Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 68 - 2015
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 68 – Nr. 10 - Oktober 2015
 
ISSN 1372-6501

Foto: Rob D'heu
Betta channoides, de slangenkop betta
Rob D'heu - Aquatom vzw
298

Iedereen kent ongetwijfeld Betta splendens, maar zeer weinig mensen kennen nog andere Betta-soorten. Dit terwijl er binnen deze familie zeer veel en ongelofelijk prachtige vissen bestaan. Het probleem echter is dat deze soorten vrijwel nooit in de handel aangeboden worden en je ze dus vrijwel nooit in een winkel zal zien zitten. Nochtans kun je ze wel vinden als je goed zoekt. Een groot nadeel is dat ze vaak best prijzig zijn, bij sommige soorten betaal je gemakkelijk 60,00 euro of meer voor een koppel. Vooral in Duitsland worden ze geregeld gehouden en gekweekt en ook op de site van Ruinemans vind je af en toe enkele van deze pareltjes terug. Langs deze weg ben ik ook in het bezit gekomen van Betta channoides.
Ik ben ze eigenlijk per toeval tegengekomen. Ik kijk geregeld eens rond op het internet of er geen nieuwe soorten van vissen ontdekt of geïmporteerd zijn. Zo kwam ik op de site van Ruinemans terecht en zag ik deze vissen staan. Ze stonden toen aangeboden als Betta sp. ‘Sebuku river’. Na wat opzoekwerk ben ik er toen achter gekomen dat het Betta channoides was. Puur uit nieuwsgierigheid heb ik deze soort eens ingetikt op Google en ik was bij het zien van de eerste foto onmiddellijk verkocht. Jammer genoeg is er over deze soort niet zo heel veel informatie beschikbaar (zeker niet in het Nederlands) en daar wil ik met dit artikel wat verandering in brengen.
Betta channoides is afkomstig uit Borneo en heeft meerdere lokaliteiten. Het is dus van belang, als je ze koopt, de lokaliteit goed te noteren om een zuivere bloedlijn te garanderen. In de natuur komen ze vooral voor in kleine ondiepe, schaduwrijke riviertjes met bruin, zuur water. Ze worden vooral gevonden tussen bladafval en wortels van planten.
Wat betreft kleur zijn deze vissen echt enorm mooi. Het lichaam van de man is mooi donker rood met op de kieuwen en de vinranden een zwarte boord afgezoomd met een fijn wit randje. De vrouwen zijn minder mooi van kleur en zijn veeleer bruin. Ze hebben tevens een vrij aparte kop die sterk gelijkt op de kop van een slangenkopvis (Chana sp.) waardoor ze dus hun Nederlandse naam van “slangenkop betta” gekregen hebben. Het zijn overigens ook vrij nieuwsgierige vissen die je vaak zullen staan aankijken.
Het zijn met hun 4 à 5 cm geen grote vissen en kunnen dus in een relatief klein aquarium gehouden worden. Ik heb ze in een aquarium van 45 x 50 x 45 cm zitten. Het leuke van deze soort is dat je ze ook in groep kunt houden. De mannen onderling maken wel een territorium en er is zeker sprake van een rangorde, maar ze maken elkaar niet af zoals sommige andere Betta-soorten wel doen. Ik heb vier mannen en één vrouw samen zitten en dat gaat perfect, dit is zelfs beter voor de kweek.


