Tiliqua rugosa
(Gray, 1825)

Tiliqua rugosa
Foto: A.J. Zwinenberg

IDENTITEIT: orde: Squamata; familie: Scincidae.
EERSTBESCHRIJVING: Als Trachydosaurus rugosus, door Gray, in 1825, in Ann. Philos, serie 2, afl. 10, blz. 201
SYNONIEM: Trachydosaurus rugosus
NEDERLANDSE NAAM: Dennenappelskink
MAXIMALE GROOTTE: 40 - 45 cm
GESLACHTSONDERSCHEID: Mannetjes hebben een iets dunnere en langere staart.
HOUDBAARHEID: Wordt in gevangenschap gauw tam. Hij is gemakkelijk te houden in een droog en warm terrarium met bodemverwarming. De bodemlaag moet uit zand, vermengd met kiezelsteentjes (worden soms gegeten om de spijsvertering te bevorderen) bestaan. Een platte steen, met daarboven een straailamp, dient om te kunnen "zonnen". Schuilgelegenheid verschaffen onder een steen of een stuk hout. Hij kan met even grote of grotere hagedissen samen gehouden worden. Goed tegen warmte bestand zijnde planten en graspollen gebruiken om het terrarium aan te kleden. Planten om de paar dagen besproeien, de dieren echter niet (afkeer daarvan). Zij likken druppels op, maar drinken ook uit het waterbakje.
DIERENRIJK
Z j IV 07
       
Milieu
dag / nacht
Terrarium
dag / nacht
Kweek
Temperatuur °C 25 - 35 / +/-20
Relatieve vochtigheid %
Licht Zon Kunstlicht
VERSPREIDING: Zuidelijk Australië
Kaart voorkomen
BIOTOOP: Komt vooral voor in streken begroeid met struikgewas of lang gras. Ook in duingebieden. Geeft de voorkeur aan droge, zeer warme gebieden (semi-aride streken). Ligt vaak te zonnen en kan grote hitte verdragen.
GEDRAG: De skink leeft op de grond en verschuilt zich onder stenen, onder houtafval of in een verlaten konijnehol. Hij is overdag actief, maar traag in zijn bewegingen. Hij verdedigt zich door luid te sissen en zijn bek ver te openen in de richting van de belager. Hij steekt vervolgens de lange, zwartblauwe tong uit, die scherp afsteekt tegen de rode slijmhuid in de bek. Komt de aanvaller te dichtbij, dan wordt een bijtpoging ondernomen. De hagedis heeft een stevig gebit. Een beet in de hand kan pijnlijk zijn. Dit blutgedrag komt overeen met dat van de blauwtongskinken (geslacht Tiliqua).
VOEDSEL: Het trage dier is niet in staat om snelbewegende insekten of andere kleine diertjes te vangen, tenzij het geluk heelt. Voedt zich daarom met slakken, onbehaarde rupsen, kevers en regenwormen. Men kan in gevangenschap kleine stukjes vlees en vis verstrekken, terwijl soms ook eigeel geaccepteerd wordt. ln noodgevallen voldoen meelwormen. Ook veel plantaardige kost wordt gegeten, zoals bessen, bananen en andere zoete vruchten, verse bladeren van verschillende soorten groenten (denk aan bespoten groenten !), stukjes brood en bloesem. Er zijn nog veel meer mogelijkheden - het dier is bijna een "alleseter".
KWEEK: Het vrouwtje is levendbarend (ovovivipaar). Er worden per keer slechts 2 jongen geworpen, die bij de geboorte al 15 cm meten; soms maar 1 jong, een enkele keer 3.
BIJZONDERHEDEN: De populaire naam van het dier heelt betrekking op de stompe, brede staart, die evenals het bovenlichaam met sterk gekielde schubben bedekt is en daarom op een denneappel lijkt. ln de staart wordt vet opgeslagen voor tijden met weinig voedsel. De skink is vaak bruinachtlg van kleur, maar er zijn veel kleurcombinaties mogelijk. Hij kan in gevangenschap ouder dan 15 jaar worden. Door zijn traagheid is het een minder interessante terrariumbewoner.
Bewerkt door:
A.J. Zwinenberg, oktober 1986
Laatst bijgewerkt op: 29-07-2015
   naar Aquariumwereld Delen - Mailen - Bewaren
AANGEBODEN DOOR
AQUARIUMWERELD
UW MAANDBLAD VOOR AQUARIUM- EN TERRARIUMKUNDE