Ancistrus dolichopterus
Kner, 1854

Ancistrus dolichopterus
Foto: Arend van den Nieuwenhuizen

IDENTITEIT: orde: Siluriformes; familie: Loricariidae.
EERSTBESCHRIJVING: ln 1854, door Kner, als Ancistrus dolichopterus, in Denkschr. Akad. Wien. 7:274.
SYNONIEM: Ancistrus cirrhosus, Chaetostomus delochopterus, Xenocara dolichopterus.
NEDERLANDSE NAAM: Antenne-meerval
MAXIMALE GROOTTE: Groeien uit tot 13 cm
GESLACHTSONDERSCHEID: Het mannetje bezit grotere en langere tentakels op de kop. Enkele van deze tentakels kunnen zelfs vertakt of gevorkt zijn. Bij de vrouwtjes is deze borstelachtige tentakel-ontwikkeling duidelijk minder.
HOUDBAARHEID: ln een normaal ingericht, toch wel als een groter gerangschikt, aquarium. Beter in een speciaal aquarium waarin meerdere soorten harnasmeervallen het gezelschap vormen. Bij de inrichting schuilplaatsen creŽren door stenen en kienhoutformaties te schikken. Een niet te felle verlichting siert de pracht van deze, dan in actie zijnde, dieren.
DIERENRIJK
Z h XVII 30
       
Milieu Aquarium Kweek
Zuurtegraad pH 6 - 7 6,3 - 7
Totale hardheid °DH 7 - 9
Temperatuur °C 22 - 27 22 - 27
Geleidbaarheid µS
VERSPREIDING: Amerika: Guyana, Amazone en Mato Grosso.
Kaart voorkomen
BIOTOOP: Leeft in helder en stromend water.
GEDRAG: Houden zich overdag of bij een te felle verlichting schuil. Wennen wel, en laten zich na een tijdje, vooral 's avonds tussen de voederbeurt en het uitschakelen van het licht, enkele uren bewonderen. Vertoeft bijna steeds op de bodem of op een als ondergrond dienend substraat (stenen, kienhout of wortelhout). Houdt zich dikwijls met zijn muil a.h.w. vastgezogen, vrij lang en praktisch onbewegelijk stil. Zwemt vrij moeilijk: zwiept krachtig met zijn staart en stuwt zich zo van het ene "obstakel" naar het andere voort.
VOEDSEL: Nemen naast het kunstmatige droogvoer alle soorten klein, zowel levend als plantaardig voedsel. Zijn verzot op groentabletten. Kienhout blijkt als ballaststof voor de spijsvertering zeer essentieel en dient dus steeds aanwezig te zijn.
KWEEK: Het kuitschieten en de bevruchting van de eitjes gebeurt in een spelonk die kan bestaan uit, in het kweekaquarium aangebrachte, bloempotjes, en/of afvoerbuizen, maar ook uit een hol, dat ze onder een steen, een kienhout, kurk of een stuk kunststof, hebben aangebracht. Na het paaien bevinden de oranjekleurige eitjes zich, in kleine groepjes bij elkaar, aan de bovenzijde van het hol. Het mannetje verzorgt de ongeveer zestig tot tachtig, in ontwikkeling zijnde eitjes. Na zo'n vijf dagen komen de doorzichtige larfjes, voorzien van een grote gele dooierzak, uit. Ze worden grootgebracht met pekelkreeftjes, gehakte tubifex, en fijngewreven droogvoer, diepvries-spinazie en verlepte sla.
BIJZONDERHEDEN:
Bewerkt door:
Redactie Aquariumwereld, december 1996
Laatst bijgewerkt op: 29-05-2015
   naar Aquariumwereld Delen - Mailen - Bewaren
AANGEBODEN DOOR
AQUARIUMWERELD
UW MAANDBLAD VOOR AQUARIUM- EN TERRARIUMKUNDE