 

Foto: Wilfried Van der Elst
Neolamprologus brichardi 'Kiku'
Wilfried Van der Elst - Kardinaal Kapellen
306

Ik kan het niet laten, toch nog maar eens een prinsesje uit het Tanganyikameer voor te stellen.
Nog al te vaak hoor ik bij elke vis uit het Neolamprologus brichardi complex, de naam Prinses van Burundi vallen. Ondertussen ben ik dat echt beu geworden. Zo komt de prinses, waar ik het hier over heb, helemaal niet uit Burundi maar uit Congo.
Dit is echter een gevaarlijk gebied om vissen te verzamelen. Er lopen wel wat rebellen en kindsoldaten rond, en het is een beetje knullig als je je enkel maar kunt verdedigen met een schepnetje. Toch zijn er al wel wat liefhebbers in geslaagd om van ginds vissen mee te brengen.
En natuurlijk komen er daar ook vissen voor uit het N. brichardi complex. Voor de kust van Congo zitten er trouwens verschillende, zoals N. marunguensis, N. gracilis, N. olivaceous en natuurlijk ook deze N. brichardi die voorkomt in de buurt van het plaatsje “Kiku”.
Op het eerste zicht en bij de jonge dieren zien ze eruit als de ons bekende “Prinses van Burundi”, maar toch is deze al zeker donkerder. Als ze opgroeien wordt het duidelijker.
Het grote verschil zit in de filamenten van de vinnen. Daar die bij alle andere brichardi’s wit tot wit-blauwig zijn, is dat bij deze variant van Kiku, geel. Tenminste bij de grotere vissen. De jongen kun je praktisch niet onderscheiden van de andere brichardi’s.
Als prinsesjeszot viel mij dat onmiddellijk op. Ze waren ook snel te verkrijgen daar ze heel gemakkelijk koppelen en al snel jongen hebben.
Die nesten kunnen gemakkelijk 70 à 90 jongen tellen. Alle twee à drie weken komt er dan nog eens een nest bij. Eens er een bepaalde verzadiging van jongen optreedt, stopt het kweken of verdwijnen de laatste jongen.
Ik haal er daarom geen jongen af. Enkel als het aquarium gevuld is met te veel grotere dieren, haal ik het leeg. Een zestal gaat terug in het aquarium en zo gaat dat dan verder.
Het jammere is dat bij soorten die goed kweken de prijs snel zakt. Synchroon met de prijs, zakt meestal ook de interesse. Op een gegeven moment is er dus geen vraag meer en verdwijnen ze uit de hobby.
Ik kwam ze nog eens tegen in een speciaalzaak in Duitsland en besloot er toch wat mee te nemen naar huis. Als ik cichliden aanschaf, koop ik er telkens een zestal. Als het budget het toelaat natuurlijk. Dat is bij deze variant meestal geen probleem.
Thuisgekomen kregen ze een aquarium van 150 x 40 x 40 cm, dat eenvoudig was ingericht met stenen. Al snel werden de eerste stellen gevormd, dat gaat bij deze variant echt bijna altijd goed. Dat kan niet van elke “prinses” gezegd worden.
Nu zijn ze echt wel prachtig. De filamenten zijn ondertussen al mooi verlengd en steken goed af tegen de donkere achterwand. Al snel “zweven” de eerste jongen rond de nestplaats.
Deze worden elke dag gevoederd met Artemia-naupliën en groeien goed op. Het verdient wel de aanbeveling om regelmatig (om de twee weken of, indien het een kleiner aquarium is, wekelijks) water te verversen. Het prettige van de tanganyika’s is dat er uit onze kraan Tanganyikawater komt. Ze houden echt van dat harde leidingwater.
Bij veel prinsessen is dat waterverversen aanleiding tot een fikse ruzie, maar bij de variant van “Kiku” heb ik daar nooit veel van gemerkt.
Ik vind het nog altijd raar dat deze prinses zo afwijkt van de andere brichardi’s door deze gele filamenten. Ik kan echt geen reden bedenken die hier een evolutionair voordeel biedt.

 

Foto: Adriaan Briene
De eiwitafschuimer - deel 2
Adriaan Briene
310

In deel 1 kon je lezen dat een afschuimer in hoofdzaak uit drie delen bestaat:

  • de "bellengenerator" of bellenblazer, het deel waar fijne luchtbelletjes worden gemaakt;
  • het contactdeel, waar water en lucht intensief met elkaar in aanraking komen;
  • het afschuimdeel, waar het ontstane schuim gescheiden wordt van het water.

