Anguis fragilis
Linnaeus, 1758

Anguis fragilis
Foto: Arend van den Nieuwenhuizen

IDENTITEIT: orde: Squamata; familie: Anguidae.
EERSTBESCHRIJVING: In 1758, door Linnaeus, als Anguis fragilis in Syst. Nat. 10e Ed.
SYNONIEM:
NEDERLANDSE NAAM: Hazelworm, heiaal
MAXIMALE GROOTTE: Tot 54cm, meestal veel kleiner: vanaf ca. 30 cm kan de groei stagneren
GESLACHTSONDERSCHEID: Vrouwtjes hebben een mooiere kleurtekening en een kleinere lichaamslengte. In verhouding tot de lengte, hebben ze ook een grotere kop. Exemplaren met blauwkleurig gepigmenteerde schubben zijn doorgaans mannetjes.
HOUDBAARHEID: Huisvesten in een goed vochtig terrarium of aquaterrarium met veel schuilplaatsen. Bodemlaag met bladeren en mossen bedekken. De hoogste leeftijdsmelding bedraagt 54 jaar (Petzold, 1971), wat de lange houdbaarheid aantoont. Schaduwrijke plaatsen aanbieden. De uiterste grenzen van de temperatuur niet te langdurig aanhouden (voorkeurstemperatuur is 28įC).
DIERENRIJK
Z i IV 14
       
Milieu
dag / nacht
Terrarium
dag / nacht
Kweek
Temperatuur °C 14 - 35    
Relatieve vochtigheid %
Licht
VERSPREIDING: Noordwest-Afrika, Zuidwest-AziŽ, Europa
Kaart voorkomen
BIOTOOP: Komt voor op dicht begroeide, liefst iets vochtige plaatsen. In rivierdalen, weilanden, bossen en heidegebieden. Oudere exemplaren komen (tijdelijk) ook voor in meer open en op drogere plaatsen;
GEDRAG: Rustig schemeringsdier, dat zich overdag schuilhoudt onder mospollen of in zelf gegraven kuilen. Past zich uitermate goed aan en is na enige tijd volledig tam. Bedelt vaak met uitgestrekt en gedeeltelijk rechtopstaand lichaam om voedsel. De gemakkelijk afbrekende staart regenereert, doch blijft dan meestal zo klein dat het niet het vernoemen waard is. Houdt niet van koude noch warmte. Op achtjarige leeftijd wordt het groeivermogen beŽindigd. Bijt niet, maar kan (bij het grijpen of opvangen) een slecht ruikende ontlasting vrijgeven. Vergrijpt zich (soms) aan kleine hagedissen.
VOEDSEL: Voomamelijk wormen en naaktslakken, ook insekten met uitzondenng van spinnen en sprinkhanen.
KWEEK: Is naargelang hun lichaamsgrootte geslachtsrijp op 2 ŗ 3 jaar. Is ovovipaar (eilevendbarend). De langdurige paringsactiviteit vindt bij een temperatuurstoename (na een koelere winterperiode) plaats. De incubatieperiode duurt ongeveer drie maanden. Onmiddelliik na het afzetten van de eieren komen drie tot twaalf jongen uit, die met enchytraeŽn, kleine regenwormen en meelwormen grootgebracht worden.
BIJZONDERHEDEN:
Bewerkt door:
H. Vits, april 1991
Laatst bijgewerkt op: 15-06-2017
   naar Aquariumwereld Delen - Mailen - Bewaren
AANGEBODEN DOOR
AQUARIUMWERELD
UW MAANDBLAD VOOR AQUARIUM- EN TERRARIUMKUNDE