Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 68 - 2015
vorige maand
   

 

Jaargang 68 – Nr. 12 - December 2015
 
ISSN 1372-6501

Foto: Gilbert Maebe

Een nieuwe regenboogvis: Melanotaenia rubrivittata
Patrick Loosveldt - Wagtail Aalst
370

In het tijdschrift van de Australische regenboogvissenvereniging ANGFA, “Fishes of Sahul”, verscheen in het nummer van maart 2015 de eerstbeschrijving van een regenboogvis: Melanotaenia rubrivittata, met bijhorende cover waar de kleuren vanaf springen!
Het verhaal van Melanotaenia rubrivittata gaat terug tot in april 1998, toen wetenschapper Gerald Allen op excursie was in het stroomgebied van de Wapoga River in Noordwest-Papua (Indonesië). Hij ontdekte er regenboogvissen met een neonblauw lichaam, voorzien van vijf langse rode strepen. Op dat moment ging hij er evenwel van uit dat het Melanotaenia praecox betrof. Deze laatste soort werd al in 1922 door Weber & de Beaufort beschreven op basis van exemplaren die amper  100 km verder waren gevangen in het stroomgebied van de Mamberamo. Beide soorten lijken dan ook op elkaar en hebben een aantal morphologische kenmerken gemeen. Gerald Allen heeft deze vissen toen gefotografeerd, maar er werden geen levende exemplaren meegebracht. De mythe van de “rood gestreepte praecox” was geboren…
Zoals je kon lezen in het juli-augustusnummer van jaargang 67 (2014) van Aquariumwereld, volledig gewijd aan regenboogvissen, zijn de regenboogvissenliefhebbers wereldwijd zeer goed georganiseerd en ondernemen ze vaak reizen naar de regio’s waar deze vissen leven. In België is Gilbert Maebe uit Mechelen een gevestigde waarde, maar ook in andere landen zijn er liefhebbers die quasi semi-professioneel met regenbogen bezig zijn. Zo gebeurde het dat de heren Gary Lange, Johannes graf en Dan Dority in januari 2012 samen een reis planden. Eén van de soorten die ze in de natuur wilden gaan zoeken, was de “rood gestreepte praecox”, die op dat ogenblik enkel gekend was van de foto’s van Gerald Allen. We hebben het aan het initiatief van die dappere liefhebbers te danken dat die vis op naam kon worden gebracht èn dat nakweek verspreid geraakte!
Dapper waren ze zeker, want dat gebied in Noordwest-Papua bestaat uit quasi ondoordringbaar oerwoud. Per vliegtuig kun je daar onmogelijk landen, dus moesten ze per boot eerst de oceaan op en dan via de monding van de Wapoga River stroomopwaarts varen. Dit moet een hachelijke tocht geweest zijn, wetende dat een grote afstand per boot en nadien te voet, moest afgelegd worden en dit in een waterrijk gebied vol krokodillen. Plaatselijke logistieke connecties zijn voor zo’n reizen dan ook cruciaal. Uiteindelijk voeren ze de Tirawiwa River op, die stroomopwaarts steeds smaller en smaller werd, tot het met de boot niet meer verder kon. Ze gingen dan te voet verder en baanden zich een weg doorheen het dichte oerwoud. Hun moeite was niet voor niets, want ze konden in een riviertje Melanotaenia rubripinnis en Chilatherina alleni verschalken. Wat later werden ook de gestreepte praecoxen gevangen! Hun excursie werd compleet met de vondst van Glossolepis leggetti. Door tegenslag hebben de soorten Glossolepis leggetti en Melanotaenia rubripinnis de terugreis niet gehaald. Gelukkig konden ze wel voldoende exemplaren van Chilatherina alleni en van de gestreepte praecox meebrengen.
Enerzijds werden er exemplaren officieel overhandigd aan dr. Unmack voor ichtyologisch onderzoek, anderzijds werd er ook wildvangst in aquaria gehouden en nagekweekt. De vissen kregen meteen populaire namen als “Wapoga praecox”, “de gestreepte praecox” of zelfs “Laser Red Rainbowfish”.
Van Gilbert Maebe, voorzitter van IRG België, vernam ik dat ze in ons land bekend waren als Melanotaenia species "Wapoga".
De vissen lijken uiterlijk sterk op Melanotaenia praecox, maar ze zijn slanker, met een iets langere snuit en ze hebben vijf langse rode strepen op het lichaam. Er zijn dus met het oog duidelijke verschillen waar te nemen. Er zijn evengoed ook veel overeenkomsten, zoals de typische neonblauwe grondkleur en de relatief kleine lengte. Ze delen ook een belangrijk aantal morphologische kenmerken die de wetenschappers konden opmeten.
Genetisch onderzoek bracht uiteindelijk aan het licht dat het zonder enige twijfel om gescheiden soorten gaat. De Melanotaenia sp. “Wapoga” kreeg dan de officiële naam Melanotaenia rubrivittata.
Duidelijk is wel dat ze een gemeenschappelijke voorouder hebben. Tegenwoordig kan men berekenen sinds wanneer verwante soorten zich hebben afgesplitst van de gemeenschappelijke voorouder. Men heeft dat ook eens gedaan voor Melanotaenia praecox en M. rubrivittata. Daarbij kwam men tot het verbazingwekkende resultaat dat beide soorten reeds 9,9 miljoen jaar naast elkaar zouden bestaan! Dergelijke berekeningen dienen weliswaar met een grove korrel zout te worden genomen, echter geeft het wel aan dat het al zeer lange tijd aparte soorten zijn en dat ze haast per toeval nog zoveel op elkaar lijken.