We kijken eerst eens naar de "bellenblazer".
Het hart van elke eiwitafschuimer is de "bellenblazer". Daartoe zijn al heel wat originele apparaten en systemen ontworpen. De bellenblazer moet dus bellen zien te maken van 1-2 mm grootte, en liefst zoveel mogelijk! Theoretisch (ik bespaar jullie de berekening) krijg je maximaal 52% bellen in het water. Hoe groot of hoe klein je de bellen ook maakt, meer lukt je niet. In de praktijk bestaat ca. 15-20% van het volume van het water/lucht mengsel in een eiwitafschuimer uit lucht. De standaardwaarde van de calculator staat daarom ook op 16%.
De belangrijkste systemen om bellen in het water te krijgen zijn een:

  • luchtpomp met een uitstroomsteen;
  • waterpomp met een venturi;
  • waterpomp met een injector;
  • waterpomp met een naaldrad.

Hoe al die principes werken om lucht fijn verdeeld in het water te krijgen, komen we nog op. Wat doet al die lucht die we inbrengen met ons aquarium? Die fijne luchtbelletjes nemen de afvalstoffen mee uit ons aquarium, dat is natuurlijk ook de bedoeling, maar er gebeurt meer.
Door de fijne luchtbellen wordt zuurstof ingebracht. Er ontstaat een zuurstofevenwicht met de atmosfeer. Bij 24 °C is normaal zo'n 7 mg/l zuurstof aanwezig. Is er minder aanwezig, dan zal de afschuimer helpen meer zuurstof in te brengen.
Ik ben een jaar geleden thuis eens aan het meten geweest met een CO2-meter van het werk. Dit was het resultaat: een waarde van 792 ppm aan CO2, terwijl je buiten zo'n 360 – 400 ppm meet.
Dat betekent, bij een goede afschuiming en evenwicht van het aquarium met de atmosfeer, sowieso een 1,2 mg/l CO2 in het water. Bij een slechte afschuiming zal dat nog meer zijn.
Wat doet dat met de pH? Wel, bij een KH = 6 °dH vinden we (volgens de CO2 calculator) en 0,5 mg/l CO2 een pH van 8,15 (op de "zeewater"stand). Bij een KH = 6 °dH en 1,2 mg/l vinden we een pH van 7,76.
Dat scheelt toch behoorlijk. Nogmaals, let dus op waar je de lucht weghaalt!

 

Foto: BBAT-archief
Rieppeleon brevicaudatus
Erik Vansteenkiste - Aquatropica Kortrijk
318

De familie der Chamaeleonidae telt twee onderfamilies.

1. De Chamaeleoninae of echte kameleons met 6 genera:
- Bradypodion of dwergkameleons (voor gevorderde liefhebbers);
- Calumma (voor gevorderde liefhebbers en specialisten);
- Chamaeleo of kameleons (voor gevorderde liefhebbers en specialisten);
- Furcifer met 20 soorten (voor beginners en gevorderden);
- Kinyongia met 9 soorten;
- Nadzikambia met 1 soort, nl. N. mlanjensis.

2. De Brookesiinae of stompstaart kameleons met 3 genera:
            - Brookesia (voor gevorderden en specialisten);
            - Rampholeon of Afrikaanse bladkameleons (voor gevorderden) met 14 soorten;
            - Rieppeleon of Afrikaanse bladkameleons (voor gevorderden) met 3 soorten.

Het genus Rieppeleon werd pas in 2004 beschreven in “A phylogenetic review of the African leaf chameleons: genus Rhampholeon (Chamaeleonidae): the role of vicariance and climate change in speciation” door Matthee, Tilbury en Townsend, Proceedings of the Royal Society B (Biological Sciences), vol. 271, no. 1551.
Rieppeleon brevicaudatus behoorde voordien tot Rhampholeon.

