Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 68 - 2015
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 68 – Nr. 6 - Juni 2015
 
ISSN 1372-6501

Foto: Bruno Magis
Een nieuwe dwergcichlide:
Apistogramma ortegai
Patrick Loosveldt - Wagtail Aalst
190

Het verhaal van Apistogramma ortegai begint bij de zoektocht naar de mysterieuze Geophagus amoenus. Dat is een cichlide uit Peru die in 1872 door Cope werd beschreven en waarvan het type-materiaal verloren is gegaan. Men was dus aangewezen op een stuk tekst uit de negentiende eeuw, hetgeen zonder bijhorend onderzoeksmateriaal onvolledig is. Op basis van de beschrijving door Cope, kon men wel met zekerheid stellen dat het om een Apistogramma-soort ging, maar voor de rest bleef het vaag. Een mythe was geboren … tot enkele wetenschappers besloten om in augustus 2011 op expeditie te gaan in Peru, meer bepaald in Pebas nabij de monding van de rivier Ampiyacu.
Tijdens die expeditie werd een massa vissen gevangen, waaronder een Apistogramma-soort die nog niet op naam was gebracht. Ze kreeg de naam Apistogramma ortegai, genoemd naar de ichtyoloog Hernan Ortega Torres, die verbonden is aan het Museo de Historia Natural van de Universiteit in Lima, Peru.
Apistogramma ortegai is een prachtige dwergcichlide, waar bij de mannetjes werkelijk de kleuren vanaf spatten! De basiskleur is iriserend blauw met op de rugzijde ook rode vlekken. De kop is opvallend hemelsblauw met wat rode accenten. Ook de rugvin is blauw en … rood gekleurd, waarbij de verlengingen het meest in het oog springen. Met wat goede wil zie je strepen op het lichaam, waarbij de laatste streep doorloopt naar de staartvlek, echter niet altijd uitgesproken zichtbaar. De staartvin zelf is oranjegeel. Onderaan op de buikzijde zijn er drie horizontale strepen. Resten nog de doorzichtige borstvinnen en de lichtgele buikvinnen om het kleurenplaatje compleet te maken.
De vrouwtjes zijn totaal anders gekleurd. De vrouwelijke basiskleur is geel met daarop zwarte vlekken. De gele rugvin is afgeboord met een donkere rand. Ook de staartvin is geel en er zit een zwarte vlek op de staartbasis. Op het lichaam zijn er twee tot zes vlekken zichtbaar. Net als bij de mannetjes, zijn er op de buikzijde van de vrouwtjes drie donkere strepen waar te nemen.
De wetenschappers brengen deze soort onder bij het Apistogramma regani-complex, ook wel regani-groep genoemd. Binnen deze groep onderscheidt A. ortegai zich vooral door het in elkaar vloeien van de vlek op de staartwortel en de achterste vlekken op het lichaam.

 

Foto: Freddy Haerens
Amazonas 2012 - Op vissafari
Freddy Haerens - Aquatropica Kortrijk
194

