Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 68 - 2015
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 68 – Nr. 5 - Mei 2015
 
ISSN 1372-6501


Foto: Adam Deckers
Adembenemende vivaria...
Mijn "mooi" vivarium
Adam Deckers - A.h.v. Maroni Maaseik
154

In de reeks "Adembenemende vivaria" kunnen wij Vlamingen niet achter blijven. In alle bescheidenheid heb ik mijn eigen aquarium niet "adembenemend" genoemd, maar gewoon "mooi".
Op 24 mei 2015 bestaat aquariumvereniging Maroni 50 jaar, hetgeen we gaan vieren met een tentoonstelling waarop jullie van harte uitgenodigd zijn. Ikzelf ben dan 50 jaar lid. Vanaf het eerste uur, als jong ventje, was ik erbij. Sedert 1978 ben ik bestuurslid en ondertussen al meerdere jaren voorzitter.
Al meer dan 20 jaar doe ik mee met de Limburgse- en nationale keuringen. Graag wil ik jullie mijn aquarium eens voorstellen.
In 2012 ben ik overgestapt van een speciaalaquarium voor discussen naar mijn oude liefde: een gezelschaps-plantenaquarium. Voor mij gaat niets boven een mooi, goed groeiend plantenaquarium.
Afmetingen 160 (L) x 60 (B) x 55 cm (H).
Water: ½ leidingwater; ½ osmosewater.
Parameters: pH 6,7; KH 3 °dH; geleidbaarheid  280 µS.
Decoratiemateriaal: tropisch hout (begroeit met Fissidens fontanus, Fissidens of Phoenix mos).
CO2 bemesting via pH-regeling. Het CO2 ventiel is ingesteld op een pH van 6,7.
Vloeibare plantenvoeding: Profito en Ferro van Easy Life (2x per week 25 ml van ieder).
Filtering: 2x Eheim 2224 ( 700 l/h).
Verlichting: van 10.30 u. tot 22.00 u., 3 lampen T5 80 W kleur 830 + 1 lamp T5 80 W kleur 840. Van 22.00 u. tot 23.30 u. 1 lamp Grolux 56 W om nog te kunnen genieten van de planten en de vissen.

Plantenbestand
Om een overzichtelijk en rustgevend aquarium te verkrijgen, waar vorm-, kleurcontrasten en de hoogteverschillen goed tot uiting komen, houd ik mij aan de vuistregel: lengte aquarium gedeeld door 10 = maximum zestien plantensoorten te gebruiken.
Op de snijpunten van de guldensnede staat rechts achter een Ottelia ulvifolia en links voor een groep rode tijgerlotussen. De ottelia is een van de mooiste solitaire aquariumplanten.
De groep Eichornia azurea is prachtig. In 2006 heb ik de moederplanten meegebracht uit Brazilië. Ik heb ze gevonden in de buurt van Macapa op de evenaar in een uitgestrekt watergebied. Waterwaardes: pH 5,5; KH 0 °dH en 30°C, dus ideaal om in mijn (toen nog) discusaquarium te zetten. Ze doen het nu in het gezelschapsaquarium ook voortreffelijk. Ze groeien heel snel en vragen daarom veel werk. Om de veertien dagen inkorten om zeker geen lepelbladeren te krijgen.
Ammannia gracilis, voor mij persoonlijk de mooiste aquariumplant, heb ik verscheidene malen zonder succes geprobeerd. Vanaf dat ik extra Ferro© ben beginnen toevoegen, is het eindelijk gelukt. Het oranje van deze groep vormt een bijzonder contrast.

