Esox lucius
Linnaeus, 1758

Esox lucius
Photo: Jik jik (Own work) CC BY-SA 3.0, via Wikimedia Commons

IDENTITEIT: orde: Salmoniformes; familie: Esoxidae.
EERSTBESCHRIJVING: ln 1758, door Carolus Linnaeus, als Esox lucius, in Systema Natura, 10 ed.:314
SYNONIEM:
NEDERLANDSE NAAM: Als snoek ťťn van de meest bekende zoetwatervissen.
De groen gekleurde jonge dieren worden grassnoek of Jacobssnoekjes genoemd.
MAXIMALE GROOTTE: Man tot 90 cm; vrouw tot 160 cm. ln de Wolga bereiken sommige vrouwtjes zelfs 200 cm.
GESLACHTSONDERSCHEID: Vrouwtjes zijn, op dezelfde ouderdom, beduidend groter. De man zijn vinnen zijn vooral aan de zoom intenser gekleurd.
HOUDBAARHEID: Over het algemeen zijn alleen kleine exemplaren voor het aquarium geschikt. In een speciaalaquarium kunnen jonge dieren met enkele grotere exemplaren gehouden worden. In een tamelijk grote tuinvijver kan men -ter vrijwaring van de andere vissoorten - maar ťťn enkel exemplaar uitzetten. Er rekening mee houden dat de dieren zeer zuurstofbehoeftig zijn. Leeftijden van zestig tot zeventig jaar werden vastgesteld (Regan).
DIERENRIJK
Z h XVI 01
       
Milieu Aquarium Kweek
Zuurtegraad pH
Totale hardheid °DH
Temperatuur °C 4 - 20max. 18 - 22 6 - 14
Geleidbaarheid µS
VERSPREIDING: Europa noordelijk AziŽ en noordelijk Amerika.
Kaart voorkomen
BIOTOOP: De snoek is algemeen in koelere gebieden. Hij heeft een voorkeur voor helder, stilstaand of langzaam stromend water. ln wateren waar algen zich in de loop der jaren steeds sterker ontwikkelden liep het snoekbestand sterk terug.
GEDRAG: Weinig actieve vis. Leeft solitair en is doorgaans nogal plaatsgebonden. Velen beschouwen hem - ten onrechte - als een niets ontziende duivelse rover en veelvraat. ln werkelijkheid is zijn voedselverbruik echter vrij laag en wacht hij meestal vrij passief zijn prooi af. Toch kan hij in bepaalde gevallen ernstige schade aan het overige visbestand toebrengen. Kannibalisme komt geregeld voor en vormt een probleem bij het kweken.
VOEDSEL: ln het jeugdstadium zijn het plankton etende dieren. Later wordt hun voedselkeuze vooral bepaald door de afmetingen en de bewegingen van de prooidieren. Alhoewel kleine snoekjes veschillende soorten wormen accepteren, bestaat hun prooi hoofdzakelijk uit levende vis. ln regel is de prooilengte gelijk aan zo`n 30 tot 50% van hun eigen lengte. Ze vangen en verzwelgen ook amfibieŽn, kleine zoogdieren, kuikens van watervogels en rivierkreeften.
KWEEK: Paait bij voorkeur in ondiep water, boven de vegetatie. Bij het paaien wordt het vrouwtje vaak vergezeld door meer dan ťťn mannetje. Afhankelijk van de grootte van het vrouwtje en de watertemperatuur worden tussen februari en mei 20 tot 45 000 eieren per kilogram eigen lichaamsgewicht afgezet. Deze worden door de mannetjes in groep bevrucht. De kleverige eieren kippen, afhankelijk van de temperatuur na tien tot achtentvvintig dagen. De larven bezitten twee hechtschijfjes, waarmee ze bewegingloos aan planten en voorwerpen dichtonder het wateroppervlak, af aan de waterspiegel zelf hangen, totdat hun dooierzak is opgeteerd. Pas daarna vult de larve zijn zwemblaas, begint te zwemmen en eet dierlijk plankton. Ze nemen snel zoetwaterkreeftjes en insektelarven.
BIJZONDERHEDEN: Soms worden er eieren of larven door watervogels verspreid. Leverkleurige tot bijna witte vormen zijn gekend
Bewerkt door:
Fernand Verbeeck, januari 1995
Laatst bijgewerkt op: 31-08-2015
   naar Aquariumwereld Delen - Mailen - Bewaren
AANGEBODEN DOOR
AQUARIUMWERELD
UW MAANDBLAD VOOR AQUARIUM- EN TERRARIUMKUNDE