 

Foto: Walter Van der Jeught
Corydoras atropersonatus
Walter Van der Jeugt - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw
374

Deze “witte pantsermeerval” komt uit Zuid-Amerika, Ecuador, Pastaza, Rio Conambo, het Río Tigre systeem, Río Conambo in de monding van de  R. Shione, Peru, Loreto, Rio Nanay en de Rio Ampiyacu. Ze leven daar op een zandbodem en om hun tere baarddraden niet te beschadigen, is dat meteen de eerste vereiste waaraan je in het aquarium moet voldoen, wil je deze Corydoras-soort houden.
Met hun grootte tot  ±5 cm is het een iets kleiner blijvende Corydoras-soort, bovendien zijn het zeer vreedzame vissen – tegenover andere soorten maar ook onderling – die je best in een school van een 10-tal stuks houdt. Ze houden immers van het gezelschap van soortgenoten en vertoeven in het aquarium meestal in elkaars buurt, wat telkens weer mooi blijft om hen in groep door het aquarium te zien foerageren. In de natuur komen ze vaak voor in grote scholen van enkele honderden stuks.
Je moet daarom enkele onbeplante open zandruimtes in het aquarium voorzien, net als enkele donkere schuilplaatsen. Dat kan met wat kienhout of met grootbladige planten waaronder ze af en toe graag even verpozen. Steeds mooi zo’n groepje corydorassen samen hun siësta te zien houden, of met z’n vijven rond één voedertablet aan “tafel” te zien zitten. Het is overigens een soort die ook zeer actief is overdag, wat niet voor alle corydorassen geldt. Zelf kocht ik er in april 2013 vijftien stuks van tegen de redelijke prijs van € 4,95, want het is een nogal zeldzame soort en dan durft zelfs een Corydoras soms nog wel eens duur uitvallen. C. adolfoi kostte in dezelfde zaak € 21,75 (!) per stuk.
Corydoras atropersonatus heeft een soortgelijk kleurenpatroon als C. sychri. C. sychri is echter een grotere vis, heeft een spitsere snuit, iets grotere ogen en heeft meer, fijnere vlekken.
Deze pantsermeerval – net als alle andere corydorassen, heeft ook deze geen echte schubben maar twee rijen elkaar overlappende beenplaten links en rechts van de rugvin en een volledig gepantserde kop. Vandaar ook hun Nederlandse naam: pantsermeerval – uit de familie Callichtyidae dankt zijn naam aan de zwarte band die aan beide kanten over z’n ogen loopt. Atropersonatus betekent immers “zwart masker”. Ook de eerste stekelige (!) vinstraal van de rugvin is fijn zwart afgelijnd. Met die hardstralige vinstekel durven ze al eens in het vangnet blijven haperen. Tracht dit dan niet te forceren door die vinstraal proberen neer te plooien, ze kunnen die rugvin immers “blokkeren” en enkel zij kunnen die ook terug neerklappen. Laat het netje gewoon in het water hangen en heb wat geduld. Bovendien is de punt ervan zeer scherp en kan jou, bij ondoordacht handelen, een kwalijke kwetsuur bezorgen, waaraan toch de nodige nazorg dient te worden besteed.
De vinnen zijn dan weer veeleer kleurloos. Voor het overige zijn ze volledig wit en over het hele lichaam bedekt met zwarte stippen. Met zijn glanzend witte koetswerkkleur, bedekt met kleine zwarte stippen, is het een zeer mooie verschijning op de bodem en tussen de planten van je aquarium.