Het visbestand           
Dit is heel belangrijk en moet met overleg samengesteld worden. Mijn statige maanvissen, vier stuks Pterophyllum scalare ‘Redback Rio Manacupuru’, van toen het nog een discusaquarium was, wilde ik behouden. Hierbij zocht ik een rustig scholenvisje. De keuze is gevallen op Hyphessobrycon bentosi ‘white fin’. De school van vijftien zwemt mooi samen, bijna altijd op dezelfde plaats in de openzwemruimte. Ze zijn constant bezig met schijnparingen.
In de middenzone, tussen de planten, zwemmen de onvermijdelijke kardinalen, twintig stuks. Dit visje mag niet ontbreken, het heeft onze hobby bij het grote publiek bekend gemaakt. Aan de oppervlakte hangen een tiental Nannostomus marginatus.
Ik vind het een fictie dat je enkel maar kleine visjes bij elkaar kunt zetten, er mogen gerust wat grotere vissen bij, als ze maar rustig zijn en zich “verstaan”. Zo zit er een Epalzeorhynchos bicolor (beter bekend als Labeo bicolor), een Farlowella acus en een Anostomus anostomus in. Zij zorgen voor vormcontrast met de maanvissen. Voor extra kleurcontrast zorgt een tiental rode koraal platy’s.
In ieder gezelschapsaquarium behoort een koppeltje dwergcichliden en een koppeltje labyrintvissen te zitten. Op dit ogenblik zit er een koppel Apistogramma agassizii en een koppel Trichopodus trichopterus (syn. Trichogaster trichopterus) in. Het blauw van deze labyrintvissen zorgt ook weer voor een extra kleurtje.
Op de bodem zitten twee soorten Corydoras species, samen een 15-tal visjes. Het zijn niet de mooiste soorten, maar ik ben aan deze vissen bijzonder gehecht omdat ik ze in juni 2004 zelf gevangen heb. Op het ogenblik dat ik dit artikel schrijf, heb ik ze precies tien jaar en ze doen het nog altijd uitstekend. Vindplaats: poel naast Trans Amazonica op grens tussen staat Mato Grosso en Para. Nu zou ik het niet meer durven, vissen zo maar uit Brazilië mee te brengen. Toen kon dit blijkbaar nog.
Ook vind ik het belangrijk om geregeld aquariumzaken te bezoeken. In mijn auto ligt altijd een isomodoosje, je weet maar nooit of je iets interessants op de kop kunt tikken. Ik kan geen aquariumwinkel passeren zonder er eventjes binnen te wippen. Beroepshalve passeer ik geregeld in Waver. Bij “Histoires d’eaux” op de Leuvensesteenweg zijn de planten afkomstig van de firma Tropica (www.tropica.com) uit Denemarken. Hier vind je de laatste nieuwe soorten. Als ik van mijn werk naar huis rijd, passeer ik via een klein ommetje “Het Diesters Aquarium”. Wanneer ik met mijn vrouw naar Hasselt mee moet winkelen, is dit op voorwaarde dat we bij “Hustinx Aquaristiek” ook eens stoppen. Bovendien kun je bij deze handelaars korting krijgen op vertoon van jouw BBAT-lidkaart. Natuurlijk is er ook de niet te missen “Limbeurs” waar altijd iets bijzonders te vinden is.

 

Foto: M.H. Sabaj Pérez
Een reus onder de dwergcichliden - Apistogramma kullanderi
Patrick Loosveldt - Wagtail Aalst
160

