Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 68 - 2015
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 68 – Nr. 11 - November 2015
 
ISSN 1372-6501


In memoriam...
Arend van den Niewuenhuizen (21 april 1926 - 20 september 2015)
334

Arend van den Nieuwenhuizen, een monument in de aquariumliefhebberij is niet meer.
Zijn naam is reeds méér dan 60 jaar verbonden met het verenigingsleven en Aquariumwereld in het bijzonder.
Zijn eerste bijdragen aan ons tijdschrift dateren al van 1955 en het laatste artikel van zijn hand “Etroplus suratensis, Etroplus maculatus,… zoet of brak” verscheen in 2006.
Wat is er mooier dan van je hobby je be­roep kunnen maken en zo verging het ook Arend, die zijn beroep liet voor wat het was om zich volledig aan de natuur­fotografie te weiden.
Opdrachten van diverse bladen brachten hem zowat de wereld rond voor het ma­ken van reportages en het zoeken naar biotopen. Zijn aandacht ging op die rei­zen niet alleen uit naar het zoeken van een bepaald dier in een bepaalde biotoop, maar bovendien naar de ruime omgeving waarin deze biotoop voorkomt. Arend was de mening toegedaan dat, wanneer je een bepaalde biotoop wilt "begrijpen", je ook moet onderzoeken hoe deze bio­toop ontstaan is en hoe deze beïnvloed wordt. Vandaar dat de meeste van zijn artikels en reportages ook tonen hoe de plaatselijke bevolking leeft en met deze biotopen omspringt.
Dieren die van deze reizen werden mee­gebracht of via importeurs naar Europa kwamen, werden bij hem thuis verzorgd en bestudeerd in diverse vivaria, ingericht volgens de waarnemingen die hij ter plaatse deed. Zijn betrachting was steeds de dieren een zo goed mogelijk onderkomen te geven, waardoor ze zich op hun gemak voel­den en al vlug tot kweek werden aangezet.
Zijn rijke ervaring en grondige studie van het onderwerp maakten dat de dieren hun eieren haast afzetten op de plaats die hij uitgekozen had, wat hem de mooiste beelden zou opleveren. Hieruit volgden dan weer kweekrapporten, gespijsd met uniek beeldmateriaal.
Zijn vrouw Lily vertelde me dat eenmaal Arend zich in een onderwerp vastgebeten had of zich een doel gesteld had één of ander feit op beeld vast te leggen, alles hiervoor moest wijken en hij dan dagen- en nachtenlang op melk en brood kon leven.
Dit illustreert het grote professiona­lisme van Arend van den Nieuwenhuizen. Wij als vivariumhouders mogen ons ge­lukkig prijzen dat hij de opgedane erva­ringen niet voorbehield voor de profes­sionele vakliteratuur.
Het verzamelde beeldmateriaal werd ge­bundeld in een aantal lezingen waarmee hij in zowat alle liefhebbersverenigingen in Nederland, België, Duitsland, Oosten­rijk, Zwitserland en zelfs Italië te gast was, hierbij bijna steeds vergezeld van zijn on­afscheidelijke levensgezellin Lily. Wij mochten hem ook op menige Bondsdag als gastspreker begroeten.
De werkmethodes die Arend vaststelde bij de professionele bladen waar hij mee samen­werkte, droeg hij over naar de liefhebbers­tijdschriften en mede door zijn toedoen evolu­eerde o.a. Aquariumwereld naar een "fullcolour" tijdschrift dat aanzien geniet tot ver buiten de landsgrenzen.
Met zijn hulp werd een archief aan vierkleurenlitho's uitgebouwd dat ruim de 5000 beel­den overschrijdt en waar de huidige redactie in deze gedigitaliseerde wereld nog steeds gebruik van kan maken.
Arend maakte tot in 1995 deel uit van de redactie van Aquariumwereld. Er ontstond een hechte vriendschaps­band met toenmalig hoofdredacteur Luc Coppens en bondsvoorzitter Aimé Bijnens, wat resulteerde in een drietal tropenreizen, die op zich dan weer resulteerden in prachtige artikels voor het blad.
Persoonlijk leerde ik, als bonds­medewerker, Arend in de loop der jaren beter kennen, doch vooral, sinds ik het hoofdredacteurschap van Aquariumwereld op mij nam, en bij onze diverse ontmoetingen in 'T Stegeslag te Zevenaar, mocht ik meermaals ervaren hier met een fijne persoonlijkheid te maken te hebben. Ook de vitaliteit en har­telijkheid van zijn echtgenote Lily droegen ertoe bij dat ook tussen ons een band is ontstaan die het zakelijke overschrijdt.
Wanneer wij de balans opmaken van de vele bijdragen die Arend van den Nieuwenhuizen aan ons bondsblad le­verde, noteren wij de publicatie van zo'n 400 artikels. Tellen we daarbij de meer dan 5.000 beel­den en tekeningen, dan hoeft het hier geen betoog dat de bijdragen van Arend van den Nieuwenhuizen aan Aquariumwereld, de BBAT en de aquarium- en terrariumliefhebberij in het algemeen van een onschatbare waarde zijn.
Als ultieme dankbetuiging ontving Arend op de Bondsdag 2001 de BBAT-Award en werd hij “ten eeuwigen dage” opgenomen als erelid van de BBAT.
In juni 2013 overleed zijn echtgenote en toeverlaat Lily. Zij vormden samen een twee-eenheid in de beleving van hun werk. Arend is dit verlies nooit helemaal te boven gekomen en hopelijk zijn zij nu opnieuw verenigd voor de eeuwigheid.