We hebben de Rio Solimões (Amazone) verlaten en gaan op ontdekkingstocht op de Rio Negro en zijn zijrivieren. We hebben kapitein Mo jr. laten weten dat wij niet terug naar België willen gaan zonder enkele aquariumvissen gespot te hebben. We willen in ieder geval de kardinaaltetra in zijn natuurlijke biotoop waarnemen.
De rivier is minder breed, het water colazwart; het woud is veel dichterbij en nadrukkelijker aanwezig. Het landniveau is hier duidelijk hoger, we varen niet meer tussen de kruinen van de onderstaande bomen. Hier zien we bromelia’s en tilandsia’s op de takken van de bomen, een toekan kijkt op ons neer, een mooie rups belandt in een kano, vleermuisjes hangen rustig aan een boom, we komen alweer ogen te kort.
Dan leggen we aan en stappen aan wal. We staan meteen oog in oog met een kathedraal hoge woudreus. Mo jr. legt ons kort het ecosysteem van het woud uit, zodat we kunnen begrijpen dat alles hier een functie heeft en het een niet zonder het andere kan. Het wordt vooral uitkijken voor mierennesten. Die “lieverdjes” zijn hier wel 3 cm groot en kunnen, naar het schijnt, nogal venijnig bijten. Vandaar: broek in de sokken stoppen! We ontdekken een boom met een vergroeiing waarin een holte is ontstaan die vol water staat. We denken meteen aan “pijlgifkikkers” en als we dichterbij kijken, zwemmen er warempel een paar dikkopjes in en zien we ook een paar muggenlarven die ongetwijfeld hun voedselbron zijn. Of het inderdaad pijlgifkikkers zijn, weten we niet, maar ik vraag Rogério, een ranger van indiaanse afkomst, om uit te kijken naar deze kleinoden. Ik heb een voorschroef macrolens bij en maak een paar detailopnames. Dat is Rogério niet ontgaan en telkens als hij wat klein grut ziet, roept hij mij erbij. Meestal moet hij me terugroepen, want we waren aan dit of dat spinnetje voorbij gewandeld en hadden natuurlijk niets gezien, hij wél!
Uit een stuk boomschors steekt een zwarte “staart” en op de zijkant ontdekken we de vervellingshuid van een schorpioen. De boomschors wordt met de machete losgewrikt en de schorpioen wordt opgevangen in een plastic zakje. Die gaan we straks van dichtbij bekijken. We komen uit bij een verlaten paalwoning en zijn blijkbaar door een stuk woud, tussen twee riviertjes in, gewandeld. De kano’s zouden ons hier weer moeten oppikken, maar de rangers hebben ons niet gevonden en vermits er hier geen contact mogelijk is, moeten we op de uitkijk staan en wachten tot ze komen aanvaren. Dat geeft ons de tijd om die schorpioen van dichterbij te bekijken en uitgebreid te fotograferen. Het blijkt, na opzoekingswerk, te gaan om de zwarte Amazone schorpioen, Tituys obscurus, een redelijk giftige soort.
’s Anderendaags, tegen een uur of tien gaan we de Cachoeira River op. We worden onmiddellijk begroet door een groep groene amazonepapegaaien die schreeuwend overvliegt en ontdekken de eerste orchideeën in de bomen. Allemaal dingen die we langs de Rio Solimões niet gezien hebben.
We varen almaar verder de rivier op en de begroeiing wordt steeds dichter. We houden halt op een plaats waar de oever overstroomd is en doen in het ondiepe water (30 cm) een poging met het schepnet. We weten enkele visjes, waaronder Copella nattereri, en garnalen te verschalken. Ons aquarianenhart gaat er sneller van slaan.
We stappen terug in de kano’s en varen verder stroomopwaarts. Over de rivier gevallen bomen versperren soms de doorgang, maar we laten ons hierdoor niet afschrikken. Hakkend en sleurend banen we ons een weg tot we uiteindelijk bij een rotspartij uitkomen. In het droge seizoen is dit hier een waterval, maar nu staat het water tot aan de bovenkant van de waterval. Dit is het moment om de snorkel boven te halen en eens te kijken hoe een natuurlijke biotoop er hier onder water uitziet.

 

Foto: Camu's World
Caridina cf. cantonensis ‘var. tiger’ - tijgergarnaal
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw
202