De Serra do Cachimbo is een geografisch hoger gelegen plateau in Brazilië, meerbepaald in het zuidelijke deel van de deelstaat Para. Aan de rand van dit plateau zijn er prachtige watervallen die zich 40 tot 60 m in de diepte storten. Dit deed vermoeden dat de vispopulaties, bovenaan, volledig geïsoleerd waren en dat er dus grote kans was om nieuwe, endemische vissoorten aan te treffen. De kennis van de visfauna uit dit gebied was bovendien relatief beperkt. Reden genoeg voor een handvol wetenschappers om er een speciale expeditie voor te ondernemen, met groot succes overigens. Deze regio was voordien nauwelijks onderzocht: amper twee eerdere expedities vonden respectievelijk plaats in 1956 en in 1984, waarbij enkel wat Characidae (zalmpjes) werden beschreven. Men vond er nu een schat aan vissenrijkdom! In totaal werden bijna 250 soorten gevangen, waarvan het overgrote deel meervallen. Het resulteerde in de beschrijving van talrijke nieuwe vissoorten, waaronder Apistogramma kullanderi.
Deze apistogramma werd op de Serra do Cachimbo gevangen in de Rio Curua en in twee zijrivieren. De Rio Curua vertrekt vanop dit hooggelegen plateau in Brazilië, stort zich dan naar beneden via grote watervallen, om veel verder uit te monden in de Rio Iriri, een grote zijrivier van de Rio Xingu. Op die expeditie werd deze apistogramma enkel en alleen aangetroffen in het bovenste deel van de Rio Curua, dus op het geografisch afgezonderd plateau. Hij werd niet gevonden stroomafwaarts na de watervallen. De vissen werden aangetroffen in helder, ondiep en traag stromend water, meerbepaald in de oeverzone die overschaduwd is door oerwoudvegetatie.
Bij het “opduiken” van de eerste foto’s, werd eraan getwijfeld of het eigenlijk wel apistogramma’s waren. Ze zijn namelijk veel groter dan de gekende soorten en de mannetjes zijn heel anders gekleurd. Anderzijds is er wel het uiterlijk verschil tussen de grotere kleurrijke mannetjes enerzijds en de kleinere geel-zwarte vrouwtjes anderzijds, hetgeen dan weer zeer typisch is bij het genus Apistogramma.
Ergens in 2009 kregen de vissen de voorlopige naam Apistogramma sp. “gigas”. Ook de naam A. sp. “Sabaj Perez” werd al eens gebruikt, genoemd naar een expeditielid. Het zou uiteindelijk nog tot eind 2014 duren vooraleer de wetenschappers konden bevestigen dat het wel degelijk een apistogramma betreft en ze gaven deze “dwergcichlide” de naam Apistogramma kullanderi. Deze soort is genoemd naar de bekende Zweedse ichtyoloog Sven Kullander, die in zijn rijk gevulde carrière veel vissen op naam heeft gebracht, waaronder heel wat cichliden.
Bij mijn weten is deze soort nog niet beschikbaar in de handel. In 2010 circuleerde een prijs van 1500 euro (!) voor een wildvangkoppel Apistogramma sp. “gigas” op de niet-reguliere markt. Over nakweek is er weinig tot niets bekend. Doordat de natuurlijke biotoop in een moeilijk bereikbaar gebied ligt, is het bovendien weinig waarschijnlijk dat er nog snel wildvang zal geëxporteerd worden. Deze soort staat dan ook hoog genoteerd op het verlanglijstje van veel dwergcichlidenliefhebbers. Hopelijk is dit een tijdelijk fenomeen en vinden de vissen alsnog via nakweek hun weg naar onze aquaria.

We thank mr. Henrique Varella, Mark Sabaj Pérez and José Birindelli for the supply of the original and unique images. Through correspondence by mail they gave us additional information. The discovery of A. kullanderi was on an expedition supported in part by the “All Catfish Species Inventory” (NSF DEB-0315963) and the study and publication was supported in part by the iXingu Project (NSF DEB-1257813).

 