Verspreiding
Oost-Afrika, in Tanzania, in de Usambara- & Ulunguru-bergen.

Beschrijving
Het achterhoofd van deze reptielen lijkt alsof het samengedrukt is. Daardoor ontstaan twee plooien die in de middellijn een scherpe hoek vormen. Aan de keel bevinden zich enkele kegelschubben en op de onderarmen zitten twee stekelschubben. De schubben op het lichaam bestaan uit grote, ongelijkvormige plaatjes. Op de zijkanten bevinden zich donkere lengtestrepen.
De dieren vertonen, zoals alle Afrikaanse bladkameleons, een bruine kleur in verschillende trappen.
Het lichaam lijkt op een blad. Zowel mannetjes als vrouwtjes bereiken een zelfde lengte van 95 mm en mogen dus de naam dragen van een “kleinere kameleon”. Ook de staart is bijzonder, omdat hij opvallend kort is.

Verzorging en kweek
Barbour & Loveridge hebben in 1928 onderzoek gedaan in de natuurlijke biotoop van het dier. Ze stelden vast dat in september en oktober vier tot zes eieren ingegraven werden. De eieren hadden als afmetingen 10 x 6 mm. Dezelfde onderzoekers onderzochten ook de maaginhoud van enkele dieren en vonden er resten van spinnen, krekels en kleine grassprinkhanen.
Een vrouwelijk exemplaar werd gedurende anderhalf jaar in een terrarium gehouden. De totale lengte (kop, romp en staart) bedroeg 60 mm, waarvan 10 mm staart. Het gewicht bedroeg 5 g.
De dagtemperatuur werd op 25 °C gehouden, met een maximale nachttemperatuur van 17 °C.
De afmetingen van het terrarium bedroegen 30 (L) x 30 (B) x 30 (H) cm. De verlichting bestond uit een buislamp van 11 W, samen met een spot-opwarmlamp van 25 W.
Het voedsel bestond uit Drosophila (fruitvlieg), kleine krekeltjes en kamervlieg.
Dagelijks werden de planten besproeid met een plantenspuit met lauw water. De druppels werden door de dieren van de bladeren gelikt.
Bij het aanraken van het dier werd soms een lichte vibratie waargenomen. Dit gebeurt vooral wanneer het dier een langere tijd vastgehouden wordt, of als het dier plots losgelaten wordt, of zich bedreigd voelt.
Op 21/11/1986 werd een partner bij het vrouwtje gezet. Het dier had een totale lengte van 75 mm, een staartlengte van 15 mm en een gewicht van 10 g.
Beide dieren werden op een hand tegenover elkaar gezet. Het vrouwtje vibreerde en wende zich af. Het mannetje liet zich niet beïnvloeden en paarde met het vrouwtje gedurende vijf minuten, waarna de dieren hun gang gingen.
Op 16/03/1987 stierf het vrouwtje aan legnood. Er konden twee eieren gered worden van 12 x 6 mm, die in een broedtoestel geplaatst werden. Normaal worden bij de soort vier tot zes eieren afgezet
Hoewel er in het begin volumetoename was, wat een gunstig verloop aantoonde, hebben beide eieren geen jongen opgebracht.


Foto: Dr. Grald Bassleer
Witte vlekken zijn een sypmtoom, niet de ziekte.
Vind de échte oorzaak!
Dr. Gerald Bassleer
322

In mijn dagelijkse werk als vissendokter, krijg ik vaak verzoeken tot onmiddellijke hulp om vissen die witte vlekken vertonen te genezen!
Voor elke persoon, heeft een "witte vlek" een andere betekenis omdat we allemaal kijken met andere ogen, met verschillende observaties en interpretaties van de wereld om ons heen. Wij worden met hetzelfde probleem geconfronteerd in ons dagelijks werk met zieke vissen. Het maken van een observatie met ons "blote oog" kan ons misleiden!
Bijvoorbeeld, veel mensen vertellen me dat "hun vissen sterven van de schimmel". Voor hen wordt een wit vlak veroorzaakt door een schimmel! Of sommigen zeggen: "Het lichaam van mijn vis heeft necrose, dus het moet een bacteriële infectie zijn!"
Voor wat meer voorbeelden, zie hieronder.