 

Foto: Robert Van Mossevelde
Het voederen van Afrikaanse (meren-) cichliden
Romain Van Lysebettens - Moerbeekse aquariumvereniging
378

Het is voor de beginnende cichliden-LIEFhebber heel belangrijk te weten dat zijn/haar troetels hebzuchtige eters zijn: ze kunnen in korte tijd een grote hoeveelheid voedsel tot zich nemen. Afrikaanse soorten zijn hierop geen uitzondering, maar ze zijn zeer mooi en vooral interessant om te houden. Als we ze goed verzorgen, zijn ze een lang leven beschoren.
Laat ons zeggen dat het merendeel zijn voedsel haalt uit het ruime aanbod van grote en kleine vissen, plantaardig materiaal en ongewervelden.
Cichliden kunnen onderverdeeld worden in vier groepen, elk met hun unieke voedingsbehoeften:

  1. pescivoren of viseters: die jagen op andere vissen, of de jongen daarvan;
  2. herbivoren of planteneters: het zijn grazers en schrapen algen op planten of rotsen af;
  3. omnivoren of alleseters: die hebben een variatie in hun dieet en eten zowel plantaardig materiaal als week- en schaaldieren of kleine vissen;
  4. micro-roofdieren: deze eten kleine ongewervelden zoals Artemia en plankton.

Het is daarom heel belangrijk dat je weet tot welke groep jouw cichliden behoren, zodat je ze de juiste voeding kunt geven. Als voorbeeld geef ik de Tropheus-soorten uit het Tanganyikameer die algeneters (Aufwuchs) zijn. Houd u er dan ook aan om plantaardige kost aan deze prachtige dieren voor te schotelen.
Heel wat droogvoer voor cichliden (vlokken, pellets en granulaat) is van hoogwaardige kwaliteit en heel sterk verbeterd sedert een aantal jaren.
Pas echter op met voedsel met een te hoog vetgehalte, zoals bv. runderhart! Producten van warmbloedige dieren moeten absoluut vermeden worden. Vissen zijn koudbloedige dieren en zijn niet in staat om vetten van warmbloedige dieren om te zetten tot energie. Bijgevolg zullen ze opgeslagen worden in hun lever, wat zal leiden tot vervetting (zie ook de Voedselgids van Aquariumwereld).

In het geval van de tropheussen, maar ook de bijna gehele groep mbuna’s uit dat andere slenkmeer, Malawi, gebruikte ik steeds Spirulina-vlokken als hoofdvoer. Om het waarom te verifiëren, zocht ik wat informatie op en kwam ik het volgende te weten: buiten de voor mij nogal onbekende termen van antioxidanten, chlorofyl, fycocyanine,… bevat Spirulina een hoog niveau aan ijzer, vitamine B12 en chroom (goed voor het metaboliseren van suikers) maar vooral 65 tot 70% eiwitten. Dus maak ik dat hun hoofdvoedsel uit Spirulina vlokken, granulaat of pellets bestaat. Het complementaire voedsel is een variatie – zeker niet onbelangrijk – van erwten (peul verwijderen), sla, spinazie, courgette … die ik kook, zodat ze zacht en weker worden en naar de bodem zinken.


 

Foto: Rik Verhulst
Een apart plantje: Lindernia parviflora 'variegated'
Patrick Loosveldt - Wagtail Aalst
382