Foto: Robert Van Mossevelde
Scherpschutters
Leopold Dauwe - Aquarianen Gent
163

Enkele maanden geleden was ik een PowerPoint aan het maken over brakwatervissen en hoe meer informatie ik verzamelde, des te enthousiaster ik werd.
Toen bekroop mij de lust om schuttersvissen te gaan houden.
Door mijn opzoekingswerk kwam ik te weten dat verschillende soorten schuttersvissen bestonden: Toxotes jaculatrix (syn. T. jaculator) is de meest courante, maar ook T. chatareus die 30 cm groot wordt, wat veel te groot is voor een normaal aquarium en twee soorten waarvan ik nog nooit had gehoord: T. microlepis en T. blythii.
Beide laatste soorten worden slechts 12 cm groot. Toxotes microlepis heet in het Engels dan ook “the small archerfish”. Toxotes blythii bleek een soort uit het zoet water te zijn. Dit was de max: het plezier van schuttersvissen en het comfort om gewoon water uit de kraan te kunnen gebruiken. Maar ... toen kwam de spreekwoordelijke kat op de koord. Geen enkele handelaar kon mij die beestjes bezorgen, sommigen hadden er nog nooit van gehoord. Dagenlang heb ik toen het internet afgeschuimd, in Nederland, België, Duitsland, Thailand, Amerika, enz...
Uiteindelijk (hoe raar kan het gaan?) vond ik, in België notabene, een handelaar die mij T. blythii kon bezorgen. Hoera! Voorzichtig toch even de prijs gevraagd.
Bleek dat mijn aquarium groot genoeg was, maar mijn portemonnee niet! Deze schatjes moesten de prijs van 80,00 euro per stuk kosten. Toen besloot ik “dat hun kleur mij niet beviel”. Iedere aquariaan is een beetje gek, maar net niet gek genoeg!
Terug naar af en via de club dan maar T. jaculatrix besteld. Drie weken later kon ik vijf exemplaren afhalen. Ze waren zeer mooi maar zaten op zoet water. Geleidelijk aan zou ik de saliniteit opvoeren, maar na twee dagen kleurden ze wit van de schimmel. Ik heb toen op één dag, maar geleidelijk, het zoutgehalte verhoogd naar 1015 op de doppler en ook de temperatuur opgevoerd naar 29 °C. Heb ik de juiste beslissing genomen of heb ik geluk gehad? In elk geval, drie dagen later was iedere vorm van schimmel weg, weliswaar met het verlies van een exemplaar. Op zich vind ik dat spijtig, maar bevredigend. We hebben hier immers te maken met wildvangdieren. Ze waren dan ook heel schuw en durfden niet van onder de takken te komen zolang er iemand in het zicht was. Mager als ze waren, moesten ze dringend gaan eten wou het niet verkeerd gaan. Levende watervlooien bleken de oplossing, wat dikwijls het geval is.
Sindsdien doen ze het heel goed. In plaats van schuw te zijn, zouden ze nu – als ze honger hebben – het eten uit mijn handen trekken. Men zegt steeds: “Een vis eet altijd”, wel niet zo met mijn schuttersvissen. Het zijn rovers en jagers en eten pas als ze honger hebben. Ik geef om de twee dagen eten, meestal diepvrieskrekels en één maal per week levende krekels. Dan is het spektakel, dan ziet men pas het gedrag waarvoor ik ze in huis heb gehaald. De krekels gaan eerst voor 30 minuten de koelkast in zodat ze zijn verdoofd (koudbloedig dus het metabolisme vertraagt). Vervolgens plaats ik ze op een daarvoor ontworpen eilandje, ongeveer 15 cm boven het water. De krekels komen langzaam terug in beweging en het festijn begint. Dit is fantastisch om te zien. Soms ontsnapt een krekel en kruipt het paludarium in, maar eens hij wordt opgemerkt, en hij mag een meter hoog zitten, wordt hij ongenadig onderuit gehaald en opgegeten. Er wordt ook wel eens mis geschoten, maar zelden. Als ik twee dagen opeenvolgend te eten geef, interesseert het de heren voor geen barst. Als het dan toevallig levende krekels zijn, laten ze die allemaal ontsnappen en dan zit ik met een probleem.
Indien ze echter honger hebben, beginnen ze spontaan te schieten en aangezien ik naast het aquarium rustig naar de tv zit te kijken, krijg ik de waterdruppels in de nek. Het zoutgehalte houd ik nu rond 1008, het mag wat schommelen; de temperatuur op 26 °C. Wekelijks wordt 20 l water ververst met ca. 5 l zeewater (uit de verversing van het zeeaquarium) en de rest leidingwater.

 

Foto: Patrick Scholberg
Het nano-zeewateraquarium (deel 4 - slot)
Patrick Scholberg - Tanichthys Hasselt
166

