Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 68 - 2015
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 68 – Nr. 9 - September 2015
 
ISSN 1372-6501

Foto: Sander Bauwens
Xenopus laevis
de Afrikaanse klauwkikker
Sander Bauwens - Siervis Wetteren
262

Xenopus laevis komt voor in Oost- en Zuid-Afrika, in tropische en gematigde waters zoals poelen, vijvers, grachten en plassen met veel begroeiing en zacht, lichtzuur tot neutraal water.
Een bijzonder weetje is dat deze kikker werd gebruikt bij het ontwikkelen van de zwangerschapstest voor de mens.
Mijn kikkers zitten in een aquarium van 100 cm lang, 30 cm breed en 40 cm hoog en in één van 60 cm lang, 30 cm breed en 30 cm hoog. In de kleinste bak zou ik maximaal vijf klauwkikkers houden en in de grote bak acht. De breedte of diepte van de bak moet toch minstents een 30 cm zijn, de hoogte maakt niet zoveel uit. Als een soort van regel zou je kunnen hanteren: de lengte van het aquarium (in cm) gedeeld door 12 (cm) (de gemiddelde grootte van een klauwkikker) = het aantal te houden kikkers in het aquarium.
De temperatuur van het water zal vooral afhangen van het feit of je een tropisch aquarium wilt, een onverwarmd of een koudwateraquarium. De klauwkikker op zich kan wel leven in een temperatuurbereik van 15 – 35 °C. Ikzelf houd mijn dieren in een verwarmd aquarium en houd de temperatuur rond de 24 °C. Hoe hoger de temperatuur, hoe hoger het metabolisme en dus hoe vaker je moet voederen. De temperatuur waarbij je ze houdt hangt dus af van welke planten je wilt houden en hoe vaak je wilt voederen en water verversen.
Waterwaarden zoals pH, GH en andere parameters heb ik nog nooit getest. Mijn kikkers zitten op leidingwater, maar het zal dus meer afhangen van de plantenkeuze. In het wild leven ze wel veeleer in zacht, licht zuur tot neutraal water. Dus ik raad het wel af om ze in hard water te houden (de meeste waterplanten hebben ook liever zacht, licht zuur tot neutraal water).
De verlichting zal dus ook volledig afhangen van de plantenkeuze. Let er wel op dat klauwkikkers – net zoals vissen – geen oogleden hebben en dus goed kunnen schrikken als je de lichten aanzet. Een dimmer kan hier een oplossing bieden of een goede hoeveelheid drijfplanten, waar ze ook graag tussen hangen.
Bij de inrichting moet erop gelet worden dat er genoeg schuilplaatsen zijn in de vorm van halve kokosnootschelpen, stukken kienhout, breedbladige planten, drijfplanten, stenen...
Als bodembedekking gebruik ik altijd speelzand, dit is het goedkoopst, het is fijn en zacht van structuur. Het kan dus geen verstoppingen veroorzaken en de kikkers zullen zich er niet aan beschadigen als ze over de bodem zwemmen.

 

Foto: Bernard Delsarte
Een nieuw Zuid-Amerikaans zalmpje: Hyphessobrycon paepki
Patrick Loosveldt - Wagtail Aalst
269

