Caulerpa scalpelliformis
(R. Brown ex Turner) C. Agardh 1817

Caulerpa scalpelliformis
Foto: Harry Voet

IDENTITEIT: orde: Siphonales; familie: Caulerpaceae.
EERSTBESCHRIJVING: In 1809, door R. Brown ex Turner, als Fucus scalpelliformis 95-96, pl. 174
In 1817, door Caroli Agardh, als Caulerpa scalpelliformis in Synopsis algarum Scandinaviae, 1-135. Ex officina Berlingiana.
SYNONIEM: Corradoria scalpelliformis, Fucus scalpelliformis
NEDERLANDSE NAAM:
MAXIMALE GROOTTE: Tot Ī7 cm "blad"-lengte in het aquarium. Toen de plant in de natuur verzameld werd bedroeg die slechts 3 cm.
HOUDBAARHEID: De groei in het aquarium is tamelijk goed, alhoewel qua snelheid beduidend minder dan bij Caulerpa prolifera. Hiermee samengehouden ontstaat dus gevaar voor verdrukking. Ook draadalg vormt een probleem, daar deze vooral de wat oudere bladeren kan overwoekeren. Uitlopers verglazen nogal eens, waarschijnlijk bij een verminderde waterkwaliteit, iets waarvoor deze soort gevoelig bleek te zijn. Totale verslijming en verlies trad op bij een tot 0,05 opgelopen nitrietgehalte
PLANTENRIJK
G a X 01
       
Milieu Aquarium Vermeerdering
Zuurtegraad pH 8,4 8 - 8,4

Biotoop: Zygoten

Aquarium: Uitlopers

Dichtheid 1,024 1,022 - 1,026
Temperatuur °C 23 20 - 25
VERSPREIDING: Rode Zee, Arabische Zee. IndiŽ, Sri Lanka, Java, AustraliŽ, Filippijnen, Japan, Tahiti, Florida, West-IndiŽ, Goudkust
Kaart voorkomen
BIOTOOP: Vastgehecht groeiend op een steen, tussen allerlei bruinwieren door, te Tenerife (Canarische Eilanden) op een diepte van 3-4 m aangetroffen. De plaats onderging een felle golfbeweging welke op die diepte nog grote invloed had (Atlantische golfslag !).
BODEM: Hecht zich aan stenen en koralen
BELICHTING: Ruime tot sterke belichting. Lijdt onder overgroeiing door andere algen.
VERMEERDERING: ln het aquarium door uitlopers, al geschiedt dit door de matige groei eerder traag. ln de natuur vindt ook een geslachtelijke voortplanting plaats: mannelijke zwemsporen worden met de stroming tot bij de vrouwelijke kiemcellen gevoerd en vormen er een zygote mee, waaruit de nieuwe plant groeit. Toen mijn planten verslijmden waren er, bij goed toekijken op de blaadjes haartjes zichtbaar welke eindigden in een bolletje (zoals soms bij C. prolifera voorkomt, maar kleiner). Waarschijnlijk gaat de plant dus bij ongunstige omstandigheden over tot geslachtelijke voortplanting, om op deze wijze andere oorden te kunnen opzoeken.
BIJZONDERHEDEN: Deze alg is zeker niet bijzonder algemeen te Tenerife, waar ik de plant slechts op ťťn plekje kon aantreffen: een steen waarvan het ongeveer horizontale bovenvlak net gelijk kwam met het omringende zand. Dit duidt m.i. erop dat er zeer specifieke eisen gesteld worden aan de omgeving. De vraag is: welke ? Honkvast was de plant er wel: na 5 jaar trof ik de plant nog op precies dezelfde plaats aan.
Bewerkt door:
Harry Voet, juli 1988
Laatst bijgewerkt op: 05-07-2015
   naar Aquariumwereld Delen - Mailen - Bewaren
AANGEBODEN DOOR
AQUARIUMWERELD
UW MAANDBLAD VOOR AQUARIUM- EN TERRARIUMKUNDE