In dit slot van de nano-reeks licht ik het gebruik van lagere dieren toe.
In principe is elk koraal geschikt om in een nano-zeeaquarium te plaatsen, maar bepaalde koralen hebben toch echt een voorkeur ten opzichte van andere. Koralen die grotere afmetingen bereiken of een snellere groei kennen, zijn minder geschikt omdat er vaker ingegrepen moet worden. Met name in nano's is dat niet bepaald bevorderlijk voor de rust.
Toch is enige nuancering niet misplaatst: een nano is meestal geringer verlicht dan een doorsnee rifaquarium, waardoor de groei ook minder snel verloopt. Eén beperking wil ik wel vermelden: “Met sterk netelende koralen (en ook anemonen) moet men veel terughoudender zijn, omdat de netelstoffen van deze dieren een veel grotere impact hebben in het beperkte watervolume”. Ook zal de doorsnee aquariaan het niet in zijn hoofd halen in een nano bijvoorbeeld een tapijtanemoon of een cilinderroos te plaatsen. Net voor dit type aquarium zijn er specifieke oplossingen en dit in de vorm van mini/maxi anemoontjes of zandanemoontjes die hier echte blikvangers kunnen zijn.
Verder is ook het gebruik van oren en buttons uitermate aan te moedigen in nano's. Vaak staan deze koralen liever in wat rijker water en ook door het geringere formaat lenen ze zich bij uitstek voor deze toepassing. Een collectie van deze dieren in een nano kan een bijzonder fraai resultaat opleveren. Wel wil ik voor één punt aandacht vragen waartegen, in mijn ogen, wel vaker gezondigd wordt: men plaatst dan een assortiment oren en nog vaker buttons, op één steen. Ten eerste oogt dit al snel wanordelijk, maar vooral een ander aspect stoort me hierin. Na verloop van tijd haalt slechts één variëteit de bovenhand en verdringt dan alle overige soorten. Wens je verschillende varianten in je nano te plaatsen, dan liefst op aparte steentjes die elkaar niet raken. Leg daartussenin, naar keuze, wat grove koraalgrit zodat ze zich daarop kunnen voortzetten en dat je zo afleggers kunt wegnemen, om deze eventueel te ruilen voor nieuwe variëteiten.
Verder zijn ook Xenia en Glove Polyp koralen in alle mogelijke kleuren zeer dankbare gasten en bieden ze talrijke schuilplaatsen voor je levende have. Ook voor alle mogelijke voedseldieren, zodat je visjes actief op zoek moeten naar voedsel en zo meer hun natuurlijk gedrag kunnen tonen, waardoor er ook minder sprake is van een neurotisch gedragspatroon.
Ook hier kunnen weer tal van kleine garnaaltjes of krabbetjes zich even terugtrekken.
Heel wat lederkoralen zijn ook zeer geschikt. Ik denk dan in het bijzonder aan de mooier gekleurde vormen die steeds meer beschikbaar worden voor de gemiddelde liefhebber. Hun groei is vaak ook iets meer bescheiden, wat in dit verband ook een pluspunt is. De hogere aanschafprijs weegt dan minder door dan in een traditioneel rifaquarium.
Heel mooie resultaten zijn ook te bereiken met Ricordea florida en Ricordea yuma. We kunnen dan ook net de verlichting een tikkeltje meer contrast laten geven door iets meer blauw en/of actinic te voorzien, waardoor de kleurtjes nog meer oplichten. Ook een Lythophyton of Cladiella kan echt de rol van solitair op zich nemen zoals we dat kennen vanuit de zoetwateraquaristiek.
Voor één ding wil ik wel een lans breken: maak er alstublieft geen wirwar of ratjetoe van, maar beperk je in je keuze van lagere dieren tot een evenwichtig geheel dat een harmonische aanblik toont. Houd, nog meer dan in een groter aquarium, rekening met de specifieke behoeften van de lagere dieren. Vergeet zeker niet de onderlinge concurrentie, zodat er geen veldslagen plaatsvinden tussen de koralen onderling.
Eén soort koralen heb ik nog niet vernoemd en dat zijn de steenkoralen. Uiteraard kunnen deze in het nano-zeeaquarium, maar houd dan wel rekening met de specifieke eisen van deze koralen. Voor de LPS-koralen denk ik dan vooral aan de mogelijke netelkracht. Plaats koralen zeker niet te kort bij elkaar, voor de rest zie ik niet direct bezwaren. De groei van een doorsnee Euphyllia lijkt me niet direct een probleem. Je kunt stekken en zo andere liefhebbers plezieren of ze omwisselen voor andere kleurvarianten. Voor de SPS-koralen hoeft het ook niet moeilijk te zijn. Zorg gewoon voor een goede (lees: meer dan voldoende sterke) eiwitafschuimer en een krachtige verlichting. Houd de waterkwaliteit nauwgezet in het oog als je de gevoeligere soorten in je nano plaatst en laat niet alles door elkaar groeien, maar laat dan liever wat bonsaisnoei toe. Het kan allemaal! Maak je keuze en blijf die trouw.
Dan zul je zien dat nano-aquaristiek schitterende resultaten kan opleveren en dat de kosten best mee vallen.

