Maylandia hajomaylandi
(in 't Veen, 1984)

Maylandia hajomaylandi
Foto: Marc Houtman

IDENTITEIT: orde: Perciformes; familie: Cichlidae.
EERSTBESCHRIJVING: in 1984, door J. in 't Veen als Pseudotropheus hajomaylandia in Cichliden:80.
SYNONIEM: Pseudolropheus greeberi
NEDERLANDSE NAAM: ∂∂∂∂∂
MAXIMALE GROOTTE: de mannelijke dieren worden tot Ī 12 cm groot, de vrouwtjes blijven iets kleiner.
GESLACHTSONDERSCHEID: net zoals bij de meeste Mbuna's is het mannetje fraai gekleurd terwijl het vrouwtje slechts geelachtig, vuilblauw blijft, afhankelijk van de stemming. Enkel tijdens de balts vertoont ook het vrouwtje enige kleurzweem.
HOUDBAARHEID: het is raadzaam de vissen niet samen te houden met soorten die erg op elkaar gelijken zoals de Ps. aurora en de Ps. barlowi. Onderling durven de vissen immers kweken wat tot ongewenste kruisingen kan en zal leiden. De vissen verlangen een ruim aquarium dat vooral voldoende diep en hoog is en voorzien van voldoende rotspartijen die hen de nodige schuilplaatsen bieden. De dieren durven 'graven' ! Houdt hiermee rekening bij de opbouw ! Planten kunnen, al dienen dit geen 'tere' plantjes te zijn. Een wekelijkse waterverversing van aquariumwater is een noodzaak. Eveneens is een degelijk filter, dat het water kristalhelder en zuurstofrijk houdt, onontbeerlijk.
DIERENRIJK∂∂∂∂∂
Z h XXXIV 68
       
Milieu Aquarium Kweek
Zuurtegraad pH 7,6 - 8,3 ∂∂∂∂∂ 7 - 8
Totale hardheid °DH 7 ∂∂∂∂∂ ∂∂∂∂∂
Temperatuur °C 23 - 27 ∂∂∂∂∂ 25
Geleidbaarheid µS ∂∂∂∂∂ ∂∂∂∂∂ ∂∂∂∂∂
VERSPREIDING: Afrika: Malawimeer
Kaart voorkomen
BIOTOOP: de vissen komen voor op nogal grote diepte (Ī7 tot 20m) in de sedimentrijke rotsbiotoop en de overgang naar de rotsen rond het eiland Chlzumulu in het Malawi meer en zijn daar endemisch.
GEDRAG: het mannetje durft agressief gedrag te vertonen tegenover mannelijke soortgenoten. Tegenover andere vissen zijn ze relatief vreedzaam.Ook is het raadzaam een mannetje samen te houden met enkele vrouwtjes. Tijdens de balts verdedigen ze met meer felheid hun territorium. Alle vissen worden dan uit hun paaigebied weggejaagd.
VOEDSEL: in de natuur eten de dieren plankton en grazen ze de algentapijten af. De dieren dienen in het aquarium dus een voldoende geverieerd en ultgebalanceerd voedsel te krijgen. Dit betekent veel afwisseling in kleine kreeltachtigen, watervlooien enz... . Ook groenvoer mag niet op het menu ontbreken.
KWEEK: is een maternale muilbroeder. D.w.z. dat het vrouwtje de eieren na of tijdens de bevruchting in de bek neemt en daar de eieren uitbroedt. Ze eet hierbij ca. 22 dagen niet, waarna de vislarven uitgespuwd worden die zich gedurende die periode met hun dooierzak voedden. Na het vrijzwemen en nemen de jongen direct pas uitgekornen Artemia en Cyclops aan. Ze zijn dan al 5 ŗ 6 mm groot en enkele dagen later worden ook reeds watervlooitjes genomen. Veel waterverversingen en meermaals per deg voederen garandeert een snelle opfok. Vermits muibroeden minder jongen oplevert dan bij vrijleggers is het aantal afhankelijk van de grootte en de conditie van het vrouwtje.
BIJZONDERHEDEN: de vis lijkt ook veel op de Ps. aurora, al situeert bij deze laatste het echte mooie geel zich dit vooral in de keel- en borstpartij. Bij de onze hajomaylandi die een echt "zebra"-profiel heeft is de kleur eerder geeloranje en iets minder nadrukkelijk aanwezig als een soort vlekkenpatroon dat over het hele hoofd verspreid is. Ook heeft hajomaylandi een lichte 'deuk' in de kop, ter hoogte van de ogen.
De subgenusnaam Maylandia, Meyer & Foerster, 1984 is een nomen nudum (geen diagnose van het genus beschreven) en dus ongeldig. (1998)
Bewerkt door:
Walter Van der Jeught, september 1998
Laatst bijgewerkt op: 13-08-2014
   naar Aquariumwereld Delen - Mailen - Bewaren
AANGEBODEN DOOR
AQUARIUMWERELD
UW MAANDBLAD VOOR AQUARIUM- EN TERRARIUMKUNDE