Freddy Haerens, Hoofdredacteur Aquariumwereld


 

Foto: Arend van den Nieuwenhuizen
Trichopsis pumila
Arend van den Nieuwenhuizen
306

Als ik in het begin van de jaren zestig in de stilte van mijn ”aquariumhuis” plotseling een zacht geluid hoorde, dat in de verte enigszins op het knorren van varkens leek, wist ik dat de mannen van Trichopsis pumila het weer met elkaar aan de stok hadden. Ging ik kijken, dan kreeg ik steevast het pronken van twee van de kereltjes te zien, waarbij ze hun vinnen tot scheurens toe spreidden en om elkaar heen draaiden.
Ze waren daarbij zo onbeschrijfelijk mooi, dat een beschrijving van de kleuren onmogelijk is en de kleurenplaat maar een flets en miserabel beeld van ze geeft. Waarom ik er dan geen betere plaat van maakte? Wel, omdat dit bijna ondoenlijk was. Om ze in hun omgeving vast te leggen moest de belichting zodanig zijn dat die omgeving ook goed te zien was, maar dat had tot gevolg dat alle sterk iriserende punten op het lichaam overbelicht raakten, terwijl bij een krappere belichting de flonkerende puntjes wel tot hun recht kwamen maar de omgeving veel te donker werd. Een fotografisch compromis was dus het (onbevredigende) gevolg. In het slotartikel over Khorat, dat in Aquariumwereld van september ‘03 verschijnt, zult u zien wat ik bedoel.
Maar goed, Trichopsis pumila knort dus, niet enkel wanneer de mannen tegen elkaar pronken, maar vaak ook als een man een vrouwtje het hof maakt. De naam ”knorgoerami” die voor Trichopsis vittata werd voorbehouden, bleek dus ook op verwante soorten van toepassing te zijn.
Is Trichopsis pumila een visje voor de ”gewone” liefhebber? Een volmondig ”ja” is het antwoord. Bovendien is het met een lengte van 3 à 4 cm niet alleen een van de mooiste, kleinere Aziatische labyrintvissen, maar zijn ze ook geschikt voor het kleinere aquarium mits dit niet aan overbevolking lijdt en we bovendien rekening houden met de grootte van de territoria die gehuwde stelletjes vormen. Datzelfde geldt natuurlijk ook voor het gezelschapsaquarium, waarbij het wel zonde is als we ze in een aquarium van anderhalve meter laten ”verzuipen”, want dan hebben we er niets aan.
Toen ze na de Tweede Wereldoorlog weer voor het eerst werden geïmporteerd, had ik aanvankelijk twee pumila’s in een “meterbak”, die bevolkt was met kleine Rasbora-soorten. Die twee paarden er lustig op los, ondanks het feit dat het twee vrouwtjes waren en zo was dit mijn eerste kennismaking met deze labyrintvisjes. Ik had er maar twee omdat ze toentertijd schreeuwend duur waren. Dr. Ladiges berichtte er over in de DATZ en merkte op, dat de kwekers er – tot op het moment dat hij zijn artikel schreef – niet in geslaagd waren ze na te kweken terwijl die twee vrouwtjes bij mij precies deden of ze een fijn stelletje waren…