Enkele jaren geleden, bij de opmaak van een voordracht voor de eigen club over Zuid-Amerikaanse zalmpjes, had ik al ondervonden dat er iets niet klopte met de benamingen rond de door ons gehouden Hyphessobrycon bentosi. Bij liefhebbers die hun ruime school bentosi’s af en toe aanvullen met nieuwe exemplaren, zie je vaak dat er vreemde eenden in de bijt zitten. Dit komt doordat verschillend uitziende vissen onder dezelfde naam “bentosi” worden verkocht. Vooral de grootte van de rugvin, ook wel eens “vlag” genoemd, en het al dan niet voorkomen van een zwarte vlek in die vlag, vallen op als verschilpunten tussen de verhandelde vissen. Het internet, dat voor zo’n zaken helaas meer desinformatie dan informatie bevat, bracht enkel maar meer verwarring. Met een wetenschappelijk artikel in Vertebrate Zoology schept Axel Zarske anno 2014 eindelijk klaarheid.
In reisverhalen van aquarianen die in het immens uitgestrekte Amazone-gebied geweest zijn, lees je vaak dat populaties van eenzelfde vissoort uiterlijk verschillen naargelang de vindplaats. In uitzonderlijke gevallen gaat het zelfs om slechts een paar honderd meter afstand. Er is met andere woorden heel wat variatie in de natuur aanwezig. Met Hyphessobrycon bentosi is dat niet anders. Een aantal vispopulaties is duidelijk verwant met H. bentosi, maar vertonen toch verschillen. Deze verwante soorten, al dan niet voorzien van een wetenschappelijke naam, worden gebundeld in de bentosi-groep. Voor wie op het internet op zoek gaat: in het Engels spreekt men over “Rosy Tetra”. Het gaat dus over een groep van Zuid-Amerikaanse zalmpjes, waarbij de ene soort al wat roder gekleurd is dan de andere, met doorgaans een schoudervlek en waarbij de mannetjes een grote vlag op de rug dragen, vaak met een zwarte stip erop. Terzijde: de rode minor en aanverwante soorten, behoren dan weer tot een andere groep, de callistus-groep genoemd. De originele Hyphessobrycon bentosi is een geliefd visje dat vooral in plantenaquaria tot zijn recht komt. De soort werd oorspronkelijk beschreven door Durbin in de publicatie van Eigenmann in 1908: Bulletin of the Museum of Comparative Zoology volume 52 (6): 101. Hoe herkennen we nu die echte H. bentosi? De rugvin reikt bij H. bentosi niet tot aan de vetvin en het lichaam is olijfbruin van kleur. Als je naar de rugvin kijkt, is het onderscheid tussen mannetjes en vrouwtjes veeleer beperkt, hetgeen bij andere soorten meer uitgesproken is. Een echte H. bentosi herken je ook aan de witgekleurde vinstralen van de buikvinnen en de anaalvin.
Begin jaren 2000 dook er in de aquariumhandel een nieuwe soort uit de bentosi-groep op, waarbij de mannetjes een mooi verlengde rugvin hebben. Het is die soort die door Axel Zarske werd onderzocht en die hij de naam Hyphessobrycon paepkei gaf. De buikzijde is zilverachtig en de schubben op de rug hebben bruine randen, waardoor er een netpatroon ontstaat. Het belangrijkste visuele kenmerk is de rode vlek in de bovenste flap van de staartvin. Daaraan herken je deze soort meteen. Een ander specifiek kenmerk is de goudglanzende schoudervlek net achter de kop. De ogen zijn onderaan zilver en bovenaan rood omrand. De vrouwtjes zijn minder kleurrijk en hebben niet die typische vlag op de rug.

 

Foto: Heikow
Corydoras similis
Romain Van Lysebettens - Moerbeekse Aquariumvereniging
272