Tot zo ver de reeks over het nano-zeeaquarium. Uiteraard was dit enkel het tipje van de sluier en valt er nog heel wat over te vertellen. Dat is ook mijn intentie, maar dat zal dan wat gedetailleerder en gevarieerd zijn. Daarom ga ik jullie dat in de toekomst via afzonderlijke, losstaande artikels meegeven en niet meer in een afleveringenreeks. Mocht iemand zich geroepen voelen om over eigen ervaringen te berichten, graag zelfs. Deel jouw ervaring met andere hobbyisten!


Foto: Freddy Haerens
Iguana iguana, de groene leguaan
Erik Vansteenkiste - Aquatropica Kortrijk
172

De groene leguaan is de klassieke vertegenwoordiger van de leguanen en wordt al tientallen jaren als terrariumdier gehouden. Meestal worden jonge dieren ingevoerd, die bij voldoende en juiste keuze van voeding, zeer snel groeien en spoedig problemen stellen aan de grootte van de huisvesting. De ruimte dus!
Dit laatste is waarschijnlijk dé reden dat er weinig nakweek ontstaat bij de verzorgers.
De grootste tot nu toe gekende groene leguaan bevindt zich in een museum in Chicago. Het dier heeft een totale lengte van 230 cm en heeft een gewicht van 10,5 kg.
De normale totale lengte (kop, romp en staart) bedraagt voor de vrouwtjesdieren 90 tot 110 cm en voor de mannelijke exemplaren 120 tot 140 cm. De kop-romp lengte van de vrouwtjes bedraagt 35 tot 45 cm, de mannetjes meten 45 tot 55 cm.
Volwassen mannetjes hebben een zeer massieve kop. Op de kaken, onder het trommelvlies, vertonen ze vergrote schubben, terwijl hun keelzak ongeveer 30% groter is dan deze van de vrouwtjes.
Het duidelijkst zien we het geslacht aan de veel grotere rugkam en de veel grotere femoraalporiën. Bij de mannetjes zijn deze 1 tot 4,5 mm, bij de vrouwtjes in regel maximum 1 mm. De rugkam is bij de mannetjes ca. 50 mm. Ook zijn de hemipeniszakjes aan de staartwortel duidelijk te onderscheiden bij de mannelijke exemplaren.

Geografische verspreiding
De groene leguaan komt voor in Midden- en Zuid-Amerika, van Costa Rica tot zuidelijk Brazilië en op verschillende eilanden van het Caribisch gebied.
De Midden-Amerikaanse dieren behoren tot de ondersoort Iguana iguana rhinolopha (Wiegmann 1818). Ze zijn herkenbaar aan de 2 tot 3 kleine bobbels op de snuit, waardoor ze zich van de nominaatvorm onderscheiden.
Op de Kleine Antillen leeft nog een tweede lguana-soort: Iguana delicatissima (Laurenti 1768), die zich kenmerkt door het ontbreken van de schoudervlekken.
Volledigheidshalve wil ik nog de “zwarte leguaan’ aanhalen, die tot het genus Ctenosaura behoort. Het dier komt voor in Midden-Amerika, maar wordt weinig aangetroffen bij terrariumliefhebbers. Nakweek van het dier is hoogst uitzonderlijk.

Biologie
De groene leguaan is in regel een regenwoud bewoner. Het dier houdt zich op in de kruinen van de bomen, in de oeverzone van beken en rivieren en ook op de oevers met stenen en overhangende rotsblokken.
Het dier kan ook beschouwd worden als een cultuurvolger van de mens, omdat ze worden aangetroffen in tuinen en zelfs in de straten. Ze worden eveneens aangetroffen op droge vlakten, struikgewas, beplantingen en savannen, maar steeds in de nabijheid van water. De jonge dieren vertoeven meestal in het struikgewas. Oudere types zoeken de grotere bomen op, overhangende rotsen of vlakten zonder een hoge vegetatie maar met bestaande of verlaten holen, of in holen die ze zelf uitgraven.
De dieren kunnen goed zwemmen en bij belaging laten ze zich gewoon vanuit een boom of rots in het water of op de grond vallen, zelfs vanuit hoogten van 5 tot 6 m.