Nu heb ik net geschreven, dat ze goed in een klein aquarium kunnen worden gehouden. Met ”klein” bedoel ik 50 x 30 x 30 cm, 60 x 35 x 35 cm of 70 x 25 x 25 cm. Zulke aquaria kunnen we inrichten met een donkere bodem, een Cryptocoryne-beplanting, een mooi stukje, gedeeltelijk begroeid kienhout en wat drijfgroen aan het wateroppervlak, bijvoorbeeld in de vorm van Ceratopteris cornuta, ook wel ”blad op blad” genaamd. Uiteraard zijn er tal van andere combinaties mogelijk. Bij mij kregen de aquaria waarin ik ze verzorgde, schuin van boven invallend daglicht en een gedeelte van de dag ook zon. 
De beplanting was steeds zodanig dat er een open zwemruimte was, met daarnaast dichter beplante gedeelten die tot dicht onder het wateroppervlak reikten. Trichopsis pumila houdt er namelijk van om bij onrust en dikwijls, hoewel niet altijd, ook voor de voortplanting een beschut hoekje te zoeken.
De watersamenstelling is niet belangrijk. Ik heb ze in zeer zacht water met een licht zure pH-waarde gehouden, maar ook in aquaria met water van 18 °DH met een neutrale tot licht alkalische pH-waarde. In zacht (DHG 3°) en middelhard water (DHG ca. 8°) met een watertemperatuur van 25-26 °C waren ze het mooist. Niettemin mag de watertemperatuur ook wat lager zijn, zo’n 23 °C als de rest van het milieu aan hun eisen voldoet. Bij mij liep de watertemperatuur soms op tot 30 °C, wat niet schadelijk was. Voor de kweek vind ik zo’n temperatuur te hoog vanwege het verschil dat tussen de water- en de luchttemperatuur kan ontstaan.
In een aquarium van 60 x 35 x 35 cm met een, voldoende schuilgelegenheden biedende, dichte randbeplanting, kunnen gemakkelijk zes visjes worden gehouden en zelfs acht als er één vrouw meer dan mannen is. Zo’n ”pumila-club” kan afwisselend worden gevoerd met kleine rode muggenlarven, watervlooien, Cyclops, haftenlarven en pekelkreeftnaupliën. Ze zijn gek op witte muggenlarven, die ze, als ze nog jong zijn met groot enthousiasme naar binnen zuigen. Volgroeide Trichopsis pumila laten ze bijna in één ruk naar binnen glijden zoals wij (en u toch ook, denk ik?) dat graag doen met een nieuwe haring.
Nu had ik op een gegeven moment ongeveer dertig van deze knorrende goerami’s in een aquarium van 110 x 30 x 30 cm dat beplant was met amazonezwaardplanten, een tamelijk dichte oppervlaktebegroeiing die uit blaasjeskruid (Utricularia) bestond en veel draadalg op de bodem. Echt een aquarium waarin vissen konden rommelen. Ze leidden daar hun dagelijkse leventje van pronken, imponeren, paren. Als er gedurende een aantal dagen niet werd gevoerd, kregen ze ook interesse voor pas uitgekomen larven. Het beschrevene kan ook in een klein aquarium gebeuren.

