Mikael en Magnus Karlsson – tot stand gekomen. Uit die beschrijving(en) bleek duidelijk dat voor de toch weinig bekende N. furcifer wel een herbeschrijving nodig zal zijn.

NB: de redactie van Aquariumwereld dankt Dhr. S. O. Kullander voor het fotomateriaal en zijn zeer gewaardeerde medewerking aan dit artikel.
Aquariumwereld wishes to thank Mr. Sven O. Kullander for the unique photo material and his appreciated collaboration to this article.

 

Foto: Robert Van Mossevelde
Een rare snuit(er) met pantser
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw
122
Corydorassen zijn kleine tot middelgrote visjes (de grootste wordt ca. 7 cm) die eigenlijk in geen enkel gezelschapsaquarium mogen ontbreken. Een Corydoras bezit – in tegenstelling tot de meeste andere vissen – twee paar baarddraden, één paar op de bovenlip en een ander op de onderlip, waarbij eigenlijk een toelichting hoort. Dit rare snuituiteinde heeft immers twee functies. Daarnaast kun je, je aan dit diertje “prikken”.
Ademhalingsorgaan
Hun rare snuiteinde laat hen toe atmosferische lucht te ademen, wat hun overlevingskansen in zuurstofarm water verhoogt dat, door de klimatologische omstandigheden in hun habitat ter plaatse, soms snel ontstaat. Ze gaan daardoor af en toe eens een “luchtje scheppen”, wat dus volkomen normaal is.
Zeer frequent luchthappen kan echter duiden op een zuurstofprobleem in je aquarium. Weg dus met die zuurstofmeetset. Zet beter enkele corydorassen in je aquarium om de zuurstofhuishouding in het oog te houden.
Een té hoog aquarium is ook dan weer voor geen enkele Corydoras-soort aangewezen. Door hun speciaal ademhalingssysteem moeten ze af en toe ook echt omgevingslucht kunnen “binnenhappen”.
Ook een volledig met drijfplanten dichtgegroeid aquarium kan daarom letterlijk tot de verdrinkingsdood van deze diertjes leiden.
Op zoek naar iets eetbaar
Corydorassen “snuffelen” (het zijn eigenlijk alleseters) met die korte gevoelige baarddraden constant de bodem af naar wat eetbaars. Het spreekt voor zich dat je in het aquarium dan ook geen scherpe bodembedekking mag toepassen zoals kwartszand of gemalen grind. Dit kan hun tere sensororganen beschadigen, met mogelijk dodelijke schimmelinfecties tot gevolg. Ook moet je de kleur van de bodem niet te licht nemen maar veeleer donker.
In een aquarium met corydorassen, die dus steeds op zoek zijn naar wat eetbaars, is het (zoals ik hogerop reeds stelde) bovendien raadzaam enkel kleine (1 tot 3 mm) gladde rivierkiezel te gebruiken als bodem en nooit gemalen kiezel. Vermits deze dieren ook niet van hard water houden, is een bodem die kalkhoudende materialen bevat eveneens uitgesloten. Wat die waterkwaliteit betreft, zijn ze anderzijds niet al te kieskeurig. Een pH tussen 6,5 en 7,5 bij een totale waterhardheid (GH) tot max. ca. 15°dH vinden ze best.or ze gebruikt werden. In feite werden deze vissen verpakt voor verzending naar exporteurs in Jakarta.

 

Foto: Ab Ras
Poeljuwelen kweken
John Glaudemans & Ab Ras
126
Kweken met killyvissen is een hobby apart en een belevenis. We hebben er enkele soorten voor jou uitgehaald en de bijzonderheden erbij vermeld. Veel kweekplezier..

Aphyosemion australe ‘gold’
Vindgebied: kweekvariant. De gewone A. australe komt voor in West-Gabon met uitlopers richting Congo.
Geslachtsonderscheid: de mannen hebben een duidelijk tekening van rode stippen/vlekken op het oranje lichaam. De vinnen en staart hebben een wit met rode zoom. De punten van de staart kunnen bij volwassen mannetjes zeer mooi uitgroeien.
Gedrag: dit is de killi die men het meest in de aquariumzaken aantreft en uitermate geschikt is voor het gezelschapsaquarium.
Maximale lengte: 6 cm.
Voedsel: alle soorten levend voedsel, maar ook droogvoer.
Verzorging: hetzelfde geldt als voor Aphyosemion striatum.
Kweek: de vis is een echte plantenlegger. In het gezelschapsaquarium zet de vis de eitjes af in de fijnbladige planten. Bij voorkeur een paartje of trio in een bakje van 30 x 20 x 20 cm eitjes laten afzetten in een mop of in turfvezel. Ik gebruik hierbij zacht water half leiding- / half regenwater. Leidingwater is ook een optie, maar zachter water bevordert het afzetten. Na 12 dagen de eitjes uit de mop plukken en op lichtvochtige turfvezel brengen of de turfvezel uitknijpen en ook lichtvochtig bewaren in een klein plastic bakje. De incubatietijd van de eitjes is 3 à 4 weken, afhankelijk van de temperatuur. Na 14 dagen de eitjes controleren op hun ontwikkeling. Als de oogjes zichtbaar zijn, de eitjes opgieten. De eitjes kunnen ook nat bewaard worden, waarbij de kans op beschimmeling groter is. De jongen kunnen meteen met pekelkreeftjes (Artemia) gevoederd worden.