Met hun toch wel onmiskenbaar schattig uiterlijk zijn de corydorassen zeer populaire visjes. Momenteel zijn er al meer dan 180 beschreven soorten, waardoor het één van de meest soortenrijke van alle Zuid-Amerikaanse visgenera is. Het is mede door deze enorme verscheidenheid dat het Duitse tijdschrift DATZ nu ook is overgegaan tot hetzelfde systeem waar men onbeschreven Loricariidae mee identificeert (de L-methode). Deze waardevolle methode wordt nu ook wereldwijd gebruikt door de aquariaan.
Het is écht de moeite waard om een groep Corydoras te observeren. In deze uitgave van Aquariumwereld laat ik je kennis maken met Corydoras similis.
Al bij aanvang wil ik er je attent op maken dat een aantal andere soorten kunnen worden verward met C. similis. Op het eerste zicht zijn dat C. caudimaculatus, C. guapore, C. ourastigma en C. spectabilis
Bij nader onderzoek kunnen ze toch vrij gemakkelijk worden onderscheiden, want:
Corydoras caudimaculatus is gelijk in vorm, maar heeft een veel donkerder en beter gedefinieerde vlek op de staartwortel;
Corydoras guapore vertoont wel een vergelijkbaar patroon, maar heeft een andere vorm van lichaam dan C. similis. Het is een meer afgeronde verschijning en hij neigt ook veel minder tijd te spenderen op de bodem van het aquarium dan C. similis;
Corydoras ourastigma is de enige soort met een duidelijk lange snuit; Corydoras spectabilis is een relatief nieuwe toevoeging aan de hobby, echter groter van omvang (7 cm), en heeft een patroon van kleine vlekken over het hele lichaam.
Corydoras similis zal zeker gedijen in een aquarium dat een Amazonebiotoop nabootst. Dit is te verwezenlijken door rivierzand als bodemsubstraat te gebruiken. Voeg er een paar kienhouttakken bij.  Een handvol gedroogde bladeren, bv. Catappabladeren (zie Aquariumwereld jg. 67/2014: 298) (beuk kan worden gebruikt, eikenblad is ook geschikt), zou het natuurlijke milieu zeker ten goede komen. Planten zijn niet nodig en komen in deze waters maar sporadisch voor. Na een tijdje zal het water, door het hout én de bladeren, de kleur aannemen van slappe thee wat het water in hun leefgebied nog beter zal gaan benaderen.
Wees echter voorzichtig met bladeren: verwijder tijdig de oude om ze te vervangen door nieuwe, want rotte bladeren vervuilen snel het water!
Een goed onderhouden aquarium is essentieel bij deze soort. Ze zijn heel gevoelig voor verslechterende waterkwaliteit. Gebruik daarom ook nooit bodemfilters. Het bodemsubstraat moet proper worden gehouden. Bij een slechte en vuile bodem kunnen deze prachtige dieren zelfs hun baarddraden verliezen. Gebruik niet te veel licht.

 

Foto: Adriaan Briene
De eiwitafschuimer
Adriaan Briene
278

De eiwitafschuimer is bij de zeeaquarianen zeker geen onbekend apparaat. Integendeel, het behoort tot hun basisuitrusting. We komen de eiwitafschuimer ook wel eens tegen bij koi-vijvers en bij sterk bezette zoetwateraquaria. Het wordt tijd de afschuimer (voor zoet en zout) eens nader te bekijken.
In onze aquaria kennen we verschillende filters.
Mechanische filters: bv. watten zeeft de fijne vuildeeltjes uit het water. Bij het uitspoelen of verversen van de watten halen we dan de opgevangen afvalstoffen uit het water.
Chemische filters: harsen, maar ook bv. speciale gesteentes zoals zeoliet, binden bepaalde stoffen aan hun oppervlak. Hierdoor worden stoffen op een chemische wijze aan het filteroppervlak gebonden.
Biologische filters: deze maken gebruik van bacteriën die schadelijke stoffen omzetten naar minder schadelijke stoffen (bv. het omzetten van ammoniak naar nitraat: het nitrificatie proces).
Hoe moeten we nu een eiwitafschuimer eigenlijk beschouwen?
Een biologisch filter is het zeker niet. Een soort veredeld mechanisch filter dan? Nee,, een puur mechanisch filter is het ook niet. Geen zeefprocessen, sedimentatie of zo te bekennen, hoewel... (zie ook de algemene pagina over filtering).
Je zou een eiwitafschuimer concreet als een combinatie van een mechanisch en een chemisch filter kunnen beschouwen. Mechanisch opgewekte luchtbellen binden door botsingen (mechanisch) en door ladings- en potentiaalverschillen (chemisch) de verschillende verontreinigingen.

Het basisprincipe van de afschuimer
Als je langs het strand loopt, dan heb je vast al wel van die grote witte of witgrijze schuimvlokken op het strand zien liggen. Vooral na een storm of harde wind zie je veel schuim liggen. Dit schuim ontstaat door een intensieve menging van water en lucht. Die menging van lucht en water aan het strand is een mooi voorbeeld van het afschuimprincipe in de natuur. In een eiwitafschuimer gebeurt hetzelfde. Niets anders dan het mengen van water en lucht zodat schuim ontstaat.
Als we eenvoudig water en lucht door elkaar “klutsen”, dan lukt het ons niet om schuim te verkrijgen! Er is dus blijkbaar nog iets meer nodig dan enkel water en lucht. Het antwoord moeten we zoeken aan het oppervlak tussen water en lucht.


Foto: Heikow
Schorpioenen in het terrarium
Erik Vansteenkiste - Aquatropica Kortrijk
286

Naast de vogelspinnen zijn schorpioenen van groot belang voor het terrarium. Ze zijn verspreid over alle delen van de wereld.
Als gevolg van hun verstoken levenswijze zijn hun zes of acht ogen uitgesproken klein en laten slechts een onderscheid toe tussen licht en donker en het waarnemen van bewegingen in hun onmiddellijke omgeving.
Het belangrijkste zintuig bevindt zich in het tastorgaan, in het bijzonder in de met scharen bewapende “maxilipalpen”, maar ook in de looppoten, aan de kammen op de buikzijde en de “post-abdomen” of staart.
De luchtstroom die het prooidier teweeg brengt, wordt gedetecteerd door bekerharen. Deze “cheliceren” of “kleine tangetjes” zijn voorzien van kleine scharen. Sommige holbewonende soorten zijn blind.
Mannelijke exemplaren onderscheiden zich omdat ze bredere scharen hebben en een langere staart.
Sommige soorten kunnen, zoals vogelspinnen, geluiden voortbrengen.
Wanneer mannetjes de vrouwtjes het hof maken, duwen ze met de scharen en de cheliceren de vrouwtjes heen en terug, waarbij iedere soort zowat haar eigen bijzonderheid heeft: dansen, paraderen en pronken met de vrouwtjes “hand in hand” door middel van kruiselings over elkaar liggende maxilipalpen en het omstrengelen van de “staart” (pedipalpen zijn tastpoten).
Daarna zet het mannetje een “spermatofoor” af: een gecompliceerd gebouwd pakje. In het bovenste deel ervan bevinden zich de eigenlijke geslachtsproducten. Het vrouwtje plaatst zich boven het pakje en grijpt het vast met haar buikkammen, waarna het naar de geslachtsopening gebracht wordt.
De draagtijd duurt vijf tot zes maanden. Schorpioenen zijn levendbarend en de vrouwtjes doen aan broedzorg. Ze kunnen tot 100 jongen met zich meedragen op het “opisthosoma” of abdomen (achterlijf) en dit gedurende de eerste levenstijd.
Bij veel soorten nemen de jongen deel aan de maaltijd van de moeder.
In gevangenschap kan men soms bemerken dat de moeders jongen van de rug plukken en dit als prooidier behandelen (waarschijnlijk uit voedselgebrek).
Schorpioenen maken vijf tot acht vervellingen door, waarvan de eerste plaats vindt op de rug van de moeder.
De dieren worden geslachtsrijp op een ouderdom van één tot zeven jaar.
Twee maal in het jaar kunnen de vrouwtjes jongen krijgen met een verkorte draagtijd. Veel soorten kunnen tot tien jaar oud worden in gevangenschap.
Alle schorpioenen grijpen in de natuur hun voedseldieren vast tijdens de jacht. In het terrarium kunnen we de dieren wennen aan dode prooidieren (insecten) en we kunnen ze zelfs rauw vlees voederen.
Veel soorten zijn in staat een lange vastenkuur te doorstaan en kunnen tot twee jaar in leven blijven zonder voedsel.
Een hongerige schorpioen herkent men door dat hij met naar voor gerichte en geopende maxilipalpenscharen rondloopt.
Het post-abdomen wordt, vooral bij de soorten die in holen wonen, omhoog gericht, waarbij de gifstekel tegen het voorlaatste lid aanleunt. De soorten welke tijdens de dag onder stenen of schors rusten, dragen hun post-abdomen zijdelinks gericht. Als het dier dan tegen iets eetbaars aanstoot, wordt dit bliksemsnel gegrepen met de palpenscharen of worden beide scharen gelijktijdig ingezet.
Schorpioenen zijn in staat voor- en achterwaarts te lopen en eveneens zijwaarts.

  De redactie bezocht... Maroni Maaseik viert 50-jarig jubileum 290

Foto: Freddy Haerens
In memoriam...
Erik Vansteenkiste (25 mei 1936 - 05 juni 2015)
292

Vrijdag 05 juni vernamen wij het onverwachte overlijden van onze vriend en redactiemedewerker Erik Vansteenkiste. Erik is gestorven in zijn slaap. Op zaterdag hadden we redactieraad en Erik was er steeds op gebrand om mee te rijden naar Klein-Willebroek. De weg er naar toe was plots stil en eenzaam. We zaten er die ochtend allemaal verslagen bij, we waren een stukje van onze eenheid kwijt.
Toen we in de redactie, onder impuls van Patrick Loosveldt, het idee opvatten om de bestaande “Voedselatlas” te actualiseren en uit te breiden onder de noemer “Voedselgids”, zochten we iemand die thuis was in deze materie. We spraken hiervoor Erik Vansteenkiste aan, wetende dat hij al jaren allerlei voedseldieren op grote schaal kweekte. Erik was meteen enthousiast om zijn kennis via Aquariumwereld te kunnen uitdragen. In 2006 kwam hij in de redactie met de bedoeling de “Voedselgids” te helpen uitwerken.
Erik was iemand die sinds jaar en dag met de liefhebberij bezig was en die zich steeds, in alles wat hij ondernam, vastbeet tot hij er alle hoekjes en kantjes van kende. Van internet was er absoluut nog geen sprake, maar Erik aarzelde niet om boeken aan te schaffen, zowel in binnen- als in buitenland, auteurs en universiteiten aan te schrijven, tot hij alles gevonden had wat hij wilde weten. Zo werd hij door doorgedreven zelfstudie een specialist in vele aspecten van onze hobby.
Persoonlijk maakte ik al in 1972, beroepshalve, kennis met Erik. Ik werkte als projectleider bij een installatiebedrijf van sanitair en verwarming, en Erik werkte als offertist bij de Ets. Van Marcke, marktleider op dat gebied en onze grootste leverancier. We hadden zo bijna dagelijks contact met elkaar en Erik werkte honderden, tot in de puntjes gedetailleerde, offertes voor ons uit. In 1973 installeerde ik mijn eerste aquarium en werd al vlug lid van Minor Menen. Toen ik hier op een dag met Erik over sprak, zei hij dat hij al vele jaren een aquarium had en lid was van Aquatropica Kortrijk. Zo hadden we, naast ons beroep, nog een andere gemeenschappelijke interesse.
Het logo van de firma Van Marcke is een zeepaardje en toen de hoofdzetel verhuisde naar de gebouwen van de firma De Coene en Erik een ruimer bureau kreeg, vatte hij het plan op om er een zeeaquarium op te zetten met zeepaardjes en te pogen ermee te kweken. Veel informatie was er toen hierover nog niet te vinden, maar Erik experimenteerde tot het hem lukte.
Bij hem thuis, Erik is zijn ganse leven een verstokte vrijgezel gebleven en woonde bij zijn ouders, bouwde hij een ingebouwde kast in de living om tot zeeaquarium en experimenteerde hierin verder, tot… er een ruit brak en de living onderliep. Maar, dat was niet zijn enige aquarium. In de serres naast het ouderlijk huis, stond het er vol van en overal zat er wel iets speciaals in (22.00 liter in totaal). Enkele waren al terrarium geworden en ze zouden het allemaal worden.
Het aquarium in de living werd niet hersteld, maar Erik zette er een glazen deur in en tuinde het aquarium om tot een terrarium met gekko’s.
Wie terrarium zegt, weet dat de grootste moeilijkheid is om voor voldoende voedsel te zorgen. In die tijd kon men niet zomaar naar de winkel gaan en alles aankopen, men was verplicht om zelf voedseldieren te kweken.
En Erik zou Erik niet zijn als hij zich ook hier niet in vastbeet. Al vlug werd het kweken van voedseldieren zijn hoofdactiviteit. Naast fruitvliegen, waar we geregeld een entportie van kregen, bulkten de serres uit van allerlei experimenten. Er was een heus labo voor het kweken van rozenkevers, een kamer werd omgebouwd tot een steriele ruimte waar honderden muisjes en ratjes werden gekweekt. Er kwamen kweekterraria voor sprinkhanen en dan weer bakken om gras te kweken voor die springers. Iedereen die serieus met zijn hobby bezig was, vond de weg naar Erik, want hij had wat je nodig had. Met de opbrengst van wat hij kon verkopen, kon hij nauwelijks de gas- en elektriciteitsrekening betalen.
Wanneer iets hem niet lukte, of wanneer er zich een bepaalde ziekte bij zijn dieren voordeed, dan ging Erik intensief op zoek naar de oorzaak of het middel om de ziekte te voorkomen. Zo werd hij ook een halve dierenarts, maar een met een wel heel bijzondere specialiteit.
Erik maakte er ook een punt van om de kennis, die hij zich had eigen gemaakt, te delen met anderen. Binnen Aquatropica leidde hij de terrariumafdeling die al vlug een enorme bloei kende. Voor iedere vergadering schreef hij een heuse cursus uit, was nooit verlegen bij de mensen thuis te gaan om een probleem te bekijken en hulp te bieden.
Toen zijn gezondheid het wat liet afweten, hartproblemen waren familiaal bepaald, was hij genoodzaakt zijn uit de voegen gebarsten hobby op een lager pitje te draaien en later zelfs volledig stop te zetten.
Hij verhuisde naar een appartement in hartje Kortrijk en, hoe kon het ook anders, al vlug stonden daar overal terraria met wandelende takken. Hij had er 10-tallen soorten van. Voor de rest stond het appartement vol met orchideeën, zijn andere passie.
Erik was dus de meest geschikte man om het over voedseldieren te hebben. Met veel enthousiasme toog hij aan het schrijven en schreef voor 80% de ganse voedselgids vol. Hij maakt er zijn “levenswerk” van en we mogen gerust zeggen dat het uitgegroeid is tot een waar standaardwerk. Gelukkig kon Erik eind 2014 dit werk voltooien en verschijnen zijn laatste bijdragen in de komende maanden, waardoor de “Voedselgids” eind dit jaar zijn verloop kent.
Zijn droom was om de Voedselgids als “zijn” boek ook werkelijk uitgegeven te zien. Helaas kan dit om allerlei redenen niet bewaarheid worden, maar dit oeuvre, waaraan 10 jaar intensief is gewerkt, zal online ter beschikking gesteld worden van alle leden van de BBAT en we zijn ervan overtuigd dat zijn kennis op deze wijze verder zal worden doorgegeven en bijdragen tot een nog betere beleving van de liefhebberij.
Bedankt Erik voor alles wat je voor de liefhebberij gedaan hebt, bedankt dat we met jou mochten samenwerken. Je blijft voor altijd in onze gedachten!

Namens het redactieteam van Aquariumwereld en de ganse BBAT,
Freddy Haerens, hoofdredacteur.

  BBAT-informatief 294
  VOEDSELGIDS Platwormen  
Top