 

Foto: Adriaan Briene
De eiwitafschuimer - deel 3
Adriaan Briene
343

Over het principe weten we nu genoeg. Tijd om eens te kijken naar de verschillende types afschuimers en welke voor- en nadelen deze hebben. We bekijken de volgende hoofdprincipes:

  • luchtpomp met uitstroomsteen;
  • waterpomp met venturi;
  • waterpomp met injector;
  • waterpomp met naaldrad.

Luchtpomp met uitstroomsteen
Dit is het oudste systeem dat in de aquaristiek voor eiwitafschuimers wordt toegepast. Ondanks het oude principe, is het nog steeds één van de meest effectieve, dus waarom ook niet?
Een luchtpomp blaast lucht door een kolom met water. That's all.
In het schema stroomt het water dan van boven naar beneden door de afschuimer. Het is dus een tegenstroom opstelling. Zoals we al eerder konden lezen, is die opstelling in theorie het meest efficiënt, maar superveel maakt het ook weer niet uit.
Voor de luchtpomp worden meestal membraanpompen toegepast. Vooral de “Wisa” luchtpompen zijn hierbij goed, maar wel duur. Ook zeer goed zijn de “Nisso” luchtpompen. Deze laatste hebben geen onderhoudsgevoelig membraan, maar een vrij lopende zuiger die elektromagnetisch heen en weer wordt getrokken. Vooral voor een zeewateraquarium geldt voor de luchtpomp: goedkoop is duurkoop.
Hoe hoger de waterkolom van de afschuimer, des te meer weerstand moet de luchtpomp overwinnen. Vooral bij hoge afschuimers iets om rekening mee te houden! Bij het weer in bedrijf nemen van de afschuimer, na bijvoorbeeld het vervangen van de uitstromer, is het dan ook het gemakkelijkst de uitstromer weer in de afschuimer te stoppen terwijl er al lucht uit de uitstromer komt, dan komt de bellenproductie veel beter op gang. Als uitstromer wordt meestal lindenhout gebruikt. Waarom nu lindenhout als we ook degelijke keramische materialen als uitstromer hebben? Wel, zo'n lindenhouten uitstromer geeft perfect kleine bellen bij een relatief lage weerstand. Lindenhout heeft namelijk wateraantrekkende eigenschappen, waardoor een luchtbel graag loslaat van het oppervlak van de uitstromer. Keramische uitstromers hebben dat effect veel minder en geven daardoor grovere bellen, ondanks dat ze toch fijnere poriën hebben.

Waterpomp met venturi
Indien je door een vernauwing in een buis water laat stromen, dan zal het water daar ter plekke sneller gaan stromen. De druk in de vernauwing daalt en wordt omgezet in snelheid. Die druk kan daar zelfs lager worden dan de atmosferische druk, als de snelheid in de venturi maar groot genoeg is. En zo kunnen we dus lucht aanzuigen. Op het plaatje is het principe weergegeven. Verschillende variaties zijn mogelijk: venturi-pomp buiten het aquarium; meerdere venturi's; systemen zonder sump; enz... Zo is met heel eenvoudige middelen een goede menging van lucht en water te verkrijgen.

Waterpomp met injector
Dit systeem komen we in Europa niet zo vaak tegen. De Amerikanen zijn wat meer gecharmeerd van dit principe waarbij water uit een nozzle (de injector) met hoge snelheid in een kolom met bio-ballen wordt gespoten. Hierdoor krijg je een zeer intensieve mix van water en lucht. Vooral op diverse Amerikaanse DIY-sites kom je dit principe vaak tegen. Het is dan ook redelijk eenvoudig zelf te bouwen. Maar geldt dat eigenlijk niet voor alle afschuimers?