Net zoals bij tuin-, vijver- en kamerplanten, komen er ook bij aquariumplanten steeds meer bonte cultivars in de handel. Eén ervan is een fijn stengelplantje met opvallend wit-groen gestreepte ovale blaadjes: Lindernia parviflora ‘variegated’. Dit is een fraaie kweekvorm van de in Azië voorkomende Lindernia parviflora.
In het aquarium vraagt Lindernia parviflora ‘variegated’ veel licht om goed te groeien. Bij te weinig licht gaan de stengels zich als het ware rekken naar het licht toe. In dat geval is er veel stengel en weinig blad, hetgeen absoluut niet mooi oogt. De kunst bestaat erin om deze plant compact te houden. Licht is daarbij de bepalende factor. CO2-toevoeging aan het water hoeft niet per se, maar heeft wel een onmiskenbaar positief effect. Eens de plant aanslaat, komen er veel zijtakjes vol met gestreepte blaadjes. De iets mindere takken of bealgde delen, snijd je zo snel mogelijk weg.
Bij de doorsnee commerciële aquaria met standaard verlichting, zijn de afstanden tussen de bladeren (= internodiën) groter en verloopt de groei nogal traag. Een extra TL-lamp inbouwen kan dan een oplossing zijn en gelukkig voor de plantenliefhebbers biedt een aantal merken deze mogelijkheid.
Deze plant laat zich in het aquarium zeer eenvoudig vermeerderen door te stekken. Je kunt dus gewoon de zijtakken afsnijden en terug inplanten.
Daarnaast groeit deze plant ook gemakkelijk in moerascultuur. Ik heb dit eens gedaan door wat snoeiafval te leggen op gezeefde potgrond. Die natte potgrond had ik in een (leeg) botervlootje gedaan en dat stond op zijn beurt in een plastic mini-serre op de vensterbank. In die omstandigheden verschenen er vrij snel scheuten, die op korte tijd uitgroeiden tot nieuwe planten. Deze planten vormden op diezelfde vensterbank zelfs bloemen onder impuls van het natuurlijke zonlicht. De meer enthousiaste liefhebber kan dan via het zaad dat verkregen wordt, nieuwe plantjes proberen op te kweken, al is dit omslachtig. Stekken nemen gaat immers veel gemakkelijker, zowel submers als emers.
Ook in het aquarium heb ik meermaals, zij het ongewild, enkele bloemetjes gezien. Een stukje stengel dat na een snoeibeurt al eens blijft drijven en zo terecht komt in een verloren hoekje, vormt dan onder het felle TL-licht emerse bloemen.
Met zijn witte opvallende nerven en de vele zijtakken, is het een prachtige voorgrondplant, die evenwel ook in de middenzone niet misstaat. Zelf geef ik het graag een plaats helemaal vooraan, met net daarachter contrasterende bruine cryptocorynen. Ook liefhebbers van nano-aquaria kunnen dit plantje zeker aanwenden. Het planten van de fijne stengeltjes kan voor sommigen een ware beproeving zijn, doordat ze steeds weer uit de bodem loskomen. Tip: Een plantstokje is hierbij een zeer handig hulpmiddel!
Mocht je op het internet gaan zoeken naar deze plant, dan zal je vast en zeker ook de benaming Lindernia rotundifolia ‘variegated’ vinden. Er is namelijk wat verwarring over de juiste benaming. Er zou schijnbaar, maar niet echt bevestigd, ook een cultivar ‘variegated’ bestaan van de verwante soort Lindernia rotundifolia. De benaming Lindernia rotundifolia ‘variegated’ wordt courant door liefhebbers gebruikt en ook in de handel zie je die naam opduiken. Echter, volgens de foto uit het boek van Christel Kasselmann is het de parviflora. Reden genoeg om die naam te volgen, temeer omdat vele van haar foto’s bij aquariumliefhebbers werden genomen, waaronder enkele West-Vlaamse top-aquaria. Niettemin is het verschil tussen L. rotundifolia en L. parviflora subtiel en enkel goed waar te nemen als je beide soorten vlak naast elkaar zet.
Op zich is Lindernia parviflora ‘variegated’ niet echt een moeilijke plant, als je het maar in de gaten houdt, tijdig de slechte stengels verwijdert en ervoor zorgt dat hij op een goed verlichte plaats in het aquarium staat. Een aanradertje!


Foto: Germain Leys
Een nieuwe lipvis: Cirrhilabrus marinda
Germain Leys - Tanichthys Hasselt
386