Een Chinese tijger nog wel en een nogal een agressieve naam voor zo’n kleine ongewervelde. Als je de kleurtekening van deze garnaal ziet, besef je echter meteen waar de naam vandaan komt. Onze “tijger” heeft smalle donkere strepen, die in afstand en breedte variëren, afgewisseld met telkens een transparant gedeelte. De kleur van de streep kan variëren van donkerblauw tot zwart. Het is een soort die na de Amanogarnaal (Caridina multidentata) een van de oudst aangebodene is, maar door de komst van vele andere attractieve andere soorten wat in de vergeethoek geraakte.
Het is een kleine garnaal, waarvan beide geslachten ongeveer 2,5 cm worden. De vrouwtjes worden iets groter (tot 3 cm), zijn daarnaast iets intensiever van kleur en hun schild loopt wat lager door aan de zijkant. Je kunt ze natuurlijk ook herkennen als ze eieren dragen.
In tegenstelling tot wat z’n naam zou laten vermoeden, is dit een zeer vreedzaam groepsdier dat zich pas goed en veilig voelt als ze met een flinke groep zijn. Schaf ze daarom aan met minimaal 10 stuks. Zelf kocht ik er meteen 20 van, om ze als “onderhoudsploeg” onder te brengen in een mini-aquascape van 50 l. Dit is een onverwarmd, in de keuken staand, klein aquarium en deze garnalen kunnen eigenlijk goed tegen lagere temperaturen wat hen voor deze omstandigheid dan ook zeer geschikt maakt. De keukentemperatuur bedraagt altijd ±20 °C. Bovendien hebben wij thuis nog iets wat deze garnalen prefereren: zacht water. Dat blijkt hun ideale biotoop te zijn: zacht, zeer licht zuur tot neutraal water tussen 18 en 22 °C. Hard en neutraal tot licht alkalisch water zou hun levensduur aanzienlijk verkorten.
Daarin zitten ze tussen een 5-tal plantengroepen (Hydrocotyle verticillata; Glossostigma elatinoides; Utricularia graminifolia; Eleocharis acicularis en Cryptocoryne amicorum) en enkele mossen zoals parelmos (Blepharostoma trichophyllum) en vuur-  (vlammen)mos (Taxiphyllum spec.), in opgroei op een wortelstel. Als medebewoners hebben ze 10 Boraras brigittae. Dit op een bodem van fijn bruin grind.

 

Foto: Gerald R. Allen
De nieuwe juffer Chromis howsoni
Germain Leys - Tanichthys Hasselt
206

24 exemplaren van een nieuw soort juffer, Chromis howsoni, werden recent verzameld op 17 tot 20 m diepte nabij de provincies Milne Bay en Oro in Papoea-Nieuw-Guinea en beschreven door Gerald R. Allen en Mark V. Erdmann.
Deze nieuwe soort is nauw verwant met Chromis amboinensis maar verschilt vooral op basis van kleurpatronen en een iets kortere staartwortel.
Hij onderscheidt zich door een algehele geelbruine kleur, gele buikvinnen en gele gebieden achteraan op de dorsale en anale vinnen; in tegenstelling met C. amboinensis die over het algemeen bruinachtig grijs is, met witte buikvinnen en witachtig of doorschijnende plekken achteraan op de rug- en anale vinnen heeft. De twee soorten komen voor in Papoea-Nieuw-Guinea, maar hebben een afgebakend leefgebied in de beschutte kustgebieden en inhammen op de buitenste blootgestelde riffen.
Het genus Chromis komt voor op koraal- en rotsachtige riffen in alle warme en gematigde zeeën.
Het genus bestaat nu uit 98 soorten (Randall & Di Battista 2013) en is het grootste in de familie Pomacentridae. De nieuwe soort werd voor het eerst waargenomen en verzameld door Gerald R. Allen op een reis naar het oosten van Papoea-Nieuw-Guinea in de periode november-december 2012. De nieuwe soort werd aanvankelijk als kleurvariant van Chromis amboinensis (Bleeker 1871) beschouwd, maar uitgebreide onderwaterwaarnemingen en foto's leverden het bewijs voor de erkenning als een geldige soort.
Het holotype, WAM P.33812-001, een vrouwtje van 49,7 mm werd verzameld op Stewart Reefs (09° 07,741 'S, 149° 23,039' E), ongeveer 7 km ten zuidoosten van Tufi, provincie Oro, Papoea-Nieuw-Guinea, op 17 tot 20 m diepte door Gerald R. Allen op 3 december 2012.
Type exemplaren zijn gedeponeerd bij het Australian Museum, Sydney (AMS), United States National Museum of Natural History, Washington, DC (USNM) en Western Australian Museum, Perth (WAM). Gerald R. Allen onderzocht ook het holotype van Chromis amboinensis dat bewaard wordt door het Naturalis Biodiversity Center, Leiden, Nederland (RMNH).