Verder in dit artikel nog: Aphyosemion bivittatum ‘Funge’; Aphyosemion striatum ‘Lambarene’; Austrolebias nigripinnis ‘Ceibas MSL 91/2’; Epiplatys lamottei ‘Salayea’; Fundulopanchax gardneri; Nothobranchius boklundi ; Nothobranchius guentheri ‘Zanzibar’; Scriptaphyosemion geryi ‘Dandaya GCLR’
 

Foto: Patrick Scholberg
Het nano-zeewateraquarium (deel 3)
Patrick Scholberg - Tanichthys Hasselt
136

In het vorig deel beloofde ik wat verder in te gaan op lagere dieren, doch voordat ik dat kan behandelen, loont het de moeite om even na te denken welk type van nano-aquarium we wensen om optimaal te kunnen zorgen voor onze dieren en om een meerwaarde te creëren door doordachte keuzes te maken.
We kunnen een mix maken van verschillende lagere dieren, maar we kunnen ons ook beperken tot één soort zonder dat de ene boven de ander staat. We dienen er enkel op te letten dat de dieren elkaar het leven niet moeilijk maken, zeker in een nano omdat hier de ruimte nog meer beperkt is tegenover het modale rifaquarium.
Het is mogelijk uw nano zo in te richten, in functie van de latere levensgemeenschap die u wenst te gaan houden, zodat alle specifieke vereisten optimaal ingevuld kunnen worden.
Ik geef enkele voorbeelden: u kunt bijvoorbeeld het aquarium zo inrichten dat u opteert voor een levensgemeenschap van panda-gobietjes. Hier zult u dan voldoende Pocillopora damicornis in voorzien waartussen deze visjes zich van nature ophouden. U kunt ook een nano inrichten met wat grovere deeltjes in het zand, een stukje levend steen en met lagere dieren die wat minder licht behoeven en hierbij plaatst u een koppeltje Stonogobiops yasha of S. nematodes samen met hun pistoolgarnaalkoppel Alpheus randalli en zoverkrijgt u vanzelf de ideale interessante levensgemeenschap.
U zou ook een nano speciaal voor zeenaalden en/of zeepaardjes kunnen inrichten met de nodige schemering, met minder sterke stroming en voldoende wieren die als rustplaats voor de zeepaardjes zouden kunnen dienen. Ook mooi zou een nano kunnen zijn met wat anemoontjes en de daarbij passende garnaaltjes en/of krabbetjes. U zou ook een poetsstation kunnen inrichten, wat kokerwormen, één of enkele anemoontjes, een mooi wiertje en een vooruitspringend stukje rots (lees levend steen) van waaruit poetsgarnalen hun diensten aan visjes aanbieden. Ook kan een mooie anemoon met passende anemoonvisjes, maar dan zonder andere “grotere” vissen, heel natuurlijk overkomen. Wel dan de anemoonvisjes van passende volwassen afmetingen in overeenstemming brengen met het formaat van uw aquarium. Houdt er wel rekening mee dat in de vrije natuur een koppel anemoonvissen zich zelden meer dan 1 m van hun “huisanemoon” zullen verwijderen. U moet dan geen grotere vissen bijplaatsen, want als de broedtijd aanbreekt, zullen deze in de verdrukking komen.
Ook heel mooi kan een nano met trimma's en/of eviota's of apogons zijn. Ook mooi scootertjes in een nano met wieren en een kleurrijke greep uit buttons en/of oren. Of u kunt uw aquarium enkel wijden aan allerhande kokerwormen.


Foto: Robert Van Mossevelde
Solidago gigantea, late guldenroede
Fernand Verbeeck
139

