Pholis gunnellus
(Linnaeus, 1758)

Pholis gunnellus
Foto: Freddy Van Goethem

IDENTITEIT: orde: Perciformes; familie: Pholidae.
EERSTBESCHRIJVING: ln 1758, door Linnaeus, als Blennius gunnellus, in Syst. Nat. 10e ed. : 257
SYNONIEM: Centronotus gunnellus
NEDERLANDSE NAAM: Botervisje
MAXIMALE GROOTTE: 15 20 cm
GESLACHTSONDERSCHEID:
HOUDBAARHEID: Goed houdbaar in een gekoeld aquarium. Inrichten met stenen, een zandbodem en oesterschelpen, liefts met de twee kleppen nog vast aan elkaar en op een kier staand. Geen echte territoriumvormers, want ze kiezen regelmatig een andere stek, maar ze kunnen wel zeer agressief zijn bij het verdedigen ervan. Mits voldoende schuilplaatsen aanwezig, zijn ze echter toch wel met meerdere tezamen houdbaar. Ze laten de meeste lagere dieren met rust, maar eten kleine vissen op, waarbij men zich vaak verbaast over wat, ondanks de kleine muil, toch naar binnen kan.
DIERENRIJK
Z h XXXIV 116
       
Milieu Aquarium Kweek
Zuurtegraad pH 8 - 8,3 7,8 - 8,4
Dichtheid 1,022 - 1,025
Temperatuur °C 2 - 18 10 - 18
VERSPREIDING: Noordelijke Atlantische Oceaan: kusten van Noord-Amerika (vanaf Wood's Hole), Groenland, IJsland, Europese kusten van de Witte Zee tot het Kanaal. Ook in de westelijke Oostzee.
Kaart voorkomen
BIOTOOP: Stenige of rotsachtige ondergrond, van in de getijzone tot 40-50 diep. Ook graag tussen zeewier (Laminaria o.a.). Blijft bij laag water ook wel achter in plasjes, zelfs praktisch op het "droge", maar dan onder stenen of wier. We vonden ze erg veel in lege oesterschelpen, die op een kier stonden, in de Grevelingen (Nederland).
GEDRAG: Beweegt zich voort - zowel in als uit het water - op een aalachtige, kronkelende manier. Valt nabij komende soortgenoten aan, maar achtervolgt ze niet fanatiek. Loert op bewegende buit, o.a. kleine vissen. Ze blijven zeer schuw tegenover hun verzorger.
VOEDSEL: Klein dierlijk voer: stukjes mossel, Mysis, watervlooien, wormpjes, Dood voedsel wordt al vlug genomen.
KWEEK: De eieren worden in een lege oesterschelp of onder een steen afgezet van december tot maart. De eitjes zijn ondoorzichtig, 1,5 mm in doorsnede en vormen een bol van 3 cm in doorsnede. Het mannetje krult er zich omheen en bewaakt ze, doch ook het vrouwtje helpt bij de bewaking (tegelijkertijd of om beurt). Na meer dan een maand komen de eieren pas uit. De dan al 1cm lange jongen laten zich door de stroming naar zee meevoeren om er van enkele maanden tot een halfjaar op diepten van 60 m te leven. Daarna keren ze weer naar ondieper water. Ze zijn dan 3 cm lang.
BIJZONDERHEDEN: De naam "botervis" slaat terug op de gladheid van deze dieren.
Bewerkt door:
Freddy Van Goethem en Harry Voet, april 1995
Laatst bijgewerkt op: 03-09-2015
   naar Aquariumwereld Delen - Mailen - Bewaren
AANGEBODEN DOOR
AQUARIUMWERELD
UW MAANDBLAD VOOR AQUARIUM- EN TERRARIUMKUNDE