Foto: Rob D'heu
Nephrurus levis levis - de gladde knopstaartgekko
Rob D'heu - Aquatom vzw
210

Nephrurus levis komt voor in Centraal- en West-Australië en komt voor van droge bossen tot vlakke woestijn met rotsformaties. N. levis is een echte grondbewoner die in holen onder de grond leeft. Deze holen worden enkel 's nachts verlaten om op jacht te gaan.
N. levis is geen al te grote soort en doorgaans worden ze rond de 10 à 12 cm (mannetjes zijn een stuk kleiner dan vrouwtjes). Ze hebben een forse kop t.o.v. hun lichaam en de grote bolle ogen geven ze een “bulldog”-achtig uiterlijk, wat soms ook wel in hun karakter voorkomt.
Wat betreft kleur en tekening is er een hoop variatie. Dit kan gaan van bruin, geel, oranje tot dieprood met een patroon van geel tot witte stippen. De staart is eerst breed en plat en wordt naar het einde fijn met een klein bolletje eraan. De schubben zijn vrij egaal met hier en daar een dikkere schub.
Van N. Ievis pilbarensis en N. Ievis occidentalis zijn er ook al albino's gekweekt.
Er zijn tevens mensen die zich vooral bezig houden met het op kleur kweken van hun dieren wat de komende jaren volgens mij wel een hele hoop "morphs" teweeg gaat brengen.

Huisvesting
Ik houd mijn trio in een terrarium van  100 (L) x 60 (B) x 40 (H) cm.Dit is een forse bak, maar ik geef ze liever deze ruimte. Een dikke zandbodem van minimum 10 cm is toch wel nodig, omdat deze dieren graag graven. Ik gebruik hier zavel (geel zand) voor omdat hiermee de gangen niet instorten, je kunt ook gewoon speelzand mengen met leem. Zorg er tevens voor dat de onderste zandlaag altijd vochtig (niet nat) is. Dit zorgt voor een goed klimaat in de holen enzo zul je niet snel problemen hebben bij het vervellen. Er zijn mensen die hun dieren in Curver boxen houden, vaak niet groter dan een schoenendoos, met een laagje zand van 2 cm. Ook die dieren doen het goed en kweken, maar het is niet mijn manier om ze te houden. Zoals gesteld graven ze graag en veel, dus geef ik ze daar graag de mogelijkheid toe.
Wat betreft inrichting kun je alle kanten uit. Ik heb stukken kurk op de bodem gelegd of ingegraven in de bodem, dit resulteert voor de dieren voldoende schuilplaatsen. Takken e.d. moet je niet echt voorzien omdat deze dieren niet veel klimmen. Verder staat er een legbakje in dat gevuld is met een mix van zavel en turf (1:1). Dit houd ik altijd vochtig. Dit maakt de zoektocht naar de eitjes een pak gemakkelijker.
Ik verlicht mijn terraria met een 2.0 tl-lamp en een spotje van 60 W. Dit zorgt voor een temperatuur van 35 °C aan de warme kant en zo'n 25 °C aan de koude kant. 's Nachts zakt de temperatuur tot kamertemperatuur. De lichtduur in de zomer en lente is bij mij dertien uur.
Vermits de dieren in de natuur een winterrust houden, is het dus ook in het terrarium nodig ze dit te geven, vooral met het oog op het kweken. Om de vrouwtjes genoeg rust te geven, is het nu de moment om de man weg te halen.
Half oktober breng je de lichtduur langzaam terug tot negen uur licht per dag, hierbij laat je tevens de temperatuur zakken (langzaam!) tot 20 °C in de dag en 15 °C 's nachts. Voeder de dieren in deze periode niet veel, ze zullen toch niet veel honger hebben. Rond februari breng je de lichtduur en temperatuur weer terug op optimaal niveau.