De genusnaam “Solidago” komt van het Latijnse “solidus“ stevig en “ago” of maken. Ook is “solidare” of “solidum agere” wat staat voor gezond maken of helen mogelijk wegens de aanwending bij nierproblemen. Dat gezond maken is dan wel de taak van Solidago virgaurea L., het heidens wondkruid of “echte” guldenroede, die gebruikt wordt bij blaas- en nierproblemen. Deze soort staat echter op de rode lijst als vrij zeldzaam en sterk afgenomen.
Ook worden de planten ontsmettende eigenschappen toegeschreven. De planten bevatten naast saponinen (zeepstoffen) nog bayonin en looizuur C76H52O46 en verschillende etherische oliën.
“Gigantea“ beduidt dan weer “reusachtig”, want onder prima omstandigheden ligt een hoogte tot twee meter in hun bereik.
In de 18de eeuw kwamen ze uit Noord-Amerika over. Thomas Edison zag zelfs kans om er rubber uit te winnen. Zijn experimenten leidden tot 3 à 4 m hoge planten met een rubber gehalte van 12%. Toen de uitvinder een jaar later stierf, bleef het bij de gedane proeven. Hij is nu sterk ingeburgerd in België, Duitsland en Nederland waar hij eigenaardig genoeg de voorkeur geeft aan een bodem die verstoord is.
Hun favoriete standplaats is op de rand van het water met tijdens de winter de voetjes in het water. Dit wijst er al meteen op dat ze hemikryptofyten zijn of planten die meerjarig zijn en de winterperiode overleven door plantendelen op dit moment in de bodem bewaren. De bodem moet vruchtbaar zijn maar mag niet teveel kalk bevatten en de pH ervan mag variëren van 4 tot 8.
Even een beetje uitleg aangaande het uitzicht van de plant. De hoge massieve ronde groene soms rode stengel, gewoonlijk ongeveer 1,50 m hoog, is kaal of behaard en draagt verspreid staande lancetvormige bladeren met gezaagde rand. Het vlakke steelloze blad is glad en veernervig en omvat de stengel als een wig.
De bloemen staan op 10 tot 17 bloeiwijzen welke verspreid voorkomen aan de stengeltop. De bloemen zijn zoals u op de foto reeds merkte goudgeel en vormen lange, verspreid staande pluimen De bloemen komen voor onder twee vormen. Een eerste vorm betreft lintvormige bloemen. In het tweede geval is de kroon vergroeid tot een buis. Beide vormen komen voor wat typisch is voor de Asteraceae. De twee bloemvormen op één plant is dan weer niet zo gewoon. De bloem bezit 5 meeldraden en een stamper voorzien van 2 stempels. Daar de bloem zowel meeldraden als een stamper bezit noemt men haar éénhuizig. Zelfbestuiving kan dus.


Foto: Nico Rosseel
Nano-vivaria
Nico Rosseel
144

Iedereen, of jij misschien niet, heeft wellicht al eens van een “nano-aquarium” gehoord. Elke speciaalzaak heeft ze en biedt ze in allerlei vormen en van verschillende merken aan. Je ziet ze op elke aquarium- en terrariumbeurs, op kantoor, enz… Echt nooit van gehoord? Lees dan zeker verder, want deze minibakjes vormen vandaag een echte mini-hype.
Bestaan er ook “nano-terraria”?
Misschien spreken we beter over “nano-vivaria”, maar het antwoord is: "jazeker!"
Het is uiteraard moeilijk om een exacte omschrijving te geven van wat nu net onder “nano” valt en wat niet, maar persoonlijk vind ik dat het begrip nano-terrarium gebruikt kan worden voor bakjes van bijvoorbeeld 40 x 40 x 40 cm (of iets gelijkaardigs).
Als je bij een gespecialiseerde handelaar even binnenloopt, kun je er vast wel enkele opmerken, of het nu van de grote internationale merken is, of eentje uit gewoon glas, maakt niet uit, als het bakje maar voldoet aan de standaardnormen die je moet in acht houden voor een terrarium.
Is er voldoende (dubbele?) verluchting, is er een mogelijkheid om je dier(tje(s)) te voorzien van de correcte temperatuur en verlichting? Sluit het terrariumpje goed? Enz ...
Het spreekt voor zich dat het in een nano-terrarium minder gemakkelijk zal zijn om eventuele apparatuur, zoals bv. een lamp, weg te werken (laat staan een combinatie van én een warmte- én een UV-Iamp), maar ook daar bestaan oplossingen voor, kleine terraria met een bovenkant gemaakt van gaas, waar je, je lamp bovenop kunt plaatsen. Let wel op dat je dierenverblijf niet te warm wordt, want hoe kleiner, hoe sneller warm, soms met vrij nare gevolgen voor de bewoner(s).
Als je, je bakje gaat inrichten, houd je steeds rekening met de eisen van de toekomstige bewoner(s).
Ik ben echter overtuigd dat in een klein bakje, zoals de Engelsen het zo mooi zeggen, de regel is: "less is more". Wat bedoel ik hiermee? Plaats bv. beter één of twee mooie, passende stukken decor (steen, hout, enz…) of plantjes in het terrarium. Voorzie een passende schuilplaats, maar overdrijf niet. Als je, je beplanting kiest, kies dan een plant die of klein blijft, of zich gemakkelijk laat snoeien. Anders zit je binnen de kortste keren met een nano-terrarium dat volledig overwoekerd is, of met planten die hun beste tijd gehad hebben, omdat hun groei te veel belemmerd wordt. Zo worden er vaak bv. jonge Spathiphyllum verkocht. Deze worden, bij een goede verzorging (lees: onder goede omstandigheden), planten van een 70 cm hoog met een niet onaardige diameter... Kies je beplanting dus strategisch! Van de meeste planten(families) zijn er dwergvarianten verkrijgbaar, of soorten die opvallend trager groeien.

  BBAT-informatief 151
  VOEDSELGIDS Garnalen  
Top