Waterpomp met naaldrad
Een principe dat de laatste tijd meer en meer in opkomst is. De lucht wordt hierbij in de aanzuig van de pomp of via een venturi toegevoerd. De schoepen van de pomp slaan dan de lucht kapot en je krijgt zo een mengsel water/lucht wat uit zeer kleine belletjes bestaat die minstens, zo niet kleiner zijn dan die van een lindenhouten uitstromer. Ook hebben we nu geen last van een grote energievretende pomp die de drukval over de nozzle of venturi moet overwinnen en dus is het concept veel en veel energiezuiniger. Een nadeel is dat de lucht in de pomp kapot wordt geslagen en de pomp eigenlijk constant aan het caviteren is. De krachten op zo'n pomp zijn dan ook veel groter dan op een normale waterpomp. De waaier en de pompas moeten tegen deze sterk wisselende krachten opgewassen zijn. Vooral in het begin gaf dit aanleiding tot veel problemen, maar tegenwoordig zijn de pompen hierop aangepast, o.a. door speciale titanium pinnen in de waaiers zoals die worden toegepast in de Red Dragon pompen bij de Bubble-king afschuimers.

 

Foto: Roland Schreiber
De kweek van de Angolabarbeel, Barbus fasciolatus
Roland Schreiber
vertaling: Werner Dossler - Black Molly
350

Soms zijn het net de onopvallendste vissen, die in de aquaria van een aquariumhandel zwemmen, het interessants. In een speciaal biotoopaquarium, met de juiste waterparameters en met de juiste gerichte voeding, worden die “grijze muizen” dikwijls fonkelende diamanten met prachtige kleuren.
Barbus fasciolatus is één van de mooiste barbelen van het Afrikaans continent. De eerstbeschrijving geeft zelfs bij benadering niet weer hoe mooi de kleuren zijn die de vissen tonen. De grondkleur van het lichaam, afhankelijk van de vindplaats, is olijforanje tot felrood. Naar de buik toe worden de kleuren duidelijk lichter. Tijdens de paaitijd verandert het kleurpatroon van het mannetje in een stralend diep roestrood. De ongepaarde vinnen van beide geslachten zijn geelachtig tot lichtrood, aan de basis altijd iets lichter dan aan de rand. Een van de meest markantste merktekens van deze barbeel, ook ter onderscheiding van andere soorten, zijn tien tot zestien donkerblauwe, verticale strepen op de flank van het lichaam (fasciolatus = met smalle banden), die een beetje aan de tekening van een tijger doet denken. De tweede of derde, en de laatste band (op de staartwortel), zijn gewoonlijk ei- of diamantvormig. Als gevolg van deze strepen, die overigens nooit tot aan de boven- of onderkant van het lichaam reiken, worden deze vissen ook “blauwstreepbarbeel” genoemd. Het bovenste gedeelte van de iris is felrood. Barbus fasciolatus heeft twee paar klein baarddraden. De voorste zijn zo lang als de oogdiameter, die daar achter ongeveer anderhalf maal zo lang.
Mannetjes worden bijna 5 cm, vrouwtjes rond de 6 cm, lang. Bovendien blijken de mannetjes, ook buiten de paaitijd, iets slanker te zijn en donkerder gekleurd dan de vrouwelijke soortgenoten. Tijdens de paaitijd is de bepaling van het geslacht, mee door de krachtige roodkleuring van het mannetje, eenvoudig. Dieren gehouden als enkeling, tonen steeds een bleke kleur en zijn extreem schrikachtig.
Men kan de blauwstreepbarbeel gerust als omnivoor bestempelen en men mag dit letterlijk nemen. Liefhebbers van de zogenaamde “Hollandse plantenaquaria” plaatsen deze barbeel beter niet in dergelijk aquarium. Ook ik was zeer verwonderd, hoe snel een groep van acht dieren binnen de kortste keren mijn bestand van sterrenkruid (Pogostemon helferi) krachtig gedecimeerde. De iets meer grofbladige Anubias- of Cryptocoryne-soorten lieten ze meestal met rust. In den regel laten ze de aquariumplanten met rust, tenminste als ze met andere plantaardige kost (spinazie, slabladeren, plantaardig droogvoer) gevoederd worden. Anders staat bij B. fasciolatus alles, wat zich in de bodem of juist daarboven bevindt, op de menukaart. De dieren zoeken de hele dag door naar voedsel. Voor een “soortgerichte” verzorging is een bodemgrond uit fijn tot middelgroot zand of kiezel, nodig.
Op verse Artemia-naupliën storten de vissen zich met groot appetijt. Dit zeer klein levend voedsel zorgt bij deze relatief grote barbelen niet enkel voor een urenlange bezigheid, maar is ook goed voor het rood pigment bij de mannetjes.
Anderzijds werd door mijn dieren, zonder probleem, ook droog- en diepvriesvoer aanvaard. Om de barbelen in “kweekstemming” te brengen, mag krachtig levend voedsel, zoals insectenlarven, Cyclops, enz…) in geen geval ontbreken.