Het genus Cirrhilabrus is wijd verspreid op de koraalriffen in de regio van de tropische Indo-West Pacific. Deze vissen zijn algemeen gekend bij duikers en aquariumliefhebbers vanwege hun overvloedige en opmerkelijk mannelijke kleurpatronen, die worden geïntensiveerd tijdens de hofmakerij en het paaien.
Het kuitschieten vindt in het algemeen dagelijks, meestal ongeveer rond één tot twee uur voor zonsondergang, plaats. De kleurrijke, volwassen mannetjes zijn duidelijk herkenbaar tussen de veel kleinere en relatief saai gekleurde vrouwtjes.
Het paringsritueel van Cirrhilabrus, waarbij relatief weinig mannetjes strijden om de aandacht van een groot aantal vrouwtjes, is sterk bevorderlijk voor de ontwikkeling van verbeterde mannelijke secundaire seksuele kenmerken, in het bijzonder de heldere kleuren en de bovenmatige rugvinnen, die volledig opgetrokken zijn tijdens de balts. Hetzelfde gedrag kan men waarnemen bij het nauw verwante genus Paracheilinus, dat ook bekend staat om de spectaculaire mannelijke kleuren en buitensporige rugvinnen.
Taxonomisch was het genus Cirrhilabrus weinig gekend, met slechts zes beschreven soorten voor de "scuba revolutie". Sinds 1960 is het aantal beschreven soorten gestegen. Het genus is nu het tweede grootste in de familie (na Halichoeres), met momenteel 51 erkende soorten. John E. Randall, heeft een belangrijke rol gespeeld in het bevorderen van onze kennis over deze groep. Hij heeft 30 soorten beschreven, meestal in combinatie met diverse coauteurs.
Deze nieuw soort werd aanvankelijk als C. condei (Allen & Randall 1996) beschouwd. Consistente verschillen in vorm en kleur van de mannelijke rugvin, wekten echter het vermoeden dat het om twee soorten uit de regio Nieuw-Guinea ging.



Foto: Hans Wouters
Caracolus excellens
Hans Wouters - Terra vzw
390

Slakken zijn geen traditioneel terrariumdier. Meestal worden slechts enkele soorten uit de Achatina-familie aangeboden en gehouden. In mijn “slakkenkamer” kruipen er echter ongeveer 35 soorten rond: van kleine soorten van slechts 1,5 cm tot grotere Achatina-soorten van 15 cm. De grootste niet Achatina-soort is Caracolus excellens.
Dit is een soort die, volgens de weinige literatuur, tot 8,5 cm groot kan worden, meestal blijft het echter bij 6 cm. Het huisje heeft een bruinzwarte kleur, maar het dier zelf heeft een bleke kleur op de voet die overgaat in donkergrijs naar de kop toe. De rand van de voet heeft een roodbruine kleur. De tippen van de tentakels zijn wit en zwart.
Caracolus excellens is een slakkensoort die voorkomt op het eiland Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek) in de Caribische Zee. Ze komen vooral in de lagergelegen kustgebieden voor, maar deels ook in de berggebieden.
Op gebied van voedsel is Caracolus excellens toch wat kieskeurig. Dit is zeker positief, want daardoor kunnen ze in een beplant terrarium gehouden worden. De voorkeur gaat uit naar champignons en zoete aardappel. Verder lusten ze ook wortel, witlof en sla. De soort sla maakt echt wel uit. IJsbergsla en gewone kropsla worden gegeten, maar andere slasoorten niet. Daarnaast kan het dieet nog aangevuld worden met vlokkenvoer voor vissen. Uiteraard is kalk, bijvoorbeeld een sepiaschaal, erg belangrijk om hun huisje op te kunnen bouwen.
Omdat dit toch een wat grotere soort is, kan er best een terrarium voorzien worden van minstens 50 x 30 cm voor enkele dieren, maar liefst nog groter. Hoewel ze overdag veel op de grond te vinden zijn, is het ideaal als het terrarium ook wat hoogte heeft, zodat ze 's nachts voldoende ruimte hebben om rond te kruipen.
Als bodemgrond gebruik ik een mix van potgrond met houtsnippers. Onder die mix wordt nog wat extra kalk gestrooid. Planten zoals bromelia's of andere planten, waarbij ze tussen de bladeren kunnen kruipen, worden op prijs gesteld. Een ondiepe waterschaal is belangrijk omdat ze graag in het water gaan. De schaal moet wel zwaar genoeg zijn, want anders kruipen ze eronder of gooien ze die om en loopt het water in het terrarium. Belangrijk is dat de bodem geen zompige boel wordt. Een hoge vochtigheid (80-90%) wordt zeer op prijs gesteld maar een modderpoel niet!
Eventueel kunnen nog wat bladeren van beuk of eik in het terrarium gelegd worden waar ze onder kunnen kruipen.

  BBAT-informatief 396
  VOEDSELGIDS Inhoudsopgave / einde  
Top