Ontmoeten twee van deze territoriale dieren elkaar, dan richten ze het lichaam hoog op met behulp van de voorpoten, terwijl door spiercontractie de rugkam omhoog gericht wordt. Met behulp van het tongbeen wordt de keelzak uitgerekt, waarbij ze heftig met de kop knikken. Indien de tegenstander zich niet laat beïnvloeden door dit schouwspel, dan kan het in de beperkte ruimte van het terrarium tot gevaarlijke gevechten komen met ernstige verwondingen.

Foto: BBAT-archief
Mosbollen - Aegagropila linnaei
Walter Van der jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw
182

Mosbollen of Cladophora-bollen  werden voor het eerst ontdekt in 1820 door Dr. Anton E. Sauter in Lake Zeller, Oostenrijk, waar ze sinds 1910 volledig verdwenen zijn. Het is een zoet water macroalg die vandaag in het algemeen wordt beschouwd als een zeldzame, zelfs bedreigde soort. Ze worden soms verkocht in aquariumzaken onder de naam "Japanse mosbollen" (waar ze Marimo heten), hoewel ze niets met mos te maken hebben. Een mosbol behoort tot de familie Cladoprhoraceae en is veeleer een sieralg.
Het genus Aegagropila werd opgericht door Kützing (1843) met Aegagropila linnaei als de type-soort en gebaseerd op de vorming van bolvormige structuren. Alle Aegagropila-soorten werden – door dezelfde auteur (Kützing 1849) – later echter overgebracht naar het subgenus Aegagropila van het genus Cladophora. Toen heeft men A. linnaei ondergebracht in het genus Cladophora en werd omgedoopt tot Cladophora aegagropila (L.) Rabenhorst en Cl. sauteri (Nees ex Kutz.) Kutz.
Uitgebreid DNA-onderzoek in 2002 resulteerde echter terug in de naam Aegagropila linnaei. De aanwezigheid van chitine in de celwand maakt dat ze zich blijkbaar onderscheiden van het genus Cladophora. De wetenschappelijke naam Aegagropila (Αεγαγρόπιλα) is Grieks voor "geitenhaar".
De plant komt vooral voor in meren in het noordelijk halfrond in voorheen vergletsjerde gebieden, waardoor men stelt dat dit beperkte potentiële verspreidingsgebied een afdruk van de Pleistocene ijstijden zou zijn. Hele koloniën van dit soort bollen zijn vandaag te vinden in Japan, IJsland, Zweden, Noordoost-Duitsland, Oekraïne, Engeland, Ierland, enkele andere Noord-Europese landen en Noord-Amerika. Mosbolkolonies in het Akanmeer, Hokkaido in Japan en ook in het Mývatnmeer in IJsland kun je gerust schikken onder de vreemdste plantengemeenschappen op aarde. Hun voortbestaan hangt af van de aanpassing aan omstandigheden met weinig of veel licht, in combinatie met een dynamische interactie van door wind geïnduceerde onderwaterstromen, de golfbeweging, de morfologie van het meer, het bodemsubstraat en de sedimentatie.
Er zijn eigenlijk drie groeivormen voor Aegagropila linnaei. Eén daarvan is groeiend tegen rotsen en is meestal te vinden aan de schaduwkant van de rotsen. Een andere groeivorm bestaat uit vrij zwevende filamenten, als kleine plukjes losse alg,  die samen vaak een tapijt vormen op de modderige bodem van het meer. Ze zijn dan moeilijk te onderscheiden van andere draadalgen en komen in deze vorm waarschijnlijk ook frequent voor in onze noordelijke gebieden maar blijven onopgemerkt.
De derde vorm is de groei als bol in een meer, waar deze algen uitgreien tot flinke bollen die bestaan uit dicht op elkaar gepakte algenfilamenten die ontstaan op zandige, schuin aflopende bodems door de beweging van het water. Zo’n bol ontstaat dus doordat deze alg bijvoorbeeld met z’n stugge draden met zijtakjes (rhizoïden), waaruit de algen bestaan, gemakkelijk in elkaar verstrengeld geraken en als dit kluwen over de bodem rolt, worden ze rond. Al rollend wordt zo meer en meer alg verzameld om uiteindelijk een eigen leven als mosbol te gaan leiden. Het dankt dus zijn bolvorm aan het heen en weer rollen op de bodem van een meer door de golfbeweging of onderwaterstroming.

  BBAT-informatief 187
  VOEDSELGIDS Anemonen voederen (1)  
Top