Foto: Freddy Haerens
Takydromus sexlineatus, de zesstreeplangstaarthagedis
Erik Vansteenkiste - Aquatropica Kortrijk
360

Het genus Takydromus (langstaarthagedissen) behoort tot de familie Lacertidae (echte hagedissen) en de onderfamilie Lacertinae. Er zijn ca. 22 soorten in het genus Takydromus (syn. Tachydromus, Platyplacopus), waarvan enkele pas recent werden ontdekt.
Alle soorten leven in Azië, van China tot Japan en zuidelijk tot in India en zijn de enige echte hagedissen die hier voorkomen.
Bij het nazien van de naamgeving stellen we vast dat de genusnaam Platyplacopus voor een 4-tal ondersoorten wordt gebruikt, die in 1993 door Zhao & Adler als zelfstandige soort worden aanvaard. In de actuele taxonomische bronnen worden alle soorten in Takydromus ondergebracht en wordt Platyplacopus als een synoniem aanzien.
Binnen het genus Takydromus is de soort T. sexlineatus wel de meest bekende die geregeld in de handel wordt aangeboden. Er worden twee ondersoorten erkend: T. sexlineatus ocellatus Cuvier, 1824 en T. sexlineatus sexlineatus Daudin, 1802.
We vinden Takydromus sexlineatus in Zuidoost-Azië, waaronder Vietnam, Thailand, Cambodja, Indonesië (Borneo, Java) en het zuiden van China.
Ze behoren tot de hagedissen met de langste staarten ter wereld. De kop-romplengte bedraagt 6 cm, de totale lengte 36 cm. De staart is dus 5x de kop-romplengte. Het lichaam is langgerekt en gaat naadloos over in de extreem lange staart. De ledematen zijn lang en dun met grote schubben. De tenen zijn voorzien van lamellen en hebben een kleine nagel. De rug vertoont vier langsrijen grote gekielde schubben. De zijkanten en onderzijde vertonen dezelfde tien langsrijen schubben. Een donkerbruine zijstreep loopt van het neusgat over het oog en ooropening tot aan de inplanting van de achterpoot en verder tot aan de staartaanzet. De kopzijkanten, flanken, keel en buikzijde zijn witachtig tot crèmekleurig. De staart is middelbruin met een wat lichtere onderzijde.
De mannetjes vertonen heldere puntvlekken in de zijstrepen. Bij de ondersoort Takydromus sexlineatus ocellatus zijn deze vlekken zeer duidelijk aanwezig. Mannetjes zijn door donkere bruintonen contrastrijker dan de vrouwtjes en hebben ook een duidelijk verdikte staartwortel.
Bij volwassen dieren is de koplengte van de mannetjes groter, met een totale lengte van 30 tot 36 cm.