Foto: Guido Lurquin
Perca fluvatilis - de baars
Guido Lurquin - De Siervis Leuven
217

Sommige vijverliefhebbers zetten een baars uit in hun siervijver om dienst te doen als natuurlijke predator. De baars controleert de bevolkingsexplosie van vissen in de vijver en vergrijpt zich eerst aan zwakkere en ongezonde vissen. Een natuurlijke selectie is het resultaat. Bezint echter eer gij begint want baars is een hongerige rover die toch vrij groot wordt.
Baars, ook wel rivierbaars genoemd, behoort tot de familie van de echte baarzen, Percidae, die 126 zoetwatersoorten omvat. Baars komt van nature in heel Europa voor, met uitzondering van het zuiden, waar hij niet inheems is. Hij leeft er in allerlei stilstaand en (langzaam) stromend water tot een hoogte van 1200 m. Baars komt ook voor in brak water.
Baars is gemakkelijk te herkennen aan zijn vijf zwarte strepen en rode buik- en staartvinnen. Het lichaam wordt gecamoufleerd door streeptekeningen. Baars heeft gescheiden rugvinnen, die enkel door een huidplooi aan hun voet zijn verbonden. De eerste rugvin is erg stekelig. De kleur wisselt sterk naargelang de afkomst. Exemplaren die tussen planten leven in de buurt van de oever zijn het kleurigst. Ze zijn mooi messingglanzend tot groenachtig, met donkere dwarsbanden en geelachtige tot roodachtige vinnen. Baarzen uit helder water hebben een veel duidelijkere tekening en mooier gekleurde vinnen dan soortgenoten die in eerder troebel water leven. In troebel water vervagen de kleuren van de vis, terwijl ze er in helder water echt schitterend uitzien. De lichaamsvorm is gestrekt, bij oudere dieren hoger wordend en dan boven de ogen wat ingedrukt. De ruglijn is sterker gewelfd dan de buiklijn. De grote bek is eindstandig en met veel kleine tandjes bezet. De kieuwdeksels hebben een langere doorn, enkele nevendoorns en hebben aan de achterrand een fijne tanding. Kieuwdeksels en wangen zijn voor het grootste deel met schubben bedekt.

In de zwartgrijze vinnen boven op de rug van de baars zitten stekels. Deze stekels beschermen hem tegen vijanden. Wees dus erg voorzichtig wanneer je een baars vastpakt. Zorg ervoor de rugvin naar achteren te strijken, zodat de stekels niet in de hand prikken.


Foto: Guido Lurquin
Daglelies langs de vijverrand
Guido Lurquin - De Siervis Leuven
220

Met planten kan men de rand van de vijver wegmoffelen. Daglelies zijn hiervoor erg geschikt. Ze hebben vele voordelen, deze Hemerocallis-soorten. Hun vegetatieve periode (groene groeiperiode) is lang. Vroeg in het voorjaar ontspruiten ze al frisgroen en tot laat in de herfst blijven ze, soms zelfs in de winter.. In de zomer geven daglelies mooie bloemen - er bestaan duizenden variëteiten. Onderhoud vragen ze nauwelijks en door hun compacte groei hoeft men er weinig tussen te harken en wieden. Dit zijn allemaal voordelen die onze ouders en grootouders al wisten te waarderen. Vroeger waren ze gegeerd, toen ging het bergaf met de interesse en nu zijn ze stilaan weer in de mode aan het komen. Wat betreft de bodemgesteldheid stellen ze weinig eisen, zolang de grond maar niet volledig uitdroogt.
Daglelies verkiezen een zonnige standplaats maar doen het ook in de schaduw. In de schaduw zijn de bloemkleuren intenser. Naast de vijver doen ze het prima en weldra buigen ze hun groen over de te camoufleren folierand. Hun uitzicht - lange wortelstandige bladeren - past zeer goed bij de rest van de vijverbeplanting en lijkt erin over te lopen. Zo lijkt de vijver groter dan hij is en dat is toch ook een belangrijk pluspunt.

  BBAT-informatief 222
  VOEDSELGIDS Anemonen voederen (2)  
Top   Voedingswaarde voeder