Physignathus cocincinus
Cuvier, 1829

[Foto Physignathus cocincinus]
Foto: R. Van Mossevelde

IDENTITEIT: orde: Squamata; familie: Agamidae.
EERSTBESCHRIJVING: in 1829, door Cuvier, als Physignathus cocincinus.
SYNONIEM: Physignathus mentager.
NEDERLANDSE NAAM: groene wateragame.
MAXIMALE GROOTTE: 90 cm.
GESLACHTSONDERSCHEID: het volwassen mannetje heeft een grotere kam.
HOUDBAARHEID: jonge dieren wennen snel. Halfwas en volwassen dieren verlangen een ruim terrarium (b.v. 2x1x1 m) met veel klimtakken en een flinke waterpartij. Gebruik alleen forse planten. De dieren slechts paarsgewijze houden. Dieren van het zelfde geslacht vechten onderling.
DIERENRIJK
Z j IV 05
       
Milieu
dag-nacht
Terrarium
dag-nacht
kweek
dag-nacht
Temperatuur °C   25-28   20 30
Relatieve vochtigheid %   80   80 95
Licht      
VERSPREIDING: Thailand tot Zuid-China; Sumatra; Borneo; Nieuw Guinea.
[Kaart voorkomen
BIOTOOP: rivieroevers in het regenwoud.
GEDRAG: dagactief. Kan snel lopen. Soms alleen op beide achterpoten. Zwemt met staart en poten tegelijk, bij achtervolging alleen met zwaaiende bewegingen van de staart. Vechten wordt ingeleid door een vast dreigpatroon: 2 of 3 maal langzaam kopknikken, daarna zwaaien met één der voorpoten. Kan het dier zich met beide achterpoten vasthouden op zijn standplaats, dan wordt er met beide voorpoten gezwaaid. Na het dreigen doet het sterkste dier een snelle uitval waarbij het gedomineerde achtervolgd wordt. Even sterke dieren trachten elkaar zijdelings in de nek te bijten. Gevoelig aan mondrot.
VOEDSEL: allerlei grote insecten en hun larven, huisjesslakken en regenwormen, doch ook kleine kikkers en hagedissen. In gevangenschap ook vlees, muizen, kuikens. Voedsel wordt in de vrije natuur vooral in het water buitgemaakt. Het is aangeraden in het terrarium met het voedselpincet te werken. Om de 5 dagen voeren is voldoende. Af en toe ook fruit, vooral banaan wordt graag gegeten.
KWEEK: het vrouwtje graaft een 20 cm diepe trechter in los zand, waarin 8-16 eieren van 15,5 X 26,5 mm groot worden gelegd. Geen broedzorg. De eieren worden uitgebroed in een broedkast en komen uit na 65-100 dagen (bij 30 ¡C na ± 70 dagen). De jongen opfokken met kleine insecten, die met kalk en vitaminepoeder werden bestoven.
BIJZONDERHEDEN: mondrot, verwekt door Pseudomonas f. fluorescens en P. f. liquefaciens wordt behandeld met antibiotica, ondersteund met een multivitaminepreparaat.
Bewerkt door:
Peter De Batist, september 1985
Laatst bijgewerkt op: 05-07-2010
   naar Aquariumwereld Delen - Mailen - Bewaren
AANGEBODEN DOOR
AQUARIUMWERELD
UW MAANDBLAD VOOR AQUARIUM- EN TERRARIUMKUNDE