  1. De goudvis met een witachtig, slijmerig uiterlijk (afb. 1). Dit wordt veroorzaakt door een plotselinge daling van de pH door gebrek aan water verversen! Een eenvoudige watertest kan ons aantonen welke de remedie is: een goede waterverversing en een controle van het filtersysteem!
  2. Het hoofd van deze Julidochromis-cichliden heeft een witachtige vlek (afb. 2). Een controle met de microscoop kan ons leren dat het echte schimmel (Saprolegnia) is, ontstaan na een blessure tijdens het transport (fysieke stress).
  3. Betta splendens vrouw of Xiphophorus helleri met witte necrotische vlekken (fig. 3 en 4). Dit is een veel voorkomend probleem bij tropische siervissen! Een snelle controle met de microscoop kan ons helpen om een kolonie Columnaris bacteriën (figuur 5 en 6) op te sporen. Dit kan uitsluitend met een goed antibioticum worden genezen.
  4. De neon tetra, Paracheirodon innesi, vertoont wel vaker witte vlekken, maar deze worden veroorzaakt door twee verschillende ziekten. De “échte neon ziekte” (fig. 7 en 8) wordt veroorzaakt door Sporozoa (Plistophora) parasieten in het spierweefsel (afb. 9) (er is geen remedie voor, maar de kweker dient te worden geïnformeerd dat hij de nodige preventieve maatregelen moet nemen). De zogenaamde “valse neon ziekte” (figuur 10) wordt veroorzaakt door de Columnaris-bacteriën en kan worden genezen als een geschikt antibioticum (en waterverversing) tijdig wordt toegepast (binnen de eerste uren en dagen van de uitbraak).
  5. Een guppy met een witte kop (en de mond) (afb. 11). Dit ziet eruit als een bacteriële infectie (Columnaris), maar uit een microscopische controle blijkt dat de werkelijke oorzaak de parasiet Tetrahymena (afb. 12) is, die de huid beschadigt en necrotisch weefsel veroorzaakt.


Tot slot, zoals uitgelegd in onze vorige teksten, zijn visziekten niet gemaakt voor menselijke ogen. In ons dagelijks werk met vissen, hopen we allemaal om een zieke vis in onze aquaria of kweekaquaria vroegtijdig op te sporen. We zien een aantal verschijnselen (symptomen) van vissen die lijken te lijden aan een "ziekte", maar we kunnen niet zien wat er werkelijk aan de hand is, tenzij we mits een watertest of een snelle microscopische observatie de oorzaak kunnen vaststellen.
Veel liefhebbers-kwekers zouden zich deze onderzoeksmethoden met gebruik van een microscoop, moeten eigen maken. Het vereist slechts een kleine inspanning en kan veel ellende voorkomen.

De redactie bezocht... de aquariumtentoonstelling 2015 van Rosaceus Wilrijk 324
De redactie bezocht... de aquariumtentoonstelling 2015 van Blauwe Alg Kessel 326
Historische Rio Negro GI-status voor "piabas"
John Dawes
vertaling: Freddy Haerens
328

