Labidochromis joanjohnsonae
Johnson 1974

Labidochromis joanjohnsonae
Foto: Arend van den Nieuwenhuizen

IDENTITEIT: orde: Perciformes; familie: Cichlidae.
EERSTBESCHRIJVING: In 1974, door Johnson, in Today's Aquarist v. 1 (no. 1)
SYNONIEM: Labidochromis fryeri, Melanochromis exasperatus, M. joanjohnsonae,
NEDERLANDSE NAAM: Parel van Likoma
MAXIMALE GROOTTE: Tot 8 cm.
GESLACHTSONDERSCHEID: De jonge en vrouwelijke vissen hebben een lichtblauwe kleur met groenachtige tinten. Bij volwassen mannetjes verdwijnt deze volledig en ontwikkelt zich een zwarte band in de dorsale en anale vinnen; het hele lichaam is intensere blauwe en uniform.
Afhankelijk van de stemming kan je 9 vertikale banden zien van donkere kleur, dit bij beide geslachten.
HOUDBAARHEID: †Grote aquarium, met veel schuilplaatsen tussen gestapelde stenen. Op de bodem grof grind. Krachtige filtering en frequente gedeeltelijke waterverversing zijn onmisbaar.
DIERENRIJK
Z h XXXIV 68
       
Milieu Aquarium Kweek
Zuurtegraad pH 7,5 - 8,5
Totale hardheid °DH 15 - 20
Temperatuur °C 24 - 28
Geleidbaarheid µS
VERSPREIDING: Lake Malawi, bij het eiland Likoma
Kaart voorkomen
BIOTOOP: Wordt gevonden langs de rotsachtige kusten van Likoma Island in de bovenste waterlagen.
GEDRAG: Zeer levendig, niet agressief tegenover andere vissen van dezelfde grootte.
In aquaria die niet zijn ingericht volgens de natuurlijke habitat van deze vissen, kan de soort erg verlegen blijven en gemakkelijk bang worden. Gezien de oorsprong van de rotsachtige kusten van het eiland Likoma, is het aangewezen om grote stenen, leisteen of andere te voorzien. Deze rots-inrichting moet talrijke grotten vormen. In het begin trekt de vis zich het grootste deel van de dag terug in schuilplaatsen. Zelfs in de natuur lijkt het zo te zijn, voornamelijk actief in schemerige uren. Als een kleine groep van deze vissen (minstens 5-6 exemplaren) in een aquarium van voldoende grootte wordt gefokt, zal slechts ťťn van de mannetjes zijn volledig kleuren ontwikkelen: het zal het specimen zijn dat de hele groep zal domineren. Hetzelfde gebeurt ook in de natuur, waar je dit fenomeen kunt observeren binnen grotere groepen.
VOEDSEL: Het zijn makkelijke eters. Voeden ze zich hoofdzakelijk met kleine insecten, kleine kreeftachtigen en algen die ze van de rotsen afplukken. Ze nemen eigenlijk alles wat ze aangeboden krijgen, droogvoer, Artemia, Mysis, garnalenmix, maar zullen vooral ook algrijk voedsel moeten krijgen zoals Spirulina pellets of vlokken. Een fris groen blaadje onder de vorm van sla of spinazie.
KWEEK: Het zijn muilbroeders. Het vrouwtie neemt de broedzorg waar, dit door de eieren en later het jongbroed in de muil te houden. Na een 20-tal dagen laat het wijfje het jongbroed vrij. Als eertse voedsel voldoen Artemia, Cyclops, Daphnia en fijngewreven droogvoer prima. Het aantal jongen varieert naargelang de grootte en de conditie van het vrouwtje.
BIJZONDERHEDEN:
Bewerkt door:
John Detaellenaere, maart 2018
Laatst bijgewerkt op: 16-03-2018
   naar Aquariumwereld Delen - Mailen - Bewaren
AANGEBODEN DOOR
AQUARIUMWERELD
UW MAANDBLAD VOOR AQUARIUM- EN TERRARIUMKUNDE