Foto: Walter Van der Jeught
Anubias hastifolia
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw
364

Tijdens de opbouw van onze laatste Fak-tentoonstelling in 2011 merkte ik in een aquarium een Anubias-soort op die ik niet meteen kende en sprak de tentoonsteller daarover aan. Dit bleek Anubias hastifolia te zijn, een nogal zeldzame verschijning in het aquarium, zoals trouwens ook Nanochromis dimediatus, de vissen die het aquarium bevolkten. Bij de afbouw stopte deze tentoonsteller, Georges De Roeck van MAK-Mechelen, mij onverwacht een plastic zakje in de handen met daarin enkele stekjes en deze doen het momenteel zeer goed in mijn beplant huiskameraquarium. Een kennismaking...
Synoniemen: Anubias hastifolia var. sublobata Engler; A. auriculata Engler; Amauriella auriculata (Engler) Hepper; A. haullevilleana de Wildeman; A. laurentii de Wildeman; Amauriella obanensis Rendle; Amauriella talbotii Rendle; Amauriella hastifolia (Engler) Hepper.
Anubias hastifolia uit de familie der Araceae (aronskelkfamilie) heeft uitgesproken pijlvormige bladeren. De bladeren zijn diep middengroen van kleur en hartvormig. De nerf die in de lengte van het blad mee loopt, is een tint lichter waardoor deze goed opvalt. De nerven die horizontaal naar de bladranden lopen, zien eruit als kleine “vouwen” in het blad. Anubias hastifolia heeft ook langere stelen dan de andere, kleinere leden van het Anubias-genus. De stengels en bladeren groeien uit een harde, tot 1,5 cm (!) dikke “kruipende” wortelstok (rizoom). Deze combinatie van langere stengels en grotere, unieke bladeren, geeft deze plant een meer uitgesproken “look”, zeker indien geplaatst te midden van andere planten in het aquarium. Net als andere Anubias-soorten is dit ras winterhard, relatief niet veeleisend en tamelijk robuust onder ideale groeiomstandigheden. Onder goede omstandigheden gehouden, vormen ze zelfs bloemen onder water.
De plant is inheems in de tropische gebieden van West-Afrika. Daar zijn deze bloeiende plantensoorten in de eerste plaats te vinden in rivieren, beken en moerassen. Het genus is genoemd naar de Oud Egyptische god Anubis, de god van het hiernamaals.
Anubias-soorten groeien het best als je deze plant op een substraat (bv. achterwand) verankert of op hardere oppervlakken, zoals rotsen of wortelhout. Dat kan best met nylondraad of visdraad. Gebruik nooit een speld om de wortelstok op een stuk hout te prikken omdat je die daarmee beschadigt, wat tot rotting kan leiden. Wat je vooral niet mag doen, is hem in de bodem planten! Zorg er in alle gevallen voor dat de wortelstok, met zijn soms uitgebreid wortelgestel, zich altijd boven de bodemgrond bevindt. Indien dicht tegen de bodem geënt, kan het trouwens zo zijn dat de wortels tot in de bodem doordringen, de wortelstok zelf moet echter licht ontvangen en moet daarom boven de bodem blijven. Anubias hastifolia stelt middelmatige eisen aan de verlichting, maar... moet geregeld bemest worden met ijzersupplementen voor een optimale groei.

Een eigenaardig feit is dat de meeste Anubias-soorten weinig of niet reageren op een CO2-toevoeging. Deze plant is dan ook een langzame groeier. Meestal produceren ze een blad om de 3 weken, of zelfs langzamer. Daarom moeten de leden van het Anubias-genus niet in de gebieden van uw aquarium met een hoge lichtsterkte worden geplaatst, maar veeleer in beschaduwde zones. Een doordachte plaatsing verhindert grotendeels de anders overmatige algengroei op de bladeren. Beschadigde of bealgde bladeren zullen zich trouwens nooit herstellen. Als je enkel goed uitziende bladeren wilt, dan moet je die bealgde bladeren wegsnoeien. Wees echter niet bang, dit zal de plant ook aanmoedigen tot nieuwe bladgroei.
  BBAT-informatief 367
  VOEDSELGIDS Inhoudsopgave  
Top