Pethia ticto
(Hamilton, 1822)

Pethia ticto
Foto: Arend van den Nieuwenhuizen

IDENTITEIT: orde: Cypriniformes; familie: Cyprinidae.
EERSTBESCHRIJVING: In 1822, door F. Hamilton, als Cyprinus ticto in Acc. Fish. Ganges: 314.
SYNONIEM: Barbus ticto, Puntius ticto
NEDERLANDSE NAAM:
MAXIMALE GROOTTE: Pethia ticto ticto tot 10 cm, de ondersoort Pethia ticto stoliczkana (Day, 1871) tot 6 cm
GESLACHTSONDERSCHEID: Mannetjes iets kleiner, vrouwtjes met dikker buikje. P. t .ticto: mannetjes op de rugvin donkere stippen en vlekken, rode oogiris, licht bruinachtige flank onder de rugvin: vrouwtjes; borstvinnen en aarsvin roodachtig. P. t. stoliczkana: rugvin van mannetjes felrood met zwarte vlekken, bij vrouwtjes ongevlekt en vaag rood.
HOUDBAARHEID: Zeer sterke soort, die ook vrij lage temperaturen voor lief neemt. P. t. ticto is best in een wat grotere bak houdbaar, tervvijl P. t. stoliczkana ook in kleinere aquaria gehouden kan worden. Stelt prijs op een flinke randbeplanting.
DIERENRIJK
Z h XVI 19
       
 
Milieu (*) Aquarium Kweek
Zuurtegraad pH 7 - 7,5
Totale hardheid °DH 3 - 18
Temperatuur °C 26 - 31,5 14 - 25 +22
Geleidbaarheid µS 77 - 660
  (*) Metingen gedaan te Sri Lanka, op 28 en 29-7-1982, 3 biotopen in Habarana en km 187 op de A6 (omgeving Alut Oja)
VERSPREIDING: Geheel IndiŽ, Birma, Sri Lanka
Kaart voorkomen
BIOTOOP: Op Sri Lanka aangetroffen in riviertjes welke duidelijk de invloed van een droogteperiode ondergingen: in 3 gevallen stilstaande poelen in een drooggevallen bedding (4de vrij sterk stromend). Duidelijk voedselrijk water in 2 gevallen troebel door watarbloei, talrijke copepoden (uitwerpselen van badende buffels en olifanten ?). Aangetroffen planten: Aponogeton natans, Cryptocoryne spec. elk in een ander biotoop; verder 2 biotopen zonder waterplanten.
GEDRAG: Scholenvisje; frequenteert alle waterlagen in het aquarium; knabbelt graag alle oppervlakken af om micro-algen en -diertjes te bemachtigen, doch beschadigt de planten niet. Vreedzaam tegenover soortgenoten an andere soorten. Wel verjagen de mannetjes elkaar van hun favoriete paaiplekje.
VOEDSEL: Dierlijke en plantaardige kost, zowel levend als uit diepvries of als droogvoer. Dit wordt ook aan de oppervlakte en van de bodem gegeten.
KWEEK: Zetten ook regelmatig in het gezelschapsaquarium af, waarbij af en toe jongen erin slagen op te groeien. Kweekbak 40x30x25 cm. Waterhardheid of pH hebben weinig belang. Temperatuur 25įC. Atzetrooster of -mat en turfvezel of javamos als afzetmateriaal. Niet verduisteren. Eitjes uit na 24 uur. Jongen nemen van zodra ze zwemmen Artemia-nauplii als eerste voer. Snelle groei. Resultaat geschat op 250 stuks.
BIJZONDERHEDEN: Over het uitgestrekte verspreidingsgebied varieert de soort sterk in uiteriijk, zodanig dat de 2 ondersoorten, P. t. ticto en P. t. stoliczkana, (Day, 1869), eerst als aparte soonen werden beschrevan. Talrijke tussenvormen bevestigen echter dat het om ťen soort gaat. Komt tot vrij hoog voor, tot in de Iage bergen van de Himalaya, met als minimumtemperatuur 12įC.
  NvdR: William Eschmeyer spreekt van twee verschillende soorten (Bron: Catalog of Fishes)
Bewerkt door:
Harry Voet, april 1990
Laatst bijgewerkt op: 14-06-2017
   naar Aquariumwereld Delen - Mailen - Bewaren
AANGEBODEN DOOR
AQUARIUMWERELD
UW MAANDBLAD VOOR AQUARIUM- EN TERRARIUMKUNDE