Geografische Aanduiding (GI - Geographic Indication) voor siervissen uit de Rio Negro is nu een realiteit. In de woorden van Prof. Ning Labbish Chao, de oprichter van Project Piaba: "Dit is nu officieel! De eerste levende dieren die het label “Geographic Indication” gekregen hebben en meteen het eerste “GI” in Noord-Brazilië. Ik denk dat Project Piaba een verschil heeft gemaakt. Een gelukkig pensioen voor mij! "Ja, Labbish, een gelukkig pensioen voor jou na zoveel jaren van inzet voor de siervissen (piabas) en siervissen-verzamelaars (piabeiros) van de Rio Negro.
Wat betekent het toekennen van een GI-status op Rio Negro vissen in de praktijk? Alvorens deze vraag te beantwoorden, is het nuttig om kort te bekijken wat GI eigenlijk betekent.
Als een product ​​de GI-status draagt, fungeert deze als een vorm van certificering of garantie dat het over bepaalde kwaliteiten beschikt. Bijvoorbeeld, in mei 2007 kregen de wijnen uit Napa Valley in Californië, de GI-geografische aanduiding, "als een beschermde naam in de Europese Unie". Dit was de eerste keer dat een Amerikaanse wijnproducerende regio als zodanig werd erkend. Als gevolg hiervan zijn de wijnen van Napa Valley beschermd tegen alle merken die zouden proberen het GI-label te misbruiken voor wijnen die niet werden bereid uit druiven geteeld in de Napa Valley. Daarom, als een fles wijn ​​de Napa Valley GI draagt, betekent dit dat de wijn, in die fles, daadwerkelijk werd geproduceerd van druiven geteeld in de Napa Valley en bijgevolg de kenmerken draagt die inherent zijn aan deze druiven.
Hetzelfde geldt voor tal van andere bekende wijnen zoals de Spaanse Rioja, de Franse Champagne, Jerez sherry, of voor een ​​oneindigheid van “meer solide” producten, bv. kazen, zoals Cheddar ... de lijst is bijna oneindig.
Dus, de GI-status brengt met zich bepaalde commerciële voordelen mee als het gaat om kwaliteit, reputatie en kenmerken. In feite is dit, binnen Europa, zo belangrijk geacht dat er sinds 1992 meerdere strenge wetten van kracht zijn geweest om GI-producten te beschermen tegen vervalsing en verkeerde voorstelling van zaken.
Met betrekking tot Amazone vissen, werden de principes achter GI al sinds 1999 gelanceerd (tenminste, dit was toen ik voor het eerst met het concept in contact kwam op een conferentie in St. Louis, Missouri). Sindsdien is het onderwerp al herhaaldelijk ter sprake gekomen op conferenties, in publicaties en debatten, maar het is pas onlangs dat tekenen van echte vooruitgang zijn vastgesteld.
Op 9 september 2014, maakte het INPI (Nationaal Instituut voor de industriële eigendom van Brazilië) de historische aankondiging dat het de GI "Rio Negro" had erkend als label voor siervissen uit de gemeenten Barcelos en Santa Isabel do Rio Negro ... de eerste keer ooit dat deze status op levende organismen werd toegekend.
Een aantal belangrijke factoren heeft bijgedragen aan deze gedenkwaardige beslissing. Zo hebben studies, uitgevoerd door Project Piaba, gedurende vele jaren herhaaldelijk aangetoond dat siervissen vangen in de Rio Negro niet enkel duurzaam is, maar ook het regenwoud beschermt. Mocht deze visserij verdwijnen, dan zou de lokale bevolking haar toevlucht moeten zoeken in andere methoden voor het veilig stellen van hun bestaansmiddelen, en al deze middelen – zoals boskap voor de landbouw of veeteelt – hebben een rechtstreekse, negatieve invloed op het regenwoud.
Verder is de siervisvangst goed voor ongeveer 60% van het inkomen in de regio en vormt het levensonderhoud van meer dan 1000 gezinnen.
In totaal genereert de industrie zowat 4 à 5 miljoen $ per jaar voor de lokale economie. Het wordt ook uitgevoerd in overeenstemming met duurzame praktijken en wordt gereguleerd door IBAMA, het Braziliaanse Instituut voor Milieu en hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen, evenals het Braziliaanse ministerie van Milieu.

  BBAT-informatief 331
  VOEDSELGIDS Omslag - Redactioneel  
Top