Rhodeus sericeus amarus
(Bloch, 1782)

Rhodeus sericeus amarus
Foto: Henri Voet

IDENTITEIT: orde: Cypriniformes; familie: Cyprinidae.
EERSTBESCHRIJVING: In 1782, door M. E. BIoch, als Cyprinus amarus, in Nat. Fische Deutschl. I:252.
SYNONIEM: Rhodeus sericeus
NEDERLANDSE NAAM: Bittervoorn
MAXIMALE GROOTTE: 9 cm
GESLACHTSONDERSCHEID: De mannetjes hebben een rode oogiris, zilver bij de vrouwtjes. In de paaitijd krijgen de mannetjes een rode gloed over het lichaam en witte wratjes boven bek en ogen, terwijl bij de vrouwtjes een drie tot vier centimeter lange legbuis uitgroeit.
HOUDBAARHEID: Uitstekende aquariumvis. Niet houden bij veel grotere vissen: verdringing en voedselconcurrentie.
Ideaal is een soortaquarium. Inrichting: een overkoepelende randbeplanting, ingeplant op een terras. Laagste bodemniveau onbeplant: kruipruimte voor zoetwatermosselen.
Volwassen na twee tot drie jaar. Leeftijd: ouder dan vijf jaar is mogelijk.
DIERENRIJK
Z h XVI 16
       
Milieu Aquarium Kweek
Zuurtegraad pH
Totale hardheid °DH
Temperatuur °C 4 - 20 4 - 25 16 - 20
Geleidbaarheid µS
VERSPREIDING: Rhodeus sericeus amarus - Europa, Rhodeus sericeus sericeus - AziŽ
Kaart voorkomen
BIOTOOP: Riviertjes, sloten, plassen en meren. Liefst op begroeide plaatsen met een lichte stroming en een zand- of grintbodem.
GEDRAG: Zwemt buiten de paaitijd in schooltjes en is zeer vreedzaam. In de paaitijd vormt elk mannetje een territorium rond een zoetwatermossel en verjaagt rivalen. Bevolkt de onderste helft van het aquarium.
VOEDSEL: In de natuur: kleine waterdiertjes, algen, halfvergane organismen. In het aquarium: alle klein levend voer en droogvoer.
KWEEK: Bijzonder interessant: eitjes worden afgezet in zoetwatermossels, bij voorkeur in de schildersmossel, Unio pictorum, doch bij gebrek daaraan ook in de zwanemossels. Anodonta spec. e. a. Unionidae.
Paaitijd: mei - augustus. Man vormt territorium rond een mossel, welke hij door waaieren went aan zijn aanwezigheid. Hij lokt kuitrijpe vrouwtjes aan, welke in enkele uren een legbuis ontwikkelen. Deze wordt in de uitstroomopening van de mossel gestoken om 40 tot 100 eitjes af te zetten. Het mannetje loost zijn homvocht boven de uitstroomopening. Ook de larfjes blijven nog in de mossel, terend op hun dooierzak, tot ze volledig ontwikkeld zijn en komen dan met het ademwater van de mossel naar buiten. Opfok: Artemia, micro-aaltjes en fijn droogvoer. Slechts ťťn vrouwtje in elke mossel laten afzetten: door de eieren of larven neemt de zuurstofbehoefte van de mossel toe.
BIJZONDERHEDEN: De relatie bittervoorn - mossel betreft een geval van symbiose: de bittervoornlarfjes genieten bescherming en ventilatie en op hun beurt genieten de mossellarfjes een grotere verspreidingsmogelijkheid, daar ze zich vasthechten aan de vinnen en de kieuwen van vissen, uiteraard heel vaak bij bittervoorntjes.
De visjes worden vaak als aasvisjes voor de hengelsport te koop aangeboden.
Bewerkt door:
H. Voet, november 1991
Laatst bijgewerkt op: 26-06-2017
   naar Aquariumwereld Delen - Mailen - Bewaren
AANGEBODEN DOOR
AQUARIUMWERELD
UW MAANDBLAD VOOR AQUARIUM- EN TERRARIUMKUNDE