Tinca tinca
(Linnaeus, 1758)

Tinca tinca
Foto: Arend van den Nieuwenhuizen

IDENTITEIT: orde: Cypriniformes; familie: Cyprinidae.
EERSTBESCHRIJVING: in 1758, door Linnaeus als Cyprinus tinca in Systema Naturae: 321.
SYNONIEM:
NEDERLANDSE NAAM: zeelt; louw
MAXIMALE GROOTTE: 50 cm, in grote meren tot meer dan 60 cm.
GESLACHTSONDERSCHEID: het mannetje heeft een verdikte straal aan de voorrand van de buikvinnen.
HOUDBAARHEID: ondanks hun grootte zijn jonge exemplaren (tot een grootte van Ī 15 cm) goed houdbaar. Verdraagt zout water tot 8% en komt dus ook voor de brakwater-liefhebber in aanmerking. Verlangen een ruime, vrije zandbodem (grondelaar), een stevige beplanting (schuilgelegenheid) en een gedempte verlichting (schemeringsdier). De behoefte aan zuurstof is voor deze "koudwatenvis" eerder gering. Het creŽren van een winterperiode (lagere temperaturen gedurende enkele achtereenvolgende maanden) komt de vis ten goede. ln Aquariumwereld 49/04: 82-83 wordt T. tinca voor de (al te kleine) tuinvijver afgeraden. ln diepere vijvers met een slikbodem wellicht wel mogelijk.
DIERENRIJK
Z h XVI 19
       
Milieu Aquarium Kweek
Zuurtegraad pH
Totale hardheid °DH
Temperatuur °C 4 - 22 18 - 22
Geleidbaarheid µS
VERSPREIDING: EuraziŽ, met uitzondering van het hoge noorden. In de oostelijke Oostzee en in Rusland. Tot op 1000 m hoog in bergmeren.
Kaart voorkomen
BIOTOOP: komt voor in langzaam stromende en stilstaande wateren (rivieren; ondiepe meren; poldersloten; vaarten; wateringen en vijvers), steeds boven een slijkerige bodem en op plaatsen waar in de onmiddellijke omgeving een dichte vegetatie (riet; lis; bies; e.a.) is aan te treffen. Daarnaast ook te vinden in zwinnen, riviermondingen en zelfs tot in de forelzone's van beken.
GEDRAG: kalme, rustige aquariumbewoner. ls lichtschuw en ontplooit bijgevolg alleen tijdens de schemering en in de nachtelijke uren zijn activiteiten. Hangen overdag heel vaak tussen de planten. Bodembewoner met een enorm aanpassingsvermogen. Zo verdraagt deze vis grote temperatuursverschillen - mits deze geleidelijk ontstaan - en een hoge organische waterverontreiniging. Verder is de zeelt een prachtig voorbeeld voor wat betreft kleurveranderingen (mimicri). Een gekende schrikreactie is deze waarbij de zeelt zich met de kop naar voor in de modder graaft. Groeit in het aquarium uiterst langzaam.
VOEDSEL: neemt het klein dierlijk voedsel hoofdzakelijk van en uit de bodem. Allerlei soorten wormen; maden; larven; slakken en kuit worden opgenomen. Hij voedert zich eveneens met enige vegetarische bestanddelen (plantenresten en deels vergane organismen).
KWEEK: het geslachtsrijpe vrouwtje zoekt in de zomermaanden (mei tot juli) een geschikte afzetplaats. Tussen de aan de oever gelegen waterplanten zet ze een groot aantal (200.000 tot 300.000) geelgroene, kleverige eitjes af. Na zes tot zeven dagen komen de larfjes uit.
BIJZONDERHEDEN: over de heilzame werking (poetsgederag e.d.) welke deze vis op andere, in hetzelfde milieu voorkomende, vissen zou uitoefenen is niets reŽels bekend. Sterk groen wordende vissen werden destijds als een aparte soort beschreven. Momenteel onderscheidt men twee (xantische) kleurvormen - de goudzeelt en de gevlekte goudzeelt - waarbij het aanpassingsvermogen duidelijk minder sterk ontwikkeld is. Wordt als consumptievis gekweekt.
Bewerkt door:
Hugo Vits & Fernand Verbeeck, november 1997
Laatst bijgewerkt op: 07-05-2014
   naar Aquariumwereld Delen - Mailen - Bewaren
AANGEBODEN DOOR
AQUARIUMWERELD
UW MAANDBLAD VOOR AQUARIUM- EN